Kerknieuws
Gereformeerde Gezindte
Openingspagina
Boekbespreking
Foto's
Persoonlijk
Kerkbodes
Spreuk van de week
Overig
Ware gebeurtenissen
Kerkelijk leven
Jongerenrubriek
Muzikale pagina + agenda
Columns
Links
Uw aandacht voor:
Veluwse Kerkbode
De Vijgeboom
Kerknieuws Gereformeerde Gemeenten
Veluwse Kerkbode

1.       Fietsende voorganger (ds. W.J. op ’t Hof, Gameren): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 8 juni 2018 onder de berichten van de Hervormde gemeente van Driedorp

Fietsendrager

Het zal trouwe kerkgangers in Driedorp al wel eens opgevallen zijn dat er soms een fietsendrager aan mijn trouwe, oude Opeltje te bekennen is en dat er soms zelfs een dames- en een herenfiets op staan. Het zou mij niet verbazen als sommige gemeenteleden en kerkgangers zich daaraan stoten.

‘Heeft de dominee niets anders te doen dan fietsen? Komt hij in Driedorp om vakantie te houden? Dat past toch niet voor een dominee, en zeker niet voor een bejaarde voorganger?’ Dit soort vragen kan ik mij voorstellen. Ik wil u verzoeken mij en mijn vrouw niet direct en ongehoord te veroordelen. Inderdaad fietsen mijn echtgenote en ik veel, en bij voorkeur nog op de Veluwe ook. Dit laatste heeft te maken met mijn voorliefde voor bossen. Wie veel met mensen omgaat, gaat van bomen houden. Degene die vreest dat ik de tijd die ik aan fietsen besteed, ten koste zou laten gaan van het gemeentewerk, melde zich bij mij of de kerkenraad. Als inderdaad zou blijken dat ik het ambtswerk verwaarloos, hoop ik mij dat aan te trekken – en zo niet, dan moet de kerkenraad mij maar onderhanden nemen!

Medische noodzaak

Toen ik 17,5 jaar geleden ternauwernood een hartoperatie mocht hebben overleefd, droeg de cardioloog mij op om een medisch sportherstelprogramma te gaan volgen. Ik had veel te weinig beweging en zeker na die operatie was het volgens hem onmisbaar voor de toekomst om mij tweemaal per week in het zweet te sporten. Toen ik een jaar of zes geleden van een hartinfarct op mocht knappen, kreeg ik van een andere cardioloog een maatschappelijk werkster op mijn dak, die mij ernstig hetzelfde advies gaf. Nu moet de lezer weten dat ik voordat ik in het ambt kwam, veel gesport heb. Ik vond dat heerlijk. Toen ik eenmaal in het ambt was bevestigd, vond ik sporten niet passend meer. Dus toen de cardioloog mij opdroeg om ter wille van mijn gezondheid in een gymzaal allerlei sportieve capriolen uit te halen teneinde het luie zweet uit het lichaam van die dominee te krijgen en zijn aderen niet weer te laten dichtslibben, weigerde ik. Die cardioloog had mij al een beetje leren kennen, dus hij keek van die weigering niet heel vreemd op. Hij zei: ‘Op één voorwaarde ga ik met uw weigering akkoord: als u dagelijks twee tot drie kwartier stevig gaat lopen of fietsen’. Dat heb ik hem toen plechtig moeten beloven. Na de hartoperatie heb ik opnieuw moeten leren lopen. Iedere dag een paar meter verder. Mijn vrouw durfde mij nooit alleen te laten gaan, dus we liepen altijd samen. Na verloop van tijd werden we het rondje om het dorp zat en zijn wij gaan fietsen. Iedere dag als het weer het toeliet stapten wij op de fiets. Ook mijn vrouw kreeg van de dokter het advies om te blijven fietsen. Dit in verband met haar reuma en artrose. Tussendoor liepen we nog wel eens. Daar kwam een eind aan toen mijn eega last van haar knieën kreeg. Toen kon ze alleen nog maar einden fietsen. Sindsdien hebben gemeenteleden ons vaak zien fietsen. Toen ik lichamelijk weer op krachten had mogen komen fietste ik waar je niet naast elkaar kon rijden altijd voorop. Er kwam echter een moment dat mijn eega zich niet langer op een gewone fiets mocht voortbewegen en die voor een elektrische fiets moest inruilen. Sindsdien had ik vaak moeite om haar bij te houden en fietste in haar kielzog. Of dit ook een figuurlijke betekenis heeft, laat ik aan het oordeel van de lezer over.

Voorrecht van een AOW-er

De meeste menen die de AOW-gerechtigde leeftijd bereiken, stoppen met werken en gaan dan doen waar zij zin in hebben. Omdat ik er niets van geloof dat een goddelijke roeping tot het ambt van predikant door een menselijke bepaling beperkt zou zijn tot die AOW-gerechtigde leeftijd, ben ik gewoon door blijven werken. Wel heb ik de laatste jaren het aantal uren per week iets afgebouwd, maar ik zit momenteel nog op minimaal honderd procent van een gewone werkweek. Enerzijds gaan die uren op aan preken en ambtswerk en anderzijds aan wetenschappelijk werk. Omdat zowel mijn trouwe hulp als ikzelf voelen dat wij bij het ouder worden meer behoefte hebben aan ontspanning, zijn wij de laatste jaren begonnen met zo nu en dan een hele dag te fietsen. We leggen geen spectaculair lange afstanden af, maar we trappen nog wel zo’n zeventig kilometer. Mijn vrouw op een elektrische fiets en ik zoveel mogelijk nog op een gewone fiets. Tegenwoordig kunt u ook mij wel eens tegenkomen op zo’n elektrische fiets. Het valt mij namelijk steeds zwaarder om op de Veluwe heuveltje op heuveltje af te gaan. Onze kinderen hebben resoluut ingegrepen en mij ook zo’n modern ding gegeven. Dus als wij een heuvelachtige route hebben, moet ik ook aan zo’n ding geloven.

Combineren

Dat een hele dag fietsen, kan mooi gecombineerd worden met iets dat mijn vrouw en ik voor deze zomer, zo de Heere wil, nog op het programma hebben staan. Met de kennismakingsbezoeken zijn wij in de zomer van vorig jaar gekomen tot die gezinnen wier achternaam met een ‘K’ begint. We hebben dus nog wat bezoeken te doen.  Het ligt in de bedoeling om op mooie dagen, waarop wij de Veluwe willen rondfietsen, de avonden te besteden aan die kennismakingsbezoeken. Dan verenigen wij het nuttige met het aangename. En wie weet kunnen we die bezoeken ook wel op de fiets doen…

Op één van de warmste dagen van dit jaar tot nu toe hielden wij de contactmiddag en – avond. Omdat de middag pas om 15.30 uur begon, kon ik daaraan voorafgaande nog een bezoekje afleggen. Het weer nodigde uit om op de fiets te gaan en ik had speciaal een adres uitgezocht dat niet ver uit de buurt lag. Ik had wel geen fiets bij mij, maar als de lachende koster in de buurt is, komt alles goed. Ik mocht zijn fiets lenen en zo ging ik voor het eerst in de gemeente Driedorp op de fiets een bezoekje afleggen. Als de Heere het geeft, hoop ik dat deze zomer wel vaker te doen.

Verbod

Eén van de nare gevolgen van een prostaatoperatie is dat je minimaal zes weken niet mag fietsen. Als u dit leest zijn er al vier van om. Ik krijg steeds meer kriebels om mijn ros te beklimmen. Daarbij ben ik zo dom geweest om dat een keer tegen mijn particuliere verpleegster te zeggen. En die is niet mis. Wat heeft zij gedaan? Zij heeft alle fietsen, behalve die van haarzelf, op slot gezet en de sleuteltjes verstopt. Zij weet het nog niet, maar als ze dit stukje leest is zij ervan op de hoogte. Stiekem heb ik die sleuteltjes gezocht, maar ik heb ze niet kunnen vinden…

Het zal dus wel even duren voordat u in de bossen of op de hei van de Veluwe een bejaard stel op de fiets zult kunnen ontwaren, waarvan de man een zwarte broek en een wit overhemd aan heeft, met een zwarte schipperspet op zijn hoofd om zijn huid tegen de zon te beschermen. Dit laatste is weer noodzakelijk wegens een tablet die ik voor mijn hart moet slikken en die snel huidkanker veroorzaakt. Hoewel ik allesbehalve poëtisch ben, begint er toch als ik daaraan denk, een dichtader te vloeien:

Op de grote stille heide

Fietst een herder met zijn eega rond.

Zijn schapen liet hij achter

Op de grazige Driedorpse grond.

2.       De mus en de zwaluw (ds. J. Catsburg): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 8 juni 2018 onder de berichten van de Hersteld Hervormde gemeente van Elspeet

Zelfs vindt de mus een huis, en de zwaluw een nest voor zich, waar zij haar jongen legt, bij Uw altaren, HEERE der heirscharen, mijn Koning en mijn God. Ps 84 : 4

Bedevaartgangers naderen Jeruzalem en zien op de tempel de mus en de zwaluw, die bij Gods altaren hun nest hebben gebouwd, waar ze zich veilig en rustig weten. De mus en de zwaluw.

De zwaluw achten wij hoog met haar sierlijke vlucht, en ze geniet bescherming op de boerderij. Het is een vogel met gastrecht, die niet verstoord mag worden.

En de mus? Een gewoon vogeltje die wat rond hippelt en hier en daar een zaadje ter voeding wegpikt. Zo’n mus heeft niets aantrekkelijks en is een lastig beest, die je beter kwijt bent dan rijk.

De zwaluw heeft een nest en hoort erbij. In geestelijke zin kunnen we zeggen dat het huisgenoten Gods zijn die er een plaats hebben. Maar nu zijn er die dat gastrecht missen en bij Gods altaren niet thuis horen. Als de nodiging uitgaat staan ze van verre. Ze kennen wel het verlangen: ‘Och, mocht ik in die heilige gebouwen, de vrije gunst, die eeuwig Hem bewoog. Zijn lieflijkheid en schone dienst aanschouwen’. Ze zijn bedrukt en weten zich waardeloos en zullen als de mussen worden weggejaagd. We kijken naar de tekst, zelfs vindt de mus een huis. Niet ook de mus, nee zelfs de mus. Waardeloze vogels die van verre staan en er niet thuishoren. Ze zeggen: Heere, de minste gedaante wordt bij mij niet gevonden. Maar Hij zegt: ‘Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden’. Het wonder van Gods barmhartigheid is, dat zelfs die mus bij Gods altaren mag wonen. Hij zou de bijwoner genoemd kunnen worden. Aan wie geeft de tekst voorrang? De mus op de eerste- en de zwaluw op de tweede plaats. ‘Op dezen zal Ik zien, namelijk de armen van geest en die voor Mijn Woord beeft’, spreekt de Heere. Bent u een zondaar, zonder toevlucht en rust en is er droefheid over de zonde? O, u hoort in de prediking de ene weg voorstellen: ‘Christus en Dien gekruisigd’. Uw hart dorst om die vrede te mogen proeven en smaken. Maar u bent met de dichter van Ps. 84, zwervend en zonder rust in de woestijn en zucht: ‘k Heb mijn tranen onder ’t klagen, tot mijn spijze, dag en nacht’.

Zelfs vindt de mus een huis, en de zwaluw een nest. Ja, u leest het goed. Wij zouden het andersom zeggen: de zwaluw een huis en de mus een nest. De mus gaat de zwaluw voor. David had in de woestijn vijanden, Gods kinderen ook. Ze worden achtervolgd door de eis van Gods wet. Ze weten zich vloek- en doemwaardig te zijn. Ze zijn alleen veilig bij Gods altaar. Bent u er van overtuigd zo’n toevluchtsoord te hebben? Er is een huis voor de mus omdat de plaatsbereider heeft gezegd: ‘de vossen hebben holen, de vogelen des hemels nesten, maar de Zoon des mensen heeft niets waar Hij het hoofd op kan neerleggen’. De mus vindt een huis wat hij zelf niet hoeft te bouwen, want de woning is klaar. Hoe heerlijk te mogen schuilen bij Gods altaren, waar o.a. het brandofferaltaar wordt gezien. Het offer, het Lam. En we staren naar Zijn verbroken lichaam en naar Zijn vergoten bloed. Een huis voor nooddruftigen. Bent u een zwaluw als Hizkia die piepte in het aangezicht des doods? Kunt u nergens heen? Heere, wees Gij mijn Borg. En wat zei de Heere? Wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen. Daar werd hem de Borg geschonken. De mus en de zwaluw. O gij volk, hoort, vallend aan des Heeren voeten mag u leven van een eeuwig meevallen. Duidelijk moge zijn dat dit volk gedurig aan de zonde leert sterven. Ja, zelf zonde is geworden en het bloed van Christus nodig krijgt tot reiniging van de zonden, hetwelk wordt uitgestald in de tekenen van brood en wijn aan de tafel des Heere.

Deze meditatie is in verkorte versie en enige aanpassing overgenomen uit een preek van wijlen ds. J. Catsburg

3.       Verwerping van dwalingen (I,3; ds. W. Pieters, Garderen): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 18 mei 2018 onder de berichten van de Hersteld Hervormde gemeente van Garderen

Bij elk hoofdstuk van de Dordtse Leerregels staat aan het eind de zogenoemde ‘verwerping der dwalingen’:

‘Nadat de rechtzinnige leer van verkiezing en verwerping verklaard is, verwerpt de synode de dwalingen van hen die leren (3) dat het welbehagen en voornemen Gods, waarvan de Schrift in de leer van de verkiezing gewag maakt, niet daarin bestaat dat God enige mensen boven anderen heeft uiverkoren; maar daarin dat God uit alle mogelijke voorwaarden (waaronder ook de werken der wet zijn), of uit de gehele orde van alle dingen, tot voorwaarde der zaligheid heeft uitgekozen de onverdienstelijke daad van het geloof en zijn onvolmaakte gehoorzaamheid, die Hij genadig voor een volkomen gehoorzaamheid zou hebben willen houden, en de beloning van het eeuwige leven waardig achten.

Want met deze schadelijke dwaling:

-          Worden Gods welbehagen en de verdienste van Christus krachteloos gemaakt,

-          Worden de mensen door onnutte vragen van de waarheid der genadige rechtvaardiging en van de eenvoudigheid der Schrift weggetrokken,

-          En worde deze uitspraak van de apostel van onwaarheid beschuldigd: ‘God heeft ons geroepen met een heilige roeping, niet naar onze werken, maar naar Zijn eigen voornemen en genade, die ons gegeven is in Christus Jezus vóór de tijden der eeuwen’ (2 Tim. 1 : 9)

 

4.       Moed voor moedelozen (ds. N.A. Donselaar, Nijkerk): ): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 8 juni 2018 onder de berichten van de Hersteld Hervormde gemeente van Nijkerk

Ter voorbereiding las ik een preek van de Schotse predikant Ralph Erskine (naar aanleiding van Ezechiël 16 : 63 ‘Opdat gij het gedachtig zijt, en u schaamt, en niet meer uw mond opent vanwege uw schande, wanneer Ik voor u verzoening doen zal over al hetgeen gij gedaan hebt, spreekt de Heere HEERE’.

Zie hieruit hoe en in welke weg u tot dit recht gedachtig zijn van uw zonden, en tot ware verootmoediging vanwege uw zonden kunt komen. De grote en voornaamste plicht, om tot deze verootmoediging te geraken, is een blik op een bevredigde God. Als u tot een heilige schaamte en tot beschaamdheid van het aangezicht vanwege uw zonden wilt komen, weet dan en gelooft, dat God voor u verzoend is over al hetgeen dat u gedaan hebt, dat er ontferming voor u is in God.

Vraagt u: Hoe zal ik weten, dat God voor mij bevredigd is? Want ik zou eerder denken gehoord te hebben, dat God toornig op mij is vanwege mijn zonde, aangezien Hij een God is, Die alle dagen toornt, en Die Zijn toorn tegen de zondaren openbaart.

Dan antwoord ik: Ja, dat is zo, in de wet is Zijn toorn geopenbaard: ‘Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen’. De bedreiging van de wet zal over u worden uitgevoerd, indien u de genade van het Evangelie niet aanneemt. Gelijk u weet, dat u de toorn Gods onderhevig bent, omdat het in de wet geopenbaard is; zo kunt u ook weten, dat u Gods ontferming kunt deelachtig worden, omdat het in het Evangelie geopenbaard is, en deze ontferming wordt u gegeven in de bedeling van het Evangelie. De deur van de hoop is voor u geopend. God heeft ons geboden het Evangelie aan alle creaturen te prediken; en wat is dit Evangelie des vredes? Dit, namelijk dat God in Christus voor u bevredigd is, voor al hetgeen dat u gedaan hebt.

Misschien zult u tegenwerpen: Maar God heeft niet ten doel, of geen voornemen, Zich over allen te ontfermen, hoe kan ik dan deze aanbieding van het Evangelie op mijzelf toepassen?

Ik antwoord: God heeft Zijn verborgen voornemen niet gesteld tot de regel van uw geloof, maar Zijn Woord. U kunt en zult Zijn genadig voornemen kennen, indien u maar eerst Zijn Woord aanneemt en gelooft, waarin Hij spreekt, zeggende: ‘Ik ben voor u bevredigd voor al hetgeen, dat u gedaan hebt’.

‘Maar’, zegt u, ‘ik ben een monster van zonde; ik ben een oude zondaar, een verharde en stouthartige zondaar’.

Wel, hoor dan Zijn Woord, dat zegt: ‘In Christus ben Ik voor u verzoend, over al hetgeen dat u gedaan hebt’.

‘Helaas! Maar ik heb zoveel kwaad gedaan als ik kon’.

Ja maar Hij zegt: ‘Ik ben voor u bevredigd voor al hetgeen, dat u gedaan hebt’.

Werpt u nog tegen: ‘o maar ik heb God onteerd; ik heb Christus beledigd; ik heb de Geest smaadheid aangedaan; ik heb mijn naaste ongelijk gedaan; ik heb vele dwaasheden gedaan; ik heb vele dwaasheden gedaan, daar u niet van weet?’

Dat zal wel zo zijn, doch wat zou dat? God zegt: ziet, Ik ben in Christus verzoend, en Ik ben voor u bevredigd voor alles wat gij gedaan hebt, spreekt de Heere HEERE’.

‘Helaas!’ zegt u, ‘maar ik heb meer goddeloosheid bedreven, dan ooit enig zondaar voor mij gedaan heeft; als u wist wat ik gedaan heb, zoudt u niet denken of zeggen, dat er in God gedachten des vredes over mij zijn’.

Ik antwoord: Wel, dat heeft weinig te betekenen, wat ik denk of zeg; doch hoor wat God zegt: ‘Ik ben voor u bevredigd voor al hetgeen, dat gij gedaan hebt’. U kunt dat niet indenken, maar Mijn gedachten zijn niet als uw gedachten. ‘Want gelijk de hemelen hoger zijn als de aarde, alzo zijn Mijn wegen hoger als uw wegen, en Mijn gedachten dan ulieder gedachten’.

‘Wel’, zegt u, ‘als dat het geval is, dat God in Christus voor mij verzoend is, over alles, dat ik gedaan en gedacht en tegen Hem gesproken heb; dat is zo’n verwonderlijke leer, en zulke verbazende genade, die daarin mij geopenbaard wordt, dat ik verbaasd sta bij de gedachte van zulke wonderbare genade, en mij schaam als ik denk aan mijn grote goddeloosheid tegen zo’n genadige God’.

Is dat zo? In Gods grote Naam, u mag wel beschaamd zijn, ja u in het stof wegschamen! Dit is juist de plaats waar God u hebben wil, en waartoe Hij u Zijn genadeverbond bekendmaakt, namelijk: ‘opdat gij het gedachtig zijt, en u schaamt, en niet meer uw mond opent vanwege uw schande, wanneer Ik voor u verzoening doen zal over al hetgeen dat gij gedaan hebt, spreekt de Heere HEERE’.

5.       Bij de tijd: hete meimaand (ds. M. van Reenen, Oldebroek): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 8 juni 2018 onder de berichten van de Hersteld Hervormde gemeente van Oldebroek

Inmiddels is de hevigste warmte voorbij, maar het was een bijzondere meimaand. De warmste in 300 jaar tijd! Heerlijke dagen zaten er bij, hoewel sommige dagen wel zó warm waren dat je al zweette voordat je iets uitvoerde. Het was geweldig weer voor boeren die moesten hooien, maar ook voor kerken en scholen die verkopingen of fietstochten organiseerden. Enzovoorts. Velen hebben er van genoten. Ik ook. Al moet ik wel zeggen: sinds ik zelf verantwoordelijk ben voor een tuin, kijk ik iets anders naar het weer. Aldoor zonneschijn doet dan eens te meer verlangen naar regen – omdat je anders iedere avond of ochtend druk bent met sproeien! En er is nog iets. Het is niet gewoon. Mensen die het weten kunnen geven aan dat dit past bij een patroon: de gemiddelde temperatuur wordt hoger, uitschieters komen vaker voor. De opwarming van de aarde, u weet wel. Sommige mensen doen daar wat lacherig over (zeker toen het in maart ineens stevig ging vriezen), maar we kunnen er niet omheen. En ook niet om de gedachte, dat wijzelf wel eens een belangrijke oorzaak zouden kunnen zijn. Wetenschappers zijn het er niet helemaal over eens – maar duidelijk is wel dat ons menselijke consumptiegedrag een flink effect heeft op de wereld om ons heen. We moeten wel erkennen, dat het wel zeer waarschijnlijk is dat de klimaatverandering voor een groot deel door ons mensen veroorzaakt wordt. Daardoor gaf de warmte mij niet alleen momenten van genot en van zweet, maar ook van zorg. Wat is er aan de hand, waar gaat dit heen, wat doet dit op langere termijn met Gods schepping, hoe veel planten en dieren zouden zo in de verdrukking komen? De warmte voelde meer dan eens al een stuk schuld. Wij halen dit over ons heen. En toch…geldt ook nu dat ‘regen en zonneschijn en alle ding ons niet bij geval maar van Zijn Vaderlijke hand ons toekomen’. Mopperen op het weer is mopperen op de Heer’. Maar….die eigen schuld dan? Kun je aan de Heere toeschrijven wat wij zelf veroorzaken? Nee, niet de schuld, maar wel de gevolgen daarvan. Anders gezegd: ligt hierin niet een stukje oordeel? Is het misschien zo, dat de Heere in de afgelopen maand ons heeft laten voelen hoe wij de aarde aan het beïnvloeden zijn, en dat we als het zo doorgaat samen alles werkelijk in de war schoppen? Zoals Hij ons vaak laat voelen de gevolgen van onze zonde?

Oordeel. Velen zullen de zomerse dagen zo niet ervaren hebben. Het was héérlijk toch?! Dat was het ook. En wat een zegen hebben we ontvangen! Een tamelijk vochtige aprilmaand, zodat het land niet uitgedroogd is. Groeizaam, geweldig. Nog laat de Heere merken hoe Hij Zelf Zijn schepping onderhoudt en ons verzorgt. Onverdiend! Maar ik voor mij moet zeggen, dat ik de warmte ook heb ervaren als een stukje oordeel. Als de Heere zó doorgaat….

Als Hij dan eens geen tussentijdse regenbuien geeft….

Als het land verwarmt en verdort en de planten verkwijnen…

Hitte kan een geweldig oordeel zijn. Niet voor niets spreekt Gods Woord over de ‘hitte van Gods gramschap’ (Ps. 85), en over het ‘ontbranden van Gods toorn’ (Ps. 2). In de hel zal die voor eeuwig worden uitgestort, dat is immers een ‘onuitblusselijk vuur’, want ‘onze God is een verterend vuur’. En van dit eeuwige oordeel zal God in de tijd al iets laten zien. Als de eerste bazuin klinkt, dan is daar de eerste plaag: ‘en het derde deel der bomen is verbrand, en al het groene gras is verbrand’ (Openb. 8 : 7). Een voorproef voor de laatste dag, als deze aarde gelouterd zal worden door het vuur (2 Petr. 3 : 10).

Zó was het nu bij lange na niet. Integendeel. Bijna alles om ons heen bleef groen. De Heere heeft zeer genadig voor ons gezorgd. Maar toch geloof ik niet dat deze les vergezocht is. De buitengewone weersomstandigheden moeten ons opmerkzaam maken. Op onze schuld, op de gevolgen van ons gedrag en bovenal op de werkelijkheid van Gods oordeel. Opdat wij ons uitwendig en bovenal van harte bekeren tot de Heere, om dan het wonder te mogen ervaren: ‘Gij vindt in gunst en niet in wraak Uw lust; de hitte van Uw gramschap is geblust’!

6.       Zalig zijn de armen van geest (ds. R.P. van Rooijen, Oosterwolde): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 8 juni 2018 onder de berichten van de Hersteld Hervormde gemeente van Oosterwolde

We lazen voor u een stukje uit de preken van de puritein Thomas Watson (ca. 1620-1686) over de zaligspreking: Zalig zijn de armen van geest; want hunner is het Koninkrijk der hemelen. Dit naar aanleiding van de voorbereidingspreek van afgelopen zondagmorgen over Matth. 5 : 3. Watson schreef een geheel boek over de zaligsprekingen. The Beatitudes. Het is in het Nederlands vertaald.

  1. Indien wij niet arm van geest zijn, dan zijn we niet bekwaam om enige genade te ontvangen. Wie met een gevoel van zelfgenoegzaamheid en eigenwaarde vervuld en opgeblazen is, zo iemand is voor Christus niet bekwaam. Die is reeds vol. Indien een hand al met iets gevuld is, dan kan ze geen goud aanpakken. Eerst wordt een glas geledigd, en dan doet men er wijn in. God ontledigt een mens eerst van zichzelf, eer hij hem de kostelijke wijn van genade instort. Het zijn uitsluitend de armen van geest, die met Christus in betrekking staan, Jes. 61 : 1: ‘De Geest des HEEREN is op Mij; Hij heeft Mij gezonden om te verbinden de gebrokenen van hart’; d.w.z. hen, die door het gevoel van hun onwaardigheid gebroken zijn.
  2. Indien wij niet van arm van geest zijn, is Christus ons nooit dierbaar. Indien wij ons eigen gebrek niet zien, zullen wij ook nooit Christus’ waardigheid zien. Armoede des geestes is de saus, die Christus zoet en smakelijk maakt voor de ziel. De genade is zeer welkom en aangenaam voor de arme van geest. Wie zichzelf met vuile klederen bekleed ziet, Zach. 3 : 4, wat zal zo iemand niet geven voor wisselklederen, dat is voor de gerechtigheid van Christus? Wat zal hij niet geven om de prachtige kroon der zaligheid op z’n hoofd te dragen? Wanneer iemand zichzelf bijna dodelijk verwond ziet: hoe kostelijk en dierbaar zal zo iemand de balsem van Christus’ bloed achten? Wanneer hij zichzelf diep in de schuld voor God ziet, en zo onbekwaam is om zijn schuld te betalen, dat hij die schuld niet eens berekenen kan: hoe blij zal zo iemand zijn, wanneer een borg opdaagt? De parel van grote waarde is alleen dierbaar voor de armen van geest. Wie broodgebrek heeft en van honger wegkwijnt, ja, op ’t punt staat om te sterven: zo iemand wil, koste wat het kost, brood hebben. Zelfs z’n kleren, zal hij ervoor verpanden. Want hij moet brood hebben, anders is het met hem gedaan. Zo ook hier: wie arm van geest is en Christus als het Brood-des-levens nodig heeft: o, hoe dierbaar is een Zaligmaker voor zo’n ziel! Christus is Christus, en genade is genade voor hem. Niets is te heet of te koud om aan te pakken, teneinde dit brood des levens in het zweet zijns aangezichts te gewinnen. Daarom wil God de ziel in zulk een toestand hebben, teneinde de lof van Zijn macht des te hoger te verheffen, en de waarde van de Heere Jezus in hoog aanzien te brengen.
  3. Indien wij niet arm van geest zijn, kunnen wij niet in de hemel komen of zalig worden. Want hunner is het Koninkrijk der hemelen. Dit bereidt en maakt ons bekwaam voor de hemel. Van nature is de mens vol zelfvertrouwen, en de hemelpoort is zo eng dat hij er niet door kan. Welnu, de armoede des geestes maakt de ziel klein, en neemt al haar overtollige ballast weg, en dan is zij bekwaam om in te gaan door de enge poort. Een dikke kabel kan niet door het oog van een naald. Maar als u die kabel losdraait en tot kleiner draadjes maakt, dan kan het wel. De armoede des geestes draait de grote kabel los, en maakt de mensen klein en gering in eigen oog, en dan zal hun rijkelijk toegevoegd worden de ingang in het eeuwige Koninkrijk, 2 Petrus 1 : 2. Door deze tempel van armoede moeten wij gaan naar de tempel der heerlijkheid.

TOEPASSING

I.                     Dit bewijst ons, waarin de rijkdom van een christen bestaat, nl. in armoede des geestes. Sommigen menen, dat als ze hun geldzakken maar vol hadden, ze wel rijk genoeg zouden zijn. Maar de armen van geest zijn pas echt rijk, nl. rijk in armoede. Want deze armoede geeft hun recht en eigendom aan een Koninkrijk. Hoe arm zijn zij dan toch, die zichzelf inbeelden dat ze rijk zijn! Hoe rijk zijn daarentegen zij, die zichzelf arm weten en belijden! Dat noem ik een juweel van armoede. Er zijn bepaalde wonderlijke uitspraken (paradoxen) in de godsdienst, die de wereld maar niet begrijpen kan; zoals dwaas worden, om wijs te worden, 1 Kor. 3 : 18; zijn leven vinden door het te verliezen, Matth. 16 : 25; en rijk zijn in armoede. De rede lacht erom. Maar ‘zalig zijn de armen, want hunner is het Koninkrijk der hemelen’. Dus moeten wij meer naar deze armoede verlangen dan naar alle rijkdommen van de wereld streven. Want onder deze lappen is een kleed van goud verborgen; en uit dit dode lichaam komt honing tevoorschijn.

II.                   Zijn de armen van geest gelukzalig, dan zijn, naar de regel der tegenstelling, de ‘hogen van hart’ vervloekt, en ‘den HEERE een gruwel’, Spr. 16 : 5. Er is een soort mensen, die met zichzelf afgoderij bedrijven; nu, er bestaat geen gemener afgod dan het eigen ‘ik’. Zij verwonderen zich over hun eigen gaven, zedigheid, eigengerechtigheid, en op deze stam enten zij de hoop hunner zaligheid. Er zijn er velen, die te goed zijn om de hemel binnen te gaan: zij bezitten voldoende bekwaamheid. Van eigen maaksel, en ze lachen er om dat ze van geleend goed leven en Christus in de handen zien zouden. Deze windbuilen zijn door de duivel met hoogmoed vervuld, ze zijn dikgezwollen in hun eigen inbeelding. Maar hun opgeblazenheid gelijkt op het opzwellen van de waterzuchtige zieken, bij wie hun dikte hun ziek-zijn aanduidt. Zo stond het ervoor met die opgeblazen werkheilige uit Lukas 18 : 11: De Farizeeër staande, bad dit bij zichzelven: ‘O God! Ik dank U, dat ik niet ben gelijk de andere mensen: rovers, onrechtvaardigen, overspelers; of ook gelijk deze tollenaar. Ik vast tweemaal per week; ik geef tienden van alles wat ik bezit. Ziehier een man, die het zeil van hovaardij omhoog hijst. Maar de tollenaar, die arm van geest was, ‘van verre staande, wilde ook zelfs de ogen niet opheffen naar den hemel, maar sloeg op zijn borst, zeggende: O God! Wees mij zondaar genadig! En deze man verkreeg de kroon. ‘Ik zeg ulieden’, zegt Christus, ‘deze ging af gerechtvaardigd in zijn huis, meer dan die’. De heilige Paulus meende vóór zijn bekering dat hij in een zeer goede staat verkeerde: ‘naar de rechtvaardigheid die in de wet is, onberispelijk’, Fil 3 : 6. Hij dacht een toren van eigengerechtigheid gebouwd te hebben, waarvan de top tot aan de hemel zou reiken. Maar tenslotte liet God hem zien, dat zijn grondslag niet stevig was, en toen nam hij zijn toevlucht tot de Rots der eeuwen, Fil. 3 : 9: ‘Opdat ik in Hem gevonden worde’. Er bestaat geen gevaarlijker klip dan de eigengerechtigheid. Zodanig was de toestand van Laodicéa, Openb. 3 : 17: ‘Want gij zegt: Ik ben rijk en verrijkt geworden, en heb geens dings gebrek; en gij weet niet, dat gij zijt ellendig en jammerlijk en arm en blind en naakt’. De Laodicensen dachten dat hun niets ontbrak, terwijl ze toch inderdaad totaal niets bezaten. Hoe velen gaan hierdoor verloren! Wij zien hoe bepaalde schepen die de klippen ontkwamen, toch nog schipbreuk lijden op de zandplaten. Velen die de klippen van grote zonden ontkwamen, hebben toch schipbreuk geleden op de zandplaten van eigengerechtigheid. En hoe zwaar valt het om zulke mensen van hun gevaar te overtuigen! Zij kunnen niet anders dan geloven of deze verrotte en vuile lompen kunnen hen uit de gevangenis helpen. Zij kunnen er maar niet van overtuigd worden, dat hun toestand even kwaad is als ze die van anderen wel afschilderen. Christus zegt hen, dat zij blind zijn, maar zij lijken op Seneca’s maagd die blind geboren was. Maar zelf wilde zij dat niet geloven. ‘Het huis is donker’, zegt zij, ‘maar ik ben niet blind’. Christus zegt hen dat zij naakt zijn, en biedt hun Zijn witte klederen tot bedekking aan, maar zij denken er anders over, en omdat zij blind zijn, kunnen ze niet eens zien, dat ze naakt zijn. Hoevelen gingen er verloren, omdat zij hun eigen zaligmaker wilden zijn! Och, dat dit de opgeblazen zondaar eens uit hemzelf drijven mocht! Want nooit komt iemand tot zichzelf, tenzij hij eerst buiten zichzelf gaat, en niemand kan naar buiten komen, indien niet eerst Christus binnenkomt.

7.       Voor u gelezen: Geen ongenoegen (ds. R. van de Kamp, Putten): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 8 juni 2018 onder de berichten van de Hersteld Hervormde gemeente van Putten

Even voor de slag van Trafalgar, waarin de grote Engelse admiraal Nelson het leven liet, was deze bezig zijn officieren de laatste instructies te geven. Toen hij admiraal Collingwood vroeg waar zijn kapitein was, antwoordde deze: ‘Dat weet ik niet; ik leef in ongenoegen met hem’. ‘Met elkaar in ongenoegen?’ zei Nelson, zacht verwijtend. Daarna zond hij een boot uit, om kapitein Rotherham te laten halen. Zodra deze was aangekomen, leidde Nelson hem persoonlijk naar Collingwood. Hij legde hun handen in elkaar, wees naar de vijandelijke troepen, en hen één voor één in de ogen ziende, zei hij: ‘Zie ginds, daar is de vijand! Maar u moet vrienden zijn!’ Het was voldoende. De beide officieren vergaten hun ongenoegen en streden zij aan zij tot de overwinning hun deel was.

Misschien ook een eenvoudig voorbeeld voor het kerkelijk leven, terwijl de vijand in zicht is?

8.       Een dominee als baby (ds. W.J. op ’t Hof, Gameren): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 1 juni 2018 onder de berichten van de Hervormde gemeente van Driedorp

Hilarisch moment

Een predikant maakt in zijn ambtelijke werk van alles mee. Blijde dingen zoals geboorten, trouwerijen en huwelijksjubilea. Maar ook droeve zaken, zoals ziekten, echtscheidingen en begrafenissen. Meestentijds verlopen de gebeurtenissen gewoon, maar een enkele keer vindt er iets bijzonders plaats. Het gebeurt niet vaak, maar soms is er een hilarisch moment. Dit laatste overkwam mij op het laatste kraambezoek dat ik samen met mijn levensgezellin aflegde. In het begin van het bezoek had de kraamheer de boreling een flesje gegeven. Hij zat toen dicht bij mij in de buurt. Tegen het einde van het bezoek gaf de kleine, die in de armen van zijn moeder lag, te kennen dat hij wel meer lustte. De vader goot wat warme melk in het flesje. In plaats dat hij naar zijn vrouw liep, kwam hij met het flesje mijn richting uit. Hij verkeerde kennelijk in de veronderstelling dat de kleine bij mij lag. Toen hij zich omdraaide met het flesje in de hand, bemerkte hij zijn vergissing en zei: ‘Oh nee, hier moet ik niet zijn’. Waarop een ander inhaakte met: ‘Wil je de dominee de fles geven?’

Les

Er werd even om gelachen en vervolgens ging het gesprek verder. Achteraf heb ik daarover nagedacht. Iedereen vond het komisch dat de dominee de fles zou krijgen. Maar zit er niet een diepe les in? Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien. Wil een mens echt mens voor de Heere worden, dan zal hij moeten worden als een baby. Wanneer dit al geldt voor ‘gewone’ gelovigen, hoeveel te meer zal het zuigelingenbestaan gekend moeten worden door allen die door de Heere tot het wondere ambt zijn geroepen. Een predikant is dan op zijn best als hij totaal afhankelijk van de Heere leeft, als hij niet zelf kan lopen maar als hij door de Heere wordt gedragen, als hij zijn spijze en drank niet zelf kan bereiden en zichzelf kan toedienen, maar als zijn honger gestild en zijn dorst gelest mag worden door de toepassende bediening des Geestes, Die het uit de heilsfontein Christus neemt om het baby’s te geven. Dominees zijn snel geneigd tot klagen. Ze hebben een moeilijke gemeente of een kerkenraad die dwars voor de kar is. Zij doen hun best, maar het wordt niet gewaardeerd. Zij zien weinig of geen vrucht op hun prediking en verdere ambtelijke bediening. De Heere laat hen maar tobben. In die huiskamer zag ik het terwijl iedereen lachte als in een flits.

Als een dominee nu te groot is om een baby te zijn en zijn mond te openen, dan zal de Heere die mond niet vervullen.

Als een dominee het echter niet meer zelf kan en het van de Heere alleen leert verwachten, dan zal Hij niet beschamen de hoop van een baby.

Als een dominee nu maar zo klein als een boreling mag worden, dan zal hij het ondervinden dat de Heere hem alles wil schenken wat hij behoeft.

Waren dominees maar baby’s!

Waren voorgangers maar borelingen!

Waren oefenaars maar zuigelingen!

Was ik het maar!

Beleving

Toen ik het bovenstaande ter overdenking kreeg, wist ik nog niet wat mij te wachten stond. Ik eindigde de vorige paragraaf met: ‘Was ik het maar!’

Was ik maar een baby. Een mens kan wel eens wat overdenken en schrijven, maar als het echt beleefd gaat worden, is het nog anders. Ik moet dat nu in lichamelijk opzicht meemaken. En ik kan de lezer verzekeren: dat valt niet mee.

Het naarste gevolg van de prostaatoperatie die ik heb ondergaan, is de incontinentie. Een baby heeft geen controle over zijn urine en laat het in een luier lopen. Als hij echter groot wordt, kan hij netjes op het potje plassen. Als je zelf kunt plassen, ben je geen baby meer, dan ben je groot. Grote jongen….

Maar als je al vele tientallen jaren een grote jongen geweest bent en je moet dan als volwassene met een luierbroek aan gaan lopen, dan vreet dat aan je. Iedere keer als je opstaat en gaat zitten, ja zelfs al beweeg je je maar, dan voel je het lopen. Het laatste stukje eigenwaarde dat een mens nog heeft als hij zeventig is, raakt hij op die manier radicaal kwijt. Je voelt je zo beroerd. Je kunt niet meer doen wat je altijd hebt gedaan. Als je aan je gevoelens toe zou geven, ga je de deur niet meer uit, ga je niet meer naar verjaardagen en bezoek je geen vergaderingen meer. Dan bedank je voor alle besturen waar je in zit. Want je voelt je geen mens meer. Incontinentie is een mensonterende zaak. Je bent vaak vies van jezelf. Zelf had ik daar nooit zo bij stilgestaan, maar nu ik het zelf heb, kan ik mij voorstellen dat mensen daar depressief van worden en dat ze zich maatschappelijk en sociaal gaan isoleren. Je voelt je zo hulpeloos en je schaamt je voor anderen.

‘Was ik het maar!’

Nu ik het zelf lichamelijk beleef, moet ik schrijven: beleven is nog niets anders dan overdenken. En als dat voor het lichamelijke geldt, hoe zal het dan voor het geestelijke zijn?

Zich bevuilen

In mijn ambtelijke bestaan heb ik er in Doopdiensten wel eens tijdens de toespraak tot de ouders op gewezen dat de dopelingen twee dingen doen: zich bevuilen en huilen. Als moeder de baby een schone luier om heeft gedaan, bevuilt de baby zich na korter of langer tijd. Soms is het al na tien minuten. Als moeder heb je dan het gevoel dat je bezig blijft. ‘Houdt het dan nooit op? Ik zal de dag prijzen dat hij zindelijk wordt’.

Als de Heere ons door Zijn Geest zaligmakend overtuigd van zonden, gaan wij een hartelijke smart over de zonden krijgen. Wij gaan iets voelen van wat wij de Heere aangedaan hebben en nog steeds aandoen. Tevens worden al onze gerechtigheden een wegwerpelijk kleed. Immers alles wat niet uit het geloof is, dat is zonde. Wat is dan geen zonde? Wat is dan geen vuil? Na ontvangen genade wordt het vuil van de zonde nog smartelijker gevoeld.

Iedere keer dat ik mijzelf bedoel, is drek voor de Heere.

Iedere keer dat ik mij door de wereld tot Gode onwelgevallige zaken laat verleiden, stink ik in de heilige neusgaten des Heeren.

Iedere keer als ik toegeef aan mijn verkeerde lusten en begeerten bevuil ik mij.

Het moderne christendom laat het vuil van de zonde achter. ‘Vroeger was ik verkeerd en deed ik verkeerd. Maar ik ben bekeerd en nu is het zo anders. Ik heb God lief en ik leef naar Zijn wil’. Vergeleken met zulke geweldige christenen ben ik maar een tobberd. Hoe meer genade ik van de Heere ontvang, des te groter worden mijn kleinste afwijkingen en zonden. Het licht openbaart de duisternis. Houdt het zich bevuilen dan nooit op? Nee, in deze bedeling nooit!

Huilen

Nu hoeft de blijvende zondeninleving op zichzelf niet tot de zaligmakende genade  te behoren. Maar als die net als bij een baby gepaard gaat met huilen, dan wel. Waarom huilt een baby? In feite wil hij met zijn gehuil zijn moeder roepen. Als moeder maar komt, is het goed. Soms houdt een baby reeds met huilen op wanneer hij hoort dat moeder eraan komt. Dan hoeft zij hem nog niet eens opgepakt te hebben. De door de Heere gewerkte inleving van het zich bevuilen is door Hem bedoeld om ons om Hem verlegen te maken, om te roepen tot Hem, om Hem niet meer los te laten tenzij Hij ons zegent. In het Evangelie komt God Zich in Christus zo liefelijk, ontfermend, genadig en barmhartig voor te stellen, dat een zich bevuilende ziel weet tot Wie Hij om genade en ontferming moet roepen. Zo’n mens probeert zich dan niet meer zelf te verschonen. Hij mag dan als een onwaardige in zichzelf zien hoe de Heere in Christus Zich vertoont als Degene Die Zich niet schaamt om de God van zo’n volk genaamd te worden. Dat trekt aan om zich aan Zijn voeten neer te werpen met de bede: Ontferm U mijner. Gij die niet vreemd zijt aan de inleving van uw zonden, mag u ook huilen? Huilen tot God om God? Huilen tot Christus om Christus? Het geeft niet als u van uw kant niets meer kunt bekijken. De Heere ziet in Zijn Zoon om naar zulken. Het geeft niet als u alleen maar tranen kunt plengen, Christus heeft voor dezulken Zijn bloed geplengd tot een volkomen afwassing van al het vuil der ongerechtigheden. Huil maar tot Hem om Hem. Hij heeft het Zelf beloofd: Die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen. Gelooft het toch: voor zulken valt het bij Hem altijd mee. En waarom? Omdat het voor Hem als Borg, Middelaar en Plaatsvervanger van zulken niet is meegevallen toen Hij hing aan het kruis en het uitriep: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?

Moederlijke God

Misschien zullen enige lezers van dit kopje schrikken en zich afvragen of ik ook al de feministische theologie ben toegedaan. Die theologie wil God niet als een man zien, maar als een vrouw. Wel, ik kan die lezers geruststellen: ik ben wel eens afgedwaald, maar zo ver toch niet. En voor zover ik mijzelf ken, zal ik ook nooit zo ver komen. Wie God als vrouw ziet, formeert van Hem een eigen beeld. En de Schrift verbiedt ons vierkant om een beeld van God te maken. Dus als het om de feministische theologie gaat moeten wij het voorbeeld van onze voorvaderen in de Tachtigjarige Oorlog volgen en beeldenstormers worden. Weg met de feministische theologie.

Iets anders is het dat de Heilige Schrift ons leert dat God barmhartig is. Het Hebreeuwse woord daarvoor gaat terug op een woord dat moederschoot betekent. Dus God heeft als Man een moederschoot. Die het vat, die vatte het! De Heere is zo barmhartig, ontfermend, zorgzaam en liefdevol als een moeder. In Jesaja 66 : 13 spreekt de Heere dan ook Zelf: Als één dien zijn moeder troost, alzo zal Ik u troosten.

Ik heb mij altijd verwonderd over moeders met baby’s. De ene moeder springt al uit haar stoel als ze één kreetje hoort uit de mond van haar kleine. Meestal zijn dat moeders die nog maar één baby hebben. Een andere moeder weet haar ongeduld te bedwingen en blijft nog even zitten. Maar dan zie je aan haar houding dat ze met haar gedachten bij haar kleine zit. Wat zal hij mankeren? Na wat verzitten staat ook zij op om zich over haar lieveling te ontfermen. Doorgewinterde moeders kunnen het gehuil van hun jongste soms langer aanhoren, maar er breekt ook voor hen een moment aan dat ze het niet meer houden kunnen. ‘Ik zal toch maar eens gaan kijken’.

En de Heere? Die komt al voordat een ziel tot Hem schreit: Eer zij roepen, zal Ik antwoorden. O, gij allen die de inleving van de zondenbevuiling kent, gelooft toch dat de Heere uit en van Zichzelf barmhartig is. U hoeft Hem niet tot barmhartigheid te bewegen. Dat moet met mensen. Maar de Heere is bewogen vanuit Zichzelf. Hij is als een echte moeder, ja meer dan dat, want in Jesaja 49 : 15 getuigt Hij van Zichzelf: Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontferme over den zoon haars buiks? Ofschoon deze vergate, zo zal Ik toch u niet vergeten!’

Zo’n moeder is de Heere in Christus.

Slotsom

Schoon ‘k arm ben en ellendig,

Denkt God aan mij bestendig.

Gij zijt mijn Hulp, mijn Kracht,

Mijn Redder, o mijn God,

Bestierder van mijn lot,

Vertoef niet, hoor mijn klacht.

Vroeger zeiden de ouden: ‘Als de Heere genade schenkt, maakt Hij klein, en als Hij nog meer genade schenkt, houdt Hij klein’. De Heere vergunne ons allen dat te mogen beleven. Dan is onze eer weg, maar dan krijgt Hij alle eer die Hij zo waard is eeuwig te ontvangen.

9.       Een evangelische refo!? (5; ds. A.C. Uitslag, Urk): ontvangen van een lezer met als bron ‘Bewaar het Pand’; orgaan binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken

hoe de evangelische invloed de “refo” verandert

Op de tafel van de kerkenraad …
Eén van de broeders had, zoals elk jaar gebruikelijk is, de JV bezocht. Een betrokken groep jongelui kwam om de twee weken samen onder leiding van een enthousiaste broeder. De jeugd kwam trouw. Het was die avond gegaan over de bekering. De discussie spitste zich toe op de vraag van wie de bekering uitging: van God of van de mens. De JV-leider probeerde vanuit Gods Woord duidelijk te maken, dat de waarachtige bekering een werk van God is. De jongelui gingen echter daarin niet met hem mee. Ze hielden vol, dat een mens zelf de eerste stap moest zetten. De kerkenraad begreep wel, dat het jeugdwerk nog veel aandacht nodig heeft

Door de invloed van de evangelische beweging dreigt ook onder ons het gevaar van een remonstrants geluid in een reformatorisch jasje! De volle nadruk valt op de persoonlijke geloofskeuze van de mens, terwijl de aandacht voor het geloof als een gave van God naar de achtergrond verdwijnt. Jij moet Jezus aannemen. Jij moet je hart openstellen voor Hem. Het is de taal, die je ook hoort bij onder andere HeartCry, JijDaar of andere jongerenavonden!

Vanuit een oprechte bewogenheid met jongeren worden deze avonden belegd. Er heerst een verlangen dat de jongeren mogen komen tot het geloof in de Heere Jezus. Het zorgt ook voor een warme en aanstekelijke sfeer. Na afloop ontmoeten de jongeren elkaar en spreken ze met elkaar de avond nog eens door. Enerzijds kan dat iets moois lijken, als jongeren samen komen rondom Gods Woord en met elkaar delen wat dit Woord met hen doet.

Maar anderzijds worden op deze avonden ook de noties gemist dat een mens van zichzelf niet wil komen en niet kan komen. Er is ook geen oog voor een beschroomde ziel, die het zichzelf niet kan en durft toe-eigenen. Bijna op bevel worden de jongeren gedwongen hun hart aan Jezus te geven. Er is ook geen begrip voor de worstelingen en de strijd die op dit punt gevoerd kunnen worden.

Ooit sprak ik een meisje, dat hier was geweest. Ze worstelde echt met zielenvragen. Ze wist, dat er in haar leven een wonder moest gebeuren. Ze had geleerd, dat ze deel moest krijgen aan Christus en Zijn gerechtigheid. Ze kon echter uit haarzelf niet tot Christus komen. Ze was met een vriendin meegegaan naar zo’n jongerenavond. Daar was ze in gesprek gekomen met één van de organisatoren. Ontdaan was ze thuisgekomen. Voor de prediking in haar eigen gemeente had die man geen goed woord over gehad. Alles was afgekraakt. Over haar schroom en schuchterheid werd heen gewalst. Ze moest gewoon geloven, wat er in de Bijbel staat. Als ze dat niet deed, moest ze het zelf maar weten met haar ongeloof. Verward en geknakt zat ze de volgende dag in haar eigen gemeente.

Je merkt, dat op zulke avonden de drang om te geloven iets dwangmatigs krijgt. Als jongere moet je stevig in je schoenen staan om niet meegezogen te worden. Als velen naar voren komen om hun hart aan Jezus te geven dan kan zo’n jongere maar snel het gevoel krijgen, dat hij ook maar naar voren moet komen. Er wordt immers naar je gekeken, als jij niet naar voren komt. Dan lijkt het net, alsof het jou allemaal niet interesseert. Dat wil je ook weer niet en daarom doe je maar mee, al voelt het misschien niet goed. Dikwijls blijken deze avonden echter de brug te vormen van de reformatorische wereld naar het evangelische gedachtengoed.

Vele jongeren komen er en nemen het gehoorde mee naar hun eigen gemeente. De nadruk op ervaring en gevoel is bovendien erg groot. Het geloof moet vooral worden beleefd en ervaren. Dat willen ze ook in de eigen gemeente.  Het leidt dan tot een pleidooi om tijdens een belijdenisdienst door de jongeren zelf een getuigenis te laten afleggen, samen te zingen, geknield te liggen en de handen opgelegd te krijgen. Hierin wordt een ontwikkeling waargenomen, waarin de mens met zijn ervaringen en gevoelens steeds centraler komt te staan. Een ontwikkeling, waar we voorzichtig mee moeten zijn en die niet gevoed mag worden. Laten we wat dat betreft in de prediking ook voorzichtig zijn met het inspelen op emoties en gevoelens. Het hart zit dieper dan het gevoel! Het gevoel is snel geraakt, maar het hart moet veranderd worden!

Het is helaas dikwijls ook de praktijk gebleken, dat als een volgende stap gekozen wordt voor de geloofsdoop, waarin hun persoonlijke geloofskeuze wordt bevestigd. Alhoewel het niet de opzet zal zijn van deze jongerenavonden blijken ze wel vaak de aanzet te zijn, waardoor men zich gaat afzetten tegen de eigen gemeente en prediking. Wat dat betreft zou het geen kwaad kunnen, als ook voor de eigen kring jongerenavonden worden belegd. Avonden, waar ze met een gerust hart kunnen komen en die niet in strijd zijn met hetgeen ze zondags horen in de kerk. Avonden, waarin ook het voorrecht en de waarde van de kinderdoop wordt uitgelegd. Want de geloofsdoop blijft velen bezighouden en aantrekken.

Over die geloofsdoop trouwens een volgende keer meer in een afzonderlijk artikel daarover.