Kerknieuws
Gereformeerde Gezindte
Openingspagina
Boekbespreking
Foto's
Persoonlijk
Kerkbodes
Spreuk van de week
Overig
Ware gebeurtenissen
Kerkelijk leven
Jongerenrubriek
Muzikale pagina + agenda
Columns
Links
Uw aandacht voor:
Veluwse Kerkbode
De Vijgeboom
Kerknieuws Gereformeerde Gemeenten
Veluwse Kerkbode

 

1.      De onbegrensde macht van Christus (ds. D. Zoet, Ouddorp): gelezen in de Zomergids 2014 van de Hersteld Hervormde gemeente van Ouddorp. 3

Zo kort voor de vakantie beginnen enkele artikelen die gaan over grenzen. Ja, dan kunnen denken aan letterlijke grenzen, dat we de grens van het ene naar het andere land overgaan om op onze bestemming te komen. Zult u/zul jij niet vergeten dat, al bent u honderden kilometers of meer van uw woonplaats verwijderd en hoeft u niet bang te zijn iemand uit uw kerkelijke gemeenschap of dorpsgemeenschap tegen te komen (zodat u de grenzen wat kunt oprekken), de macht van Christus is onbegrensd en Zijn ogen zien ons altijd! Ds. D. Zoet mediteert over deze macht zoals Hij dit aan Zijn discipelen kort voor Zijn heengaan meegaf!

2.      Trekken we de grens niet te eng? (gelezen in de Zomergids 2014 van de Hersteld Hervormde gemeente van Ouddorp). 4

Een artikel uit vroeger jaren wat echter nog steeds actueel is, ook in de Zomer van 2017. Leest u maar mee!

3.      Afscheidsreceptie ds. R. van Kooten (ds. J.W. van Estrik, Goedereede): gelezen in ‘Onder de vijgeboom’ van 28 juni 2017 onder de berichten van de Hersteld Hervormde gemeente van Goedereede. 5

Naast deze artikelen ook actuele kerkelijke artikelen, al is het vanwege de hoeveelheid kopij dat er enkele vervolgartikelen blijven liggen tot volgende week D.V. Eerst een terugblik van ds. van Estrik op de afscheidsreceptie van ds. R. van Kooten

4.      Tijd (ds. J.W. van Estrik, Goedereede): gelezen in ‘Onder de vijgeboom’ van 28 juni 2017 onder de berichten van de Hersteld Hervormde gemeente van Goedereede. 6

Waarna ds. van Estrik ook nog in een apart artikel mijmert over de tijd. Eens was ook ds. van Kooten een 'jong' predikant, maar nu als 'uitgediende' nog dienstbaar! Zo gaat het met elke voorganger/mens. We zijn maar voorbijgaande mensen. Maar Gods Woord blijft eeuwig!

5.      Eenzaamheid (ds. C.J. Meeuse, Goes): gelezen in Kerkelijk Nieuws Gereformeerde Gemeenten, classis Tholen, van 30 juni 2017. 7

Zeker nu de vakantietijd weer aanbreekt komt het verschijnsel eenzaamheid weer meer 'in beeld'. Denkt u ook aan de achterblijvenden? Maar niet alleen in deze tijd, daar schrijft ds. Meeuse ook verder over! Hoe is het in onze gemeenten rondom de zorg voor elkaar?

6.      Oud en toch nieuw (kerkenraad Wapenveld/Wezep): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 30 juni 2017 onder de berichten van de Hersteld Hervormde gemeente van Wapenveld/Wezep. 8

Ook in deze editie van Kerknieuws weer uitspraken van oude en nieuwe schrijvers. U bent het gewend om dit wekelijks van mij te ontvangen, maar nu dus dubbele citaten. Al zal in het voorwoord deze keer weer een gedicht worden doorgegeven omdat het de eerste keer is van een nieuwe maand dat Kerknieuws verspreid wordt.

7.      De Schuilplaats des Allerhoogsten (ds. W.J. op ’t Hof, Gameren): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 30 juni 2017 onder de berichten van de Hervormde gemeente van Driedorp... 9

Ds. op 't Hof mediteerde n.a.v. een rouwdienst over deze woorden uit Psalm 91. Ze spraken me zo aan dat ik ze, los van de context, ook aan u/jou doorgeef

8.      Orde van dienst (ds. W.J. op ’t Hof, Gameren): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 30 juni 2017 onder de berichten van de Hervormde gemeente van Driedorp. 10

Vervolgens schrijft ds. op 't Hof over de orde van dienst. Specifiek wel voor Driedorp bestemd, maar ik denk dat alle voorgangers er hun 'winst' mee kunnen doen!

9.      Een halve eeuw geleden (ds. J.T. Doornenbal): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 30 juni 2017 onder de algemene berichten. 11

Naast ernstvolle bijdragen ook weer een wat 'luchtige' bijdrage (wat echter anders is dan een lichte bijdrage! Vol ernst, maar ook doorspekt van de nodige humor, schreef ds. Doornenbal een halve eeuw geleden menig kerkbodeartikel. Ook deze keer n.a.v. een bezoek aan enkele gemeenten!

10.    Wie dorst heeft…. gelezen in de Veluwse Kerkbode van 30 juni 2017 onder de algemene berichten   13

U/jij heeft vast dit verhaal al eens gehoord of gelezen, maar het blijft altijd ontroerend mooi en waar: Worden als een kind! De dominee zegt het toch?....Lees maar waar het over gaat!

11.    Schokkend boek dr. Van den Brink (ds. M.C. Schreur, Harskamp): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 30 juni 2017 onder de berichten van de Hervormde Gemeente (PKN) van Harskamp. 14

Ds. M.C. Schreur gaat in op het onlangs verschenen boek van dr. G(ijsbert) van den Brink wat terecht schokkend genoemd mag worden

12.    De dood de baas (ds. M.A. Kempeneers, Katwijk aan Zee): gelezen in ‘Bewaar het Pand’; orgaan binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken, van 18 oktober 2016. 16

Ds. M.A. Kempeneers vervolgt de serie voor onze jeugd n.a.v. de geschiedenis van Jozef

13.    Zielzorg rond Avondmaal (ds. N. Noorlander, Onstwedde): gelezen in ‘de Waarheidsvriend’; orgaan van de Gereformeerde Bond binnen de PKN, van 27 november 2015. 17

We vervolgen de serie over hervormd-gereformeerde voorgangers die in het verleden hun eigen plaats mochten innemen. Nu schreef ds. N. Noorlander over wijlen ds. Joh. Verwelius

14.    Psalm 149 (ds. G.J. Jansen): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 9 juni 2017 onder de berichten van de Hervormde gemeente (PKN) van Voorthuizen. 18

We besluiten de serie rondom de Psalmen met de beide laatste Psalmen uit ons Psalmboek. Of is dit toch niet de laatste bijdrage?

15.    Catechisantenvragen (12; ds. W. Pieters, Garderen): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 16 juni 2017 onder de berichten van de Hersteld Hervormde gemeente van Garderen....... 19

Ds. W. Pieters gaat in op een vraag van een catechisant n.a.v. de woorden communiceren uit het Avondmaalsformulier


 

1.       De onbegrensde macht van Christus (ds. D. Zoet, Ouddorp): gelezen in de Zomergids 2014 van de Hersteld Hervormde gemeente van Ouddorp

En Jezus bij hen komende, sprak tot hen, zeggende: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde (Matth. 28 : 18)

In deze wereld zijn veel machtige mensen. Denk maar aan de vele wereldleiders, zoals de president van Amerika. Deze machthebbers hebben veel invloed. Maar geen van hen heeft de macht over de hele wereld. Niemand van hen kan zeggen alle macht te hebben.

Dat kan er maar Eén. En die Ene is aan het woord in de tekst van deze meditatie. Het is Christus!

Voordat Hij terugkeerde naar Zijn Vader in de hemel heeft Hij Zich nog één keer aan Zijn discipelen geopenbaard. Deze verschijning is aan de ene kant vol van troost voor Zijn kinderen, maar aan de andere kant vol van schrik voor Zijn vijanden. Het is bij deze gelegenheid dat de Heere Jezus een korte preek houdt. Hij begint die preek met de woorden: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde.

Mij is gegeven

Het gaat hier om de Koninklijke macht die  Hem als Middelaar, na Zijn volbracht werk, door Zijn Vader is gegeven. Het was het loon op Zijn Middelaarswerk. Dat loon heeft Christus verworven in de weg van Zijn lijden en sterven. In de weg van bloed en recht. Naar Zijn Godheid had Hij altijd al alle macht. De Zoon is immers God, bekleed met macht. Maar nu ontvangt Hij op grond van Zijn volkomen verlossingswerk alle macht als Middelaar. Zodat we mogen zeggen: de macht is aan Christus. Het komt Hem toe! Op een wettige wijze heeft Hij die macht gekregen. De Vader heeft alle dingen in Zijn doorboorde Middelaarshanden gelegd.

Alle macht

Alle macht. Zijn macht is dus onbegrensd. Zij omspant werkelijk alles! Er zijn geen grenzen aan Jezus’ macht. Het gebruikelijke woord voor macht betekent: autoriteit, bevoegdheid, volmacht, zeggenschap. Christus heeft dus alle gezag en vermogen, zo zeggen de kanttekeningen, om als Hoofd der gemeente deze over de hele wereld te vergaderen, te regeren en te beschermen. Wat heeft Gods Kerk een machtige Koning. Hij heeft het voor het zeggen. Diep heeft Hij Zich vernederd. Want hulpeloos lag Hij in de kribbe, in doeken gewonden. Hij had geen plaats op aarde om Zijn hoofd op neer te leggen. Als een schaap dat stom is voor het aangezicht van Zijn scheerders, deed Hij Zijn mond niet open. Hij stierf als de Man van smarten aan het kruis op Golgotha. Maar na Pasen klinkt Zijn Woord: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde.

In hemel

Christus heeft dus allereerst heerschappij over alle machten in de hemel. Daar zit Hij aan ’s Vaders rechterhand. De engelen die voor Gods troon zijn, staan onder Zijn bevel. Hij is in de hemel als het Hoofd van Zijn Kerk. Hij is daar de Pleitbezorger van arme schuldige zondaren. Met zijn voorbede pleit Hij ten gunste van al de Zijnen. Hij is hun Voorbidder, Die altijd leeft om voor hen te bidden. Twijfel daarom niet aan de grootheid van Christus.

En op aarde

De onbegrensde macht van Christus strekt zich echter ook uit over de aarde. Veel is daarvan nu nog verborgen. De apostel Paulus schrijft dan ook (Hebr. 2 : 8b): Doch wij zien nu nog niet, dat Hem alle dingen onderworpen zijn. We zien het nog niet. Maar het is wel ten volle waar! Christus heeft álle macht. Is dat geen grote troost? De duivel kan dan wel tekeer gaan. Maar de poorten van de hel zullen Zijn gemeente niet overweldigen. Niemand zal Zijn schapen uit Zijn hand rukken.

Christus oefent Zijn macht uit op aarde. Verkijk je maar niet op Hem!

Al wordt het op aarde steeds donkerder.

Al is er nog zoveel chaos en ellende, moeite en verdriet.

Al lijkt het wel dat het licht voorgoed wordt gedoofd.

Al is het leven één grote puinhoop.

Het ontneemt Hem Zijn macht niet.

Het loopt Hem nooit uit de hand.

Christus werkt namelijk door het onmogelijke heen en doet de heerlijkheid van Zijn Rijk komen. Dat doet Hij door Zijn Woord en Heilige Geest. Door de verkondiging van het Evangelie draagt Hij er zorg voor dat zondaren worden toegebracht. Zijn almacht stelt de prediking van Zijn Woord vruchtbaar.

Gaat dan heen, onderwijst al de volken….(vers 19).

In mijn hart

Door Zijn almachtige kracht maakt Hij geestelijk dode zondaren levend, verbreekt Hij de banden van de zonde. Harten van des Konings vijanden worden ingewonnen. Ja, harde, stenen harten worden verbroken. Het zalige buigen voor Christus wordt geboren. Het ontneemt ons genadig alle zeggenschap en maakt dat Hij het voor het zeggen krijgt. Wat geeft dat een rust en blijdschap. Want Hij is zo’n heerlijke Koning voor een machteloos en krachteloos volk in zichzelf. Hem is gegeven álle macht in hemel en op aarde.

Zalig ben je als je mag weten dat deze Koning ook uw en jouw Koning is geworden. Hoe dat ging? Daarvan zingen we: En onze Koning is van Isrels God gegéven (Psalm 89 : 8). Deze Koning stelt nooit teleur. Lezer(es), hebt u Zijn macht al ondervonden? Laat het toch niet bij uw sterven zijn, dat u voor het eerst uw onwillige nek moet buigen onder Hem. Want dan is het te laat. En dat voor eeuwig! Zoek nu….heden, al wat u ontbreekt aan de voeten van Koning Jezus. En weet: het hardste en het zwartste hart is voor Hem niet te hard en te zwart. Want Hij heeft een arm met macht en Zijn hand heeft groot vermogen. Hij heeft alle macht in hemel en op aarde!

2.       Trekken we de grens niet te eng? (gelezen in de Zomergids 2014 van de Hersteld Hervormde gemeente van Ouddorp)

Nadenkend over het thema ‘Grenzen’ vonden we onlangs een artikel in de 71e jaargang (1970) van het destijds veel gelezen Gereformeerd Weekblad van de hand van wijlen ds. A. Vroegindeweij. Wat mij betreft is dat ook in 2014 (2017) nog van toepassing. Daarom nemen we dit artikel in zijn geheel hier over.

Rond de jaarwisseling ontmoetten we iemand die enkele weken met verlof in Nederland was na verschillende jaren in het buitenland gewoond en gewerkt te hebben. Hij is afkomstig uit hervormd-gereformeerde kring en over het algemeen heeft hij in deze weken ook gekerkt bij predikanten die tot deze sector behoren. Hij is daar dankbaar voor geweest, want hij heeft deze prediking nog lief en over het algemeen kan hij die niet horen in het land waar hij woont. Daarom kwam hij mij persoonlijk ook nog even begroeten om mij te zeggen dat hij met zegen de prediking had mogen beluisteren. Maar hij wilde me toch een vraag stellen naar aanleiding van gesprekken die hij gevoerd had met familieleden. Hij was van mening dat die over het algemeen de grens te eng trokken. Hij had het allemaal wat ruimer leren zien in het buitenland. En hij was ook ontgroeid aan verschillende godsdienstige vormen die men hier nog handhaafde en die hij daar helemaal niet kende.

Wanneer zoiets van bevriende zijde wordt gezegd moeten we vanzelfsprekend onszelf onderzoeken en vragen of deze man daarin gelijk heeft dat wij de grenzen te eng trekken. Zouden we ons niet wat ruimen kunnen opstellen? Zouden we verschillende ‘schibbolets’, zoals hij ze noemde, niet kunnen laten varen?

Nu kunnen we ons voorstellen, dat er in het kerkelijk en godsdienstig leven bepaalde ‘versteende vormen’ kunnen zijn, die eigenlijk geen wezenlijke betekenis meer hebben. Die dan vroeger wel op een levende wijze hebben gefunctioneerd, maar die nu eigenlijk niets meer betekenen, maar die men alleen aanhoudt omdat dit nu eenmaal oude gewoonten zijn. Vanzelfsprekend zouden dergelijke ‘versteende vormen’ zonder bezwaar over boord gezet kunnen worden. Misschien komen ze hier en daar onder de hervormd-gereformeerden nog wel voor. En wanneer ze een ander zouden hinderen in het komen tot de Heere Jezus, dan zou er in dit geval sprake kunnen zijn van te enge grenzen die getrokken kunnen worden. Zo hadden de schriftgeleerden en de farizeeën immers ook allerlei voorschriften en regels, die een verhindering waren om door te dringen tot de eigenlijke boodschap van de Bijbel. De Heere Jezus heeft daartegen gewaarschuwd. En we moeten naar Zijn waarschuwing luisteren. Hij zei er nog bij dat men een ander lasten oplegde te zwaar om te dragen, terwijl men die zelf met geen vinger aanraakte. Maar aan de andere kant zouden we er toch op willen wijzen dat geestelijk gezien de Heere Zelf de grenzen trekt die we niet mogen overschrijven, willen we geen grote schade lijden aan ons eigen geestelijk leven.

We moeten maar niet al te snel zijn met het over boord zetten van die vormen van kerkelijk leven, waarin onze gereformeerde vaderen zich goed thuis hebben gevoeld en waarin de Heilige Geest op een bijzondere manier heeft gewerkt. De levenswijze van de hervormd-gereformeerden, die willen leven naar het Woord van God, wordt menigmaal als eng betiteld. Ook onder kerkgangers zijn er zeker te vinden die de grenzen veel ruimer willen trekken. Maar wanneer we letten op de grote geestelijke gevaren die daaraan verbonden zijn, kunnen we ons beter aan bepaalde regels en grenzen houden dan die zonder noodzaak te overschrijden.

In onze tijd worden door velen verschillende oude vormen en regels losgelaten. Maar het zijn niet alleen die oude vormen, maar ook de inhoud van het Woord van God die men daarbij los laat. Dat moet ons al tot voorzichtigheid manen. In deze geest hebben we gesproken met onze buitenlandse vriend. En hij kon ons wel begrijpen. Want wat hij in zijn omgeving zag van de kerk en het geestelijk leven – bij alle ruimheid van opvattingen die hij daarbij aantrof – was nu niet om daar zo bijzonder op te roemen. Overigens hebben we ons hart en ons leven wel te onderzoeken of we misschien alleen nog maar bepaalde vormen hebben en het wezen van het geloof en het echte geestelijke leven missen? Want om dat wezen van het geloof en dat echte geestelijke leven gaat het.

3.       Afscheidsreceptie ds. R. van Kooten (ds. J.W. van Estrik, Goedereede): gelezen in ‘Onder de vijgeboom’ van 28 juni 2017 onder de berichten van de Hersteld Hervormde gemeente van Goedereede

De kerkenraad ontving een uitnodiging en ook ik persoonlijk voor het afscheid en de afscheidsreceptie van ds. R. van Kooten. Hij is met emeritaat gegaan. Zaterdag jongstleden was aan de Jachtlaan in Apeldoorn in het nieuwe onderkomen van de gemeente het afscheid. De ontvangst was om 14.30 uur en vanaf 15.00 uur waren er enkele sprekers. Het werd uiteindelijk een ‘luistermiddag’ tot half vijf, toen was er nog iets te drinken met een snack om de thuisreis vervolgens te maken. We hebben professor J. Hoek, de zwager van de scheidende predikant, gehoord. Hij vertelde het één en ander en als studerende jongeling deed ds. van Kooten pastoraal werk in Goedereede en bij het zien van de Goereese toren zei hij tegen zijn zwager: ‘Kijk, daar ligt het beloofde land!’

Zwagerlief merkte toen snedig op: ‘Ja, wanneer de Heere het wil en zendt’. We kennen de afloop en we weten hoe de geschiedenis is gegaan.

Professor W. van Vlastuin hield ook een speech en hij tekende ds. van Kooten als degene die bij hem was binnengevallen ‘met een telefoontje’ om hem te complimenteren over een artikel met een antwoord op de vraag ‘Voor wie zijn de beloften?’

Met het zingen van liederen door jongeren werd één en ander opgeluisterd. Kinderen en kleinkinderen brachten ‘aardigheden’ al vertellend naar voren, zij gaven een kijkje binnenshuis waar de dominee werkte, hij ging en kwam terug.

Van ‘Jij daar’ was de heer Koos de Jong aanwezig en toen hem een vingertje geboden werd om iets te zeggen greep hij het met beide handen aan om te vragen: ‘Kent u, ken jij Jezus?’

Met een dankwoord van de jeugd en het overhandigen van een geschenk (een overkapping in de tuin) naderde het einde, het slot was het zingen van Psalm 68 : 10 en een dankwoord van ds. R. van Kooten. Onze oud-predikant en collega is samen met zijn vrouw Gods heil en zegen toe te bidden, op het laatste stukje van het leven wandele de Heere Jezus Christus trouw mee!

Het is trouw al wat Hij ooit heeft bevolen en gesproken.

4.       Tijd (ds. J.W. van Estrik, Goedereede): gelezen in ‘Onder de vijgeboom’ van 28 juni 2017 onder de berichten van de Hersteld Hervormde gemeente van Goedereede

Wat is tijd een ontzettend betrekkelijk begrip. Tijd begint en tijd eindigt, tijd tikt weg. Je bent jong en zo ben je oud. Je ziet een heel leven voor je en zo denk je er aan dat het leven nog wel erg kort is. Tijd is maar even en het leven-van-even is genade. Genade wil goed worden gebruikt, optimaal besteed. Koopt de tijd uit, beveelt de apostel. Wanneer je een afscheidsreceptie bijwoont ervaar je hoe uiterst gering en hoe enorm beperkt onze levenstijd is. De jongste dominee is ook oud geworden en hij moet ook sterven. Ook ik was eens jong, ook ik rende eens als een haas en was vliegensvlug. Dat is voorbij en dat gaat meer en meer voorbij. Soms worstel je met de vraag: Hoe lang nog? Ruim twintig jaren in één gemeente kunnen je aanvliegen, zwaar drukken. Je moet soms om jezelf lachen en soms om jezelf huilen. Het stelt alles maar weinig voor. Het gaat om alles en dat is Hij. Ik kan ertegenop zien tot mijn 67ste te moeten voortgaan, ik kan denken dat ik dat niet eens haal. Ik kan tobben dat 25 jaar in één en dezelfde gemeente wel erg lang is en dan weer ervaren dat het goed is en het Woord altijd nieuw blijft. Het bestaat dat je aan de Heere vraagt of het goed is dat je uiterlijk eind volgend jaar afscheid neemt, hetzij door in het leven je te verplaatsen, hetzij door de dood te worden Thuisgehaald, maar je krijgt Hem ten antwoord daarin niet mee. Het bestaat dat je zingend tot je pensioen wil zaaien en nat maken, dat je het hier wil doen, maar ook op een andere wijze overal wil doen, en je merkt dat je je maar moeilijk schikt in de weg die Hij geeft en wijst.

Wat is de mens? IJdelheid. Een zucht. Sterfelijk. In zichzelf een dwaas. Iemand van gisteren die het niet weet.

Wat is de mens? Een nietig mensenkind is zooooooooo hoog, zoooooooo groot….- kijk en dan springe de tranen je in de ogen, dan ga je stil huilen, dan zak je van je stoel op je knieën, dan draai je je gezicht naar de wand om niemand te zien dan voor Hem te zijn – dat Hij Zijn eniggeboren Zoon voor zo’n uiterst klein, en in en in slecht mens gegeven heeft.

Het is zo’n enorm contrast, de tegenstelling kan niet groter….in eigen oog het aanzien niet waard maar toch zoooooveel waarde voor God dat Hij zoekt, opzoekt, redt van de dood. Wat is tijd beperkt, wat betekent tijd eigenlijk? Betrekkelijk, zeer betrekkelijk, ontzettend beperkt, uitermate onzeker. Maar wat is gekregen tijd als genadetijd VOL, BOORDEVOL, OVERVLOEDIG RIJK, KOSTBAAR wanneer God die vult met genade, met heil, met JEZUS, met vergeving, met leven, eeuwig leven.

We kunnen nog zeggen: waar is de tijd gebleven? Als het eeuwigheid is weet ieder persoonlijk of zijn of haar tijd tot DE VOLHEID GODS is gekomen.

Er zal geen tijd meer zijn….

Nu we nog werken en kerken, ons uitsloven en slapen, nu moeten we onze tijd niet doden. Neen, het is de welaangename tijd die God met het leven wil vullen. We doden onze tijd niet, in onze genadetijd met Christus gedood en met Hem leven….

5.       Eenzaamheid (ds. C.J. Meeuse, Goes): gelezen in Kerkelijk Nieuws Gereformeerde Gemeenten, classis Tholen, van 30 juni 2017

Bij een bezoek dat ik vroeger in het Holyziekenhuis in Vlaardingen bracht, begon een andere vrouw dan die ik bezocht op de zaal vreselijk te huilen. Ik schrok ervan en vroeg me af of ik iets verkeerds had gezegd; ik beloofde haar na mijn bezoek ook met haar te spreken. En wat bleek? Ze had niemand die haar bezocht. Ze kwam uit Brabant en woonde ergens in een flat, zonder enig sociaal netwerk. Ze had geen familie of vrienden en voelde zich alleen op de wereld. Vanzelf heb ik haar de weg gewezen naar de kerk en naar een gemeenschap waar ze goed mee zou kunnen zijn. Maar het probleem nam ik toch ook met me mee.

Want….ik kon het – zij het gelukkig in mindere mate – ook in het gemeenteleven wel tegen: eenzaamheid. En dat kunnen de ambtsdragers niet oplossen. Daar moet de familie iets doen aan de onderlinge liefdebanden.

Er is een groot verschil tussen de ene en de andere familie. Soms merk je weinig van een generatiekloof en zijn er heel fijne contacten, ook tussen grootouder en kleinkinderen. Vroeger leefde men samen in een woning; toen trokken kinderen vaak bij hun ouders in, zeker bij een boerenbedrijf. Het was in een tijd dat er nog geen bejaardenhuizen uitgevonden waren en een oude vader, die weduwnaar geworden was, of een oude moeder die weduwe was, kreeg gewoon een plaats in het gezin van de kinderen. Men noemde het nog geen mantelzorg, maar het had meer van het Bijbelwoord: ‘Maar zo enige weduwe kinderen heeft of kindskinderen, dat die leren eerst aan hun eigen huis godzaligheid te oefenen, en den voorouders wedervergelding te doen; want dat is goed en aangenaam voor God’ (1 Tim. 5 : 4).

Gelukkig zijn er nu nog families die, hoewel men meestal uit elkaar woont, toch de onderlinge banden stevig vasthouden. Maar toch…..

De ontwikkelingen in onze maatschappij hebben veel families uit elkaar getrokken. Daardoor rekken de bloedbanden, als ze al niet breken. Soms zwerven families uit elkaar, heel het land door, of zelfs naar het buitenland. Ik weet dat er, ook door een positief gebruik van de media, toch nog nauwe contacten kunnen worden onderhouden (ik zie het als mijn vrouw met de kinderen skypet), maar in veel gevallen groeit men ook geestelijk uit elkaar en mijdt men zelfs contacten.

Het zou zo niet moeten zijn, maar het is een weerkerend probleem bij veel ouderen. Als kinderen een andere koers zijn gaan varen en niet vermaand willen worden, of als ze overal druk mee zijn wat ver weg is, maar dichtbij geen contacten weten te onderhouden – je ziet het allemaal voor je ogen gebeuren. Vaak kom ik bij ouderen, vaak is het een weduwe, die bij navraag hun kinderen en kleinkinderen die ze bijna nooit zien, vergoelijken. ‘Ze hebben het zo druk’ is dan de veelgehoorde verontschuldiging. Maar ondertussen. Jongelui zitten soms uren hun media op een verkeerde manier te gebruiken en kennen bijna geen contacten meer dan met die zogenaamde ‘vrienden’ die geen vrienden zijn. En de oude oma wordt vergeten. Ze ziet haar kleinkinderen niet. Moeten kinderen hier geen bemiddelende rol spelen? Moeten ze het voorbeeld niet geven? Laat er toch in de familie een bezoekrooster gemaakt worden, waarin iedereen een plaats krijgt. Natuurlijk moet je kunnen ruilen, maar laat oma of opa toch regelmatig bezoek krijgen van alle kinderen en kleinkinderen. Ja inderdaad moeten we ‘de voorouderen wedervergelding’ doen. Het is de wil van God. Dan wil Hij het ook zegenen.

6.       Oud en toch nieuw (kerkenraad Wapenveld/Wezep): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 30 juni 2017 onder de berichten van de Hersteld Hervormde gemeente van Wapenveld/Wezep

Een vrouw: o God, laat me niet naar de hel gaan, waar de goddelozen zijn, want Heere, ik heb hier nooit van hun gezelschap gehouden.

Thomas Brooks: je moet meer denken aan de noodzakelijkheid van de plicht, dan aan de moeilijkheid van de plicht.

Thomas Brooks: zo vlug als God is om genade te bewijzen, zo traag is Hij om toorn te bewijzen.

Thomas Brooks: praat niet over een goed leven, maar laat je leven spreken.

Thomas Brooks: het christendom is niet het praten, maar het wandelen met God.

Thomas Brooks: het is beter alleen naar de hemel te gaan, dan naar de hel met gezelschap.

Thomas Brooks: de sterren die de kleinste cirkel hebben, zijn het dichtst bij de pool. En mensen die het minst verward zijn in wereldse zaken, zijn gewoonlijk het meest nabij God.

Thomas Brooks: de zonden doen me geen kwaad, als ze niet van me houden.

Jonathan Edwards: de Schrift spreekt over heilige blijdschap als een belangrijk deel van de ware godsdienst. Dat zien we in de tekst, 1 Petr. 1 : 8. En omdat het een wezenlijk onderdeel van de godsdienst is, wordt men er vaak met grote ernst toe vermaand en gedrongen. Ps. 37 : 4.

Jonathan Edwards: de psalmdichter noemt zijn heilige blijdschap als een bewijs van zijn oprechtheid.

Anoniem: als een ent net overgezet is, zitten de sappen van de oude boom er nog in.

De Engelse vaderen: een niet toegepaste Christus is geen Christus.

William Romaine: het is een vaststaand, maar droevig feit, dat er aan het Hooglied meer spot is verspild dan aan enig ander gedeelte van Gods Woord. En wij behoeven ons daar niet over te verwonderen. De duivel koestert een bijzondere wrok tegen die boek. Hij haat het onderwerp en hij haat het samengestelde geheel.

Anoniem: de ware kennis van goddelijke dingen is een hoge muur met een lage deur.

Thomas Brooks: de verzekering is het gevolg van het geloof. Daarom kan het geen geloof zijn. De oorzaak kan niet het gevolg zijn. En de wortel kan niet de vrucht zijn.

Thomas Brooks: de strijd van de heilige is van de wil tegen de wil, de strijd van de natuurlijke mens is van het geweten tegen de wil.

Thomas Brooks: de eerste wereld is vergaan door water vanwege de hitte van de lust, en het zal opnieuw verwoest worden door vuur vanwege de koelheid van de liefde.

Thomas Brooks: waar Christus is, daar is vrede, want Christus is Vrede.

Thomas Brooks: Rome zegt dat onwetendheid de moeder is van devotie, maar de Schrift zegt dat onwetendheid de moeder is van destructie.

Thomas Brooks: het vuur is in ons hout, hoewel de vlammen van de duivel zijn.

Thomas Brooks: wanneer mensen Gods Woord afwerpen, zal God hen afwerpen.

Thomas Brooks: hij die zich te goed vindt om door het Woord geregeerd te worden, zal te slecht bevonden worden om door God bezeten te worden.

Thomas Brooks: wees vervuld met de Geest, zoals de wind de zeilen vullen.

Thomas Brooks: iemand zag in een visioen alle strikken van de duivel liggen. Hij ging zitten en treurde en zei: wie zal hier doorheen komen? Toen hoorde hij een stem antwoorden, die zei: de ootmoed zal u erdoor leiden.

C.H. Spurgeon: wij hoeven de dag van onze geboorte niet te weten om te bewijzen dat we leven.

Thomas Boston: zij die een oprechte begeerte naar vereniging en gemeenschap met Christus hebben, hebben het ware geloof.

L.R. Shelton: je kunt verloren zijn zonder het te weten, maar je kunt niet behouden zijn zonder het te weten.

L.R. Shelton: voor de vrije is geen zaak te moeilijk.

L.R. Shelton: misschien zegt u: mijn gebeden worden niet verhoord, want ik heb geen geloof. Mijn vriend, bidt u in de naam van het geloof? Uw gebeden worden niet verhoord omdat u niet bidt in de naam van Jezus.

Palier: de wereld schijnt een paradijs, maar zij is vol verboden bomen.

Palier: de gehele godsdienst bestaat in twee dingen: in dingen die wij te doen, en in dingen die wij te geloven hebben.

Ralph Erskine: de Heere wil, dat Zijn kinderen precies andersom handelen als de wereld; dat ze niet zijn als alle andere mensen.

Ralph Erskine: wanneer de ondeugd algemeen wordt, wordt zonderlingheid een deugd.

7.       De Schuilplaats des Allerhoogsten (ds. W.J. op ’t Hof, Gameren): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 30 juni 2017 onder de berichten van de Hervormde gemeente van Driedorp

Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen. Psalm 91 : 1

Het gaat hier om een schuilplaats. Die heeft een mens pas nodig als hij in nood komt. Zolang er geen gevaar dreigt, denkt geen mens aan een schuilplaats. Waarom zou hij schuilen als alles goed gaat? Geliefde lezer, hoe gaat het in uw leven? Alles nog goed? Nog nooit een schuilplaats nodig gekregen en gezocht? Dan dreigt er niet alleen gevaar voor u, maar dan verkeert u in de grootste nood. En de grootste nood is dat het voor ons geen nood is. Met ons hoofd weten we wel dat wij zondaren zijn en misschien weten we daarbij ook dat de zonde de (eeuwige) toorn van God oproept, maar we hebben er van nature geen last van. We voelen niet de smart in ons hart dat wij in onze onbekeerde staat iedere dag de Heere zoveel smaadheid aandoen. Maar of wij het nu voelen of niet, wij zijn onverzoend kinderen des toorns en zullen in het rijk Gods niet ingaan. Voor wie dit door genade werkelijkheid is geworden, kan niet meer doorleven. Zeker niet als de inleving van de zonde brengt tot de belijdenis van onze eigen schuld en tot het billijken van Gods rechtvaardige straf. Het klinkt cru, maar de werkelijkheid is niet anders: Wij zijn van nature doemelingen en hellelingen. Heeft ons dit al gaande gemaakt om te zoeken of er nog een schuilplaats tegen de hitte van Gods toorn is?

Het Woord des Heeren bestaat niet alleen in wet, maar ook in evangelie. In het evangelie worden verslagen zondaren en doemelingen erop gewezen dat er voor hen een schuilplaats is. Immers de Heere heeft Zijn eniggeliefde Zoon gegeven opdat Hij de straf voor doemelingen zou dragen. Christus heeft de hel beleefd voor hen die deze eeuwige bestemming waard zijn. Christus als Goddelijke schuilplaats is toegankelijk en ontoegankelijk. Wie ook maar iets van zichzelf meebrengt, loopt tegen een dichte deur op. Maar de deur staat wagenwijd open voor allen die de dood op alles van zichzelf hebben leren schrijven en die arm van geest zijn, die treuren, die zachtmoedig zijn en die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid. Die hebben niets in en bij zichzelf, maar die hebben de heerlijkheid van Christus als schuilplaats mogen zien en die geven gehoor aan zijn lokroep: Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoed en belast zijt, en Ik zal u rust geven. Uit zichzelf durven zulken nooit te komen, maar als de Geest deze liefelijke lokroep in hun harten laat horen, durven ze ook niet meer weg te blijven. En in en door Christus krijgen ze de verzoening van hun zonden en worden ze met een drie-enig God verzoend. Dan daalt een hemelse vrede in hun ziel.

Dan hoeven ze niet meer zelf te geloven, maar dan laat God hen geloven. Dan hoeven ze zichzelf niet meer te bewaren, maar dan beschermt de Heere hen in de grootste aardse en geestelijke gevaren. Dan mogen ze vernachten in de schaduw des Almachtigen.

8.       Orde van dienst (ds. W.J. op ’t Hof, Gameren): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 30 juni 2017 onder de berichten van de Hervormde gemeente van Driedorp

Het gezegde luidt: Nieuwe bezems vegen schoon. In variatie hierop zou ik willen schrijven: Elke bezem veegt anders. Dat geldt ook voor de wisseling van voorganger. Nu hoeft u niet benauwd te zijn dat ondergetekende van alles en nog wat overhoop zal halen. Er was echter één zaak die mij na aan mijn hart ligt. Die betreft de orde van dienst. In Driedorp was het gebruik dat de ambtsdrager van dienst de afkondigingen deed, vervolgens de Tien Geboden of de Twaalf Artikelen las en aansluitend de Schriftlezing. Daarna kon de voorganger het votum en groet uitspreken en aansluitend het zogenaamde grote gebed.

De kerkenraad heeft op mijn verzoek besloten het voortaan iets anders te doen. Eerst worden door de dienstdoende ambtsdrager de afkondigingen gedaan en leest hij de Tien Geboden of de Twaalf Artikelen. Hierna spreekt de voorganger votum en groet uit en doet hij het grote gebed. Vervolgens leest de ambtsdrager de Schriftlezing voor. De rest van de orde van dienst verloopt zoals gebruikelijk.

U zult denken: Wat heeft deze verandering voor zin? Wel, daar zit een diepe gedachte achter. Zullen wij het Woord Gods gaan lezen zonder dat wij eerst om de verlichting des Geestes vragen? De natuurlijke mens verstaat toch niet de dingen die des Geestes Gods zijn? Dat kan ook niet, want ze zijn hem een dwaasheid. Wat nu voor een natuurlijk mens geldt, gaat helaas ook voor een mens met genade op. Ook zo’n mens leest zonder de bediening, verlichting en leiding des Heiligen Geestes de Bijbel als een verzameling zwarte letters op wit papier. Het Woord begint pas te leven als de Geest Zich daaraan paart. Het is daarom in mijn ogen niet goed als de Heilige Schrift wordt gelezen voorafgaande aan het grote gebed.

Immers daarin vragen wij om de verlichting door de Heilige Geest, om de opening van het Woord en van onze harten. Het is een goede zaak als ook in de orde van dienst de afhankelijkheid van de bediening door de Heilige Geest tot uitdrukking wordt gebracht. Daarom eerst het gebed en daarna de Schriftlezing.

9.       Een halve eeuw geleden (ds. J.T. Doornenbal): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 30 juni 2017 onder de algemene berichten

Vorige week voor het eerst in Oostelijk Flevoland geweest. De nieuwe polder ligt eigenlijk zo dichtbij, maar ik was er nog nooit toe gekomen er eens te gaan kijken. Een samenkomst in Dronten gaf de gelegenheid. Het was een verrukkelijke en onvergetelijke morgen. Nooit was de lucht zo helder, nooit vanaf de Wooldberg het uitzicht op Elburg en het nieuwe land zo klaar. De omtrekken van huizen en bomen en bossen waren scherp afgetekend tot de horizon toe. Zo was ’t in ’t oude land en ’t oude Elburg, in de nauwe straten met gezellige marktdrukte tussen de mooie gevels, zó bij de oude haven onder de Vispoort door, en bij de ingang van het nieuwe land. Maar nergens was die morgen het licht heerlijker dan in het land van de voormalige Zuiderzee.

Het was hetzelfde licht, dat ik soms zag in Zeeland in de schoonste dagen van het jaar, en dat ik nooit ergens anders ter wereld gezien heb.

Het licht dat de schilders zo liefhebben! Is dit licht zo wonderlijk omdat het van de hemel weerkaatst wordt door het water?

Het is een stralend en alomtegenwoordig licht, het verscherpt alle contouren en verheldert alle kleuren: het rood van de daken, het donkere groen van het gewas en het lichte groen van het vlas met zijn tere witte bloemen. Het was een toverfeest van vorm en kleur in een nieuwe aarde en onder een nieuwe hemel, en vooral in Oostelijke richting van een bijna juichend heerlijkheid.

Temidden van al die zomerschoonheid ligt de nieuwe stad, tot hiertoe de centrale plaats van de polder. Ze draagt het stempel van de rijkdom en vruchtbaarheid van het nieuw gewonnen land, en al bij de eerste aanblik is het duidelijk, dat hier een welvarende stad an het groeien is. De huizen, de kerken, de centra van nijverheid en cultuur overtreffen die van het oude land ver. Onze samenkomst was in één van de nevengebouwen van de Hervormde kerk, een prachtige, ruime zaal, bijna mooier nog dan de kerk zelf. Er zijn geen kosten gespaard en ’t geheel van dit ‘Kerkelijk Centrum’ kan volkomen aan zijn doel beantwoorden.

De thuisreis ging via het Kampereiland en Kampen. Wel heel dicht grenzen oud en nieuw aan elkander. Overoude steden aan het gloednieuwe polderland met moderne landbouwbedrijven en steden. En alles die dag was overvloeit van het zuivere licht en overspannen door de heldere zomerhemel, een beeld van zoveel schoonheid dat ik het nooit zal vergeten.

Vrijdagavond de inwijding meegemaakt van de nieuwe kerk in Wapenveld. Het kan natuurlijk mijn bedoeling niet zijn daarvan een verslag te geven. Maar een enkele persoonlijke indruk mag ik hier toch wel weergeven. En dan kan ik niet anders zeggen dan dat ik het een buitengewoon aangename avond heb gevonden. Alles werkte ook mee. Het weer was prachtig. Het water van het kanaal lag stil te spiegelen onder de avondhemel. Alles was zo vredig en er was bijna geen verkeer op de weg, behalve dan de kerkgangers die even laat waren als ik.

Ik heb Wapenveld altijd een goede kerkelijke gemeente gevonden, maar deze avond was ik toch wel diep onder de indruk van de activiteit, die zij heeft ontplooid. Een prachtig nieuw kerkelijk centrum is verrezen dicht bij de oude kerk, die haar tijd heeft gehad. Deze kerk is natuurlijk modern, maar ik vind haar mooi, en – in tegenstelling met zoveel andere nieuwe kerkgebouwen – ook een kerk.

Er is rust en harmonie en het geheel is zuiver op de eredienst ingesteld. Ik heb wel de indruk, dat de architect gedacht heeft aan een enkele versiering hier en daar, misschien in de vorm van wat planten tegen de grote muurvlakken, maar ik kan mij daarin vergissen. In elk geval: het is goed zoals het is, en Wapenveld mag met deze kerk gelukkig zijn.

De dienst was eenvoudig en stijlvol, de korte predicatie van ds. den Duyn over Psalm 84 : 2 ‘Hoe lieflijk zijn Uw woningen, Heere der heirscharen’ sprak tot het hart. Ik moest denken aan de eerste maal dat ik hem hoorde, lang geleden, nog eer ik predikant was. Het was in de kerk van Gouderak, waar ik logeerde. Nooit vergeet ik die aangename prediking over het woord van de Heiland tot Martha: ‘Ik ben de Opstanding en het leven. Die in Mij gelooft zal leven, al ware hij gestorven. Gelooft gij dat?’

De jaren zijn voortgegaan. Ook hij is grijs geworden in de dienst, ook in de dienst in Wapenveld, en ik vond het fijn voor hem, dat hij dit op deze avond hebben mocht als een hoogtepunt in zijn leven en een bekroning op zijn werk. In de ramen van de kerk toefde lang het avondlicht en het blonk er als louter goud. Even moest ik denken aan dat woord waarmee ik eens het Avondmaal bediend heb in de oude kerk van Wapenveld: ‘Al laagt gijlieden tussen twee rijen van stenen, zo zult gij toch weer worden als vleugelen ener duive, overdekt met zilver, en welker vederen zijn met uitgegraven geluwen goud’.

Dat is toch de toekomst van de Kerk des Heeren. Het licht zijn ten tijde des avonds.

‘Het zonlicht moge nederdalen,

Maar Gij, mij licht, begeeft mij niet’.

Misschien hadden we na het eind van de dienst maar stil naar huis moeten gaan.

Maar er volgde nog een samenkomst in het verenigingsgebouw met allerlei officieels. De president van de kerkvoogdij vertelde één en ander en leidde het verdere van de avond op een ongelofelijk goede manier. De voorzitter van de tweede kamer had ’t niet beter gekund!

Maar die toespraken! Ze duurden bijna allemaal net zo lang als de mijne, en ik kan nooit aan een eind komen, vooral als ik geen tijd gehad heb mij voor te bereiden (Als de dominee zegt: We gaan eindigen! Berg je dan, want dan komt ’t pas’ zie laatst één van mijn oud-catechisanten).

En er waren zovéél toespraken. Heel kerkelijk Wapenveld kwam eraan te pas, en dat is nogal wat. Ik kroop haast onder mijn stoel van schaamte, toen ik de lange lijst hoorde opnoemen van kerken en kerkjes waarin de Wapenveldse christenheid verdeeld is: noodgemeente in wording, protestantenbond, gereformeerde kerken in soorten en wie weet wat nog meer.

De president-kerkvoogd van Wapenveld beschikt behalve over velerlei andere gaven bepaald ook over de lijdzaamheid der heiligen. Hij had ze allemaal uitgenodigd en hoorde met eindeloze beminnelijkheid hun gelukwensen en hun kreten om eenheid en oecumene aan. Het zal er wel bij horen! Op de laatste classicale vergadering was een synodaal voorstel om de ordinantie op de kerkenraden aan te vullen met als één van de taken van de kerkenraad contact te maken met andere plaatselijke kerken. De hele classis ging er roerend mee akkoord. Ik geloof dat ik de enige was die niet heeft voorgestemd. Ik voel niets voor dat streven naar eenheid met wat met alle geweld zich heeft afgescheurd, en ik kan onmogelijk zo christelijk wezen als ze in Wapenveld zijn met al dat gebroeder en gezuster.

Ik voor mij schopte ze net zo lief ’t kanaal in! Gelukkig zijn er beter en christelijker mensen dan ik!

Hoe dan ook, we zijn blij voor Wapenveld met haar mooie kerk en hopen op haar zegen en op de vrede voor Jeruzalem.

10.   Wie dorst heeft…. gelezen in de Veluwse Kerkbode van 30 juni 2017 onder de algemene berichten

Hoeveel nachtjes moet ik nog slapen, moeder?’ vroeg Jan, een jongetje van bijna vijf jaar.

‘Nog drie, dan is het zondag’.
“Mag ik dan mee naar de kerk?’
‘Ja, dat heeft moeder toch beloofd?’

Eindelijk was de zondag gekomen , waarop Jan jarig was en voor het eerst mee mocht naar de kerk.
Ruim negen uur ging hij met zijn moeder op stap. Ze moesten een kwartiertje lopen en om half tien begon de kerk. Mevrouw Veldhof zei onderweg nog: ‘Jan, zal je vooral stilzitten? Niet praten tegen moeder, hoor, en goed luisteren. Als het orgel speelt, gaan we zingen en mag je ook meezingen.’

Ze staken het kerkplein over en gingen naar binnen. O, wat groot was alles! Hoge ramen, met allemaal mooie gekleurde ruitjes, wat veel! Grote banken en midden in de kerk zo’n groot ding met een dak erboven. Dat was de preekstoel. Dan lange buizen aan de muur met onderaan een gat, net of ze van zilver waren; heel veel, naast elkaar. Net fluiten, dacht Jantje.

‘Moeder, wat…’
‘Stil Jantje, niet praten!’, zei moeder.

Daar kwam opeens de buurman aan, boer Krelis. Wat zag die er deftig uit! Alles zwart: een zwarte pet en een zwarte das. Hè? Zo had Jantje hem nog nooit gezien. Normaal had hij altijd een blauwe kiel aan en grote klompen aan zijn voeten. Wat moest boer Krelis toch doen? Boer Krelis sloeg een groot boek open. Dat was zeker de Bijbel, dacht Jan. Boer Krelis ging voorlezen, heel langzaam en heel hard.  Jan begreep er niets van.

Opeens keek hij omhoog. Wat een hoop ruitjes! Eén, twee, zes, acht, tien, elf!
‘Sst, Jantje, stil wezen!’, zei moeder.

Daar opeens hoorde Jantje muziek. Waar kwam dat vandaan? Hoor, daar boven. O, dat zijn die pijpen! Hoor maar! Ja, die pijpen, net fluiten. Wat een mooie muziek!
Even later begonnen ze allemaal met het orgel mee te zingen.

Toen het zingen klaar was, werd het eerst heel stil. Alle mensen keken omhoog, naar dat kamertje met dat dak erboven.

Jantje keek ook op. Hij zat in de bank in het hoekje, de eerste plaats van het middenpad af, dicht bij de preekstoel. Nu begon de dominee te lezen: ‘En op de laatste dag van het feest stond Jezus op en riep, zeggende: Zo iemand dorst heeft, die kome tot Mij en drinke!’ Dat had Jantje goed gehoord!

Daarna ging de dominee spreken over mensen, die dorst hebben naar geld. Ze willen altijd meer hebben en raken hun dorst nooit kwijt. Dat begreep Jantje niet. Hij wist nog niets van geld.

De dominee sprak nog veel meer, maar Jantje zat weer naar de raampjes te kijken. Het kleine vingertje van Jan ging weer wijzen: ‘Eén, twee, drie…’
‘Sst Jan!’, zei moeder zacht. Dominee sprak nog altijd over mensen, die dorst hadden.

‘En er zijn ook mensen’, zei de dominee, ‘die dorst hebben naar God. Mensen, die de Heere Jezus zo graag willen leren kennen. Welnu, de Heere Jezus zegt: Zo iemand dorst heeft die kome tot Mij. Dat heeft de Heiland zelf gezegd!

Hè, dacht Jantje, wat is het warm! Ik heb zo’n dorst. Ik zou wel wat water willen drinken. Hij keek op, en juist nam de dominee een slokje water. Ik heb ook dorst, dacht Jantje.

Toen ging de dominee verder. ‘Als er iemand dorst heeft, die kan tot Jezus komen. De Heiland kan die dorst lessen. Hij riep aan het kruis: ‘Mij dorst!’, maar ook: ‘Het is volbracht!’. Voor u ging Hij aan het kruis met een vreselijke pijn en dorst, maar nu kan Hij de dorst van ons hart doen lessen, want Hij zegt: ‘Wie dorst heeft, die kome tot Mij!’

Jan hoorde eigenlijk alleen maar dat er gezegd werd: ‘Wie dorst heeft, kome tot mij!’
Weer nam de dominee een slokje water. Toen dacht Jan: ‘Ik zal nu heel goed luisteren, en als de dominee het nog eens zegt, dan ga ik naar hem toe. Ik heb dorst, en hij zegt het toch: ‘Wie dorst heeft kome tot mij!’ Dominee heeft ook water bij zich en zal mij toch wel een slokje willen geven? Waarom gaan die andere mensen toch niet? Ze hebben zeker geen dorst, maar ik heb dorst. Erge dorst!

Dominee sprak steeds maar door. Jan luisterde goed, maar nu zei de dominee het niet. Zo pas zei hij het telkens. Hè, dacht Jan, als hij het nu nog maar één keertje zei, dan ging ik dadelijk. Met zijn rechtervoet ging hij al wat meer naar het middenpad, om vlug op te staan. Vol spanning zat hij te luisteren. ‘Ach’, zei de dominee nu, ‘wat zijn er weinig mensen die de Heere Jezus op Zijn woord vertrouwen. Ze hebben zo’n zielendorst, maar geloven niet dat Hij Het Levende Water is, en dat Hij de dorst kan stillen. Heeft de Heere Jezus het dan niet geroepen? Waarom luistert men niet? Ook nu roept de Heiland nog: ‘Zo iemand dorst heeft, die kome tot Mij!’

Plotseling spring Jantje van de bank. Moeder wil hem nog grijpen, maar is net te laat. Hij liep het pad door, naar de trap die naar de dominee zijn preekstoel ging. Hij klom de trap op, keek de dominee aan, pakte de dominee zijn glas en dronk een paar slokjes van het heldere water.

Alles was zo vlug gegaan, dat eigenlijk niemand begreep dat het gesproken woord door Jantje wèl geloofd werd. Toen, opeens, begonnen allen die in de kerk waren, te lachen. Behalve de moeder van Jantje. Die vond het vreselijk.

Maar op het gezicht van de dominee kwam een glimlach; toch keek hij even later weer heel ernstig.  Hij zei: ‘Als u zich niet verandert en wordt zoals de kinderen, zult u het Koninkrijk van God niet binnengaan. Dit kind heeft het woord geloofd. Hij begreep het niet, maar geloofde wat ik zei. Hij had dorst en kwam om te drinken. Van dit kind kunt u leren om gelovig aan te nemen de woorden die de Heere Jezus tot u zegt. Luister naar de uitnodiging van de Heiland. Ja, de Heiland meent wat Hij zegt. Hij stuurt niemand weg, die in geloof tot Hem komt. Op de laatste bladzijde van de Bijbel staat het: ‘En wie dorst heeft kome; en wie wil, neme het water des levens om niet’.

11.   Schokkend boek dr. Van den Brink (ds. M.C. Schreur, Harskamp): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 30 juni 2017 onder de berichten van de Hervormde Gemeente (PKN) van Harskamp

Rest me nog te zeggen dat ik geschokt ben door de berichten rondom het nieuw verschenen boek van prof. dr. G. van den Brink. Als het werkelijk waar is dat professor Van den Brink de wetenschappers gelooft in hun veronderstellingen dat de mens is opgekomen uit het dierenrijk en dat de homo sapiens minstens 200.000 jaar geleden in Afrika ontstond (hoe dan???) en dat deze mensensoort dingen begon te doen die hem van de dieren onderscheidde (zoals het leren beheersen van vuur, en kunst ging maken en begon met religieuze uitingen, als een gevolg van een zogenaamde culturele big Bang zo’n 45.000 jaar geleden) en dat God toen aan de mens een andere manier van leven heeft voorgesteld….

Als dat allemaal waar is – volgens Van den Brink – dan ontneemt hem dat alle recht om te eisen hem niet buiten de krijtstreep van de gereformeerde orthodoxie te plaatsen (RD, vrijdag 23 juni 2017). De orthodoxie hoeft niets te doen. Hij doet dat zelf! Mochten orthodoxe gelederen binnen de PKN hem echter met deze visie toch houden voor iemand die Bijbels- en orthodox theologiseert, dan wordt het wel ernstig…!

De Heilige Geest leert ons: Door het geloof verstaan wij, dat de wereld door het woord Gods is toebereid, alzo dat de dingen, die men ziet, niet geworden zijn uit dingen, die gezien worden. Hebreeën 11 : 3.

Als we de moderne wetenschap nodig hebben om ons geloof te funderen, dan is het zwaartepunt van het fundament verankerd in ons verstand, in plaats van in Hem Die ons (-en ons verstand)- heeft uitgedacht.

Het is ongehoorzaam aan God en Zijn openbaring – alsook absoluut wetenschappelijk onverantwoord – om te geloven dat materie geen begin zou hebben. Maar het is net zo ongehoorzaam en onverantwoord om niet te erkennen dat God de scheppende Oorsprong is van alles wat voor ons waarneembaar is, ja van alles dat bestaat, hetzij materie, hetzij leven!

God schept uit het niets, (vandaar dat het gebed van David ‘Schep mij een rein hart o God’ zich vasthecht in dat zelfde grondwoord uit Genesis 1: In den beginne schiep God…..(‘bara’- hebr).

Laat ons met diepe eerbied God erkennen als de almachtige God. Want Zijn onzienlijke dingen worden, van de schepping der wereld aan, uit de schepselen verstaan en doorzien, beide Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid, opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn, Romeinen 1 : 20.

Ik acht het verwoestend verwarrend voor jongeren en ouderen, maar bijzonder voor christelijke studenten, die door dit boek (d.d. 22 juni 2017), En de aarde bracht voor, Christelijk geloof en evolutie van prof.dr. G. van den Brink) op een heilloos spoor gezet worden, waarbij ons denken over God, als Schepper moet laten bepalen en beperken tot dat wat ‘de wetenschap’ normatief acht. Het is ook levensgevaarlijk naïef om te denken dat deze knieval voor dit soort manier van wetenschap bedrijven, zich alleen zal richten op God als Schepper. Daarna zal ze zich richten op God als Rechter en op God als Redder. Hoewel dat misschien ten stelligste ontkend zal worden, zal het juist ‘de wetenschap’ zijn waarvoor men buigt, die deze theologen uitdagen om de uiterste consequenties te trekken van het standpunt waarin niet God, maar waarin ons verstand het uitgangspunt vormt over het denken over God en geloven in God.

Hoewel ik mij niet vaak waag aan dit soort opinie-schrijverij met een dergelijke polemiek, moet mij dit van mijn hart. Er is ontzaglijk veel meer in het geding dan men wil doen geloven!

We kunnen in dit opzicht heel wat beter in de leer bij dr. Neil Huber (VS) – zie artikel RD, maandag 20 januari 2017-, dan bij prof. dr. Gijsbert van den Brink.

Ik citeer Huber: ‘Mijn zorgvuldige studie van de Pentateuch, inclusief Genesis, werd gezegend: ik kreeg een volledig vertrouwen in de kracht en geloofwaardigheid van de orthodoxe ‘fundamentalistische’ interpretatie van het scheppingsverslag. En eveneens het belang daarvan. Het hele bouwwerk van alle basale leerstukken is erop gefundeerd: de schepping, Adam en Eva, de val, de vloek op de schepping, de belofte van de Zaligmaker, de zondvloed, het huwelijk, de erfzonde enzovoort.

Dit gaat echter lijnrecht in tegen de evolutie theorie en weerspreekt al het lange periode denken in het algemeen. Als Genesis 1 tot en met 11 een mythe zou zijn of geen betrouwbare geschiedenis, zou het christendom – wat God verhoede- als een kaartenhuis ineen storten.

Als de wetenschap bepaalt hoe ik over het begin van het leven moet denken, dan zal ze dat ook gaan doen over het eind van het leven, alsook over wat daarna komt, of juist niet komt.

En dat zal dan letterlij ken figuurlijk een doodlopende weg worden.

Laat ons luisteren naar Hem die de Weg, de Waarheid en het Leven is en wat over Hem gezegd wordt door Zijn knecht, Johannes:

‘In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. Dit was in den beginnen bij God. Alle dingen zijn door Hetzelve gemaakt, en zonder Hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is. Johannes 1 : 1-3.

12.   De dood de baas (ds. M.A. Kempeneers, Katwijk aan Zee): gelezen in ‘Bewaar het Pand’; orgaan binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken, van 18 oktober 2016

Maar na dezelve zullen er opstaan zeven jaren des hongers; dan zal in het land van Egypte al die overvloed vergeten worden; en de honger zal het land verteren. Genesis 41 : 30

De dood is een wrede vijand.

Hij berooft de moeder van haar baby, en de man van zijn vrouw.

Hij rukt de ouders weg van hun kinderen en de vriend van zijn vriend.

Hij is ook een onvermoeibare vijand. Hij doodt al duizenden jaren en gaat er ook nu nog mee door, dag in dag uit, jaar na jaar. Hij komt ook ons leven binnen. Allen van wie wij houden, glijden als zand tussen onze vingers weg. En uiteindelijk komen wij zelf ook aan de beurt. De dood is onze vijand. En hij wint het altijd weer. De dood is de baas, toch? Nee, toch niet, want de dood is een overwonnen vijand. Dat blijkt ook in de geschiedenis van Jozef. De tovenaars hebben de dromen niet kunnen uitleggen. Het lijkt erop dat ze het niet eens geprobeerd hebben. Je leest er immers niets van. Zwijgend stonden ze daar. Ze voelden iets aan van de dreiging die er van de dromen uitging. Maar met al hun wijsheid en al hun toverkunsten stonden ze machteloos. Ze konden veel. Denk maar aan het feit dat de tovenaars ook hun staf in een slang kunnen laten veranderen. Maar tegenover de dreiging van de dood waren ze machteloos. De dood was hen de baas.

Maar Jozef mag verkondigen dat de dood niet het laatste woord heeft. Middenin de werkelijkheid dat het leven door de dood wordt verslonden, verkondigt Jozef de weg tot behoud. Hij wijst het middel aan waardoor de dood kan worden overwonnen. Farao moest naar een man uitzien die ervoor zou zorgen dat de macht van de dood kon worden gebroken. Door koren te verzamelen en schuren te bouwen. Zodat in de magere jaren er voldoende voorraad zal zijn om het volk te voeden.

En via deze oude geschiedenis worden we nog weer eens gewezen op de werkelijkheid van ons leven. De werkelijkheid van de dood. En van onze machteloosheid ten opzichte van die dood. De Egyptische wijzen hadden geen antwoord, en geen uitleg en ook geen boodschap. En wij hebben het ook niet. De dood wint het altijd weer. Wij hebben geen heerschappij over de dag van de dood, zo lezen we in Prediker 8 : 8, en wij hebben geen geweer in deze strijd. De dood treft alle mensen.

We zien wetenschappers, astronauten, politici, grote denkers en dichters en ondanks hun beroemdheid en ondanks hun kennis en ondanks hun grote talenten, ze sterven toch.

En het lijkt erop dat de dood de baas is.

Maar de Bijbel vertelt ons dat er 2000 jaar geleden iets veranderd is. Toen er een Man van het kruis werd gehaald en in het graf werd gelegd. De dood leek ook over Hem de baas te zijn. Want het lichaam van deze Man bleef de hele zaterdag in dat graf liggen. En ook de nacht van zaterdag op zondag. Maar op de zondagmorgen, de allereerste Paasmorgen, toen stond deze Man op uit de dood. Jezus Christus ontnam de dood zijn macht en zijn overwinning. Hij is de dood de baas. Onze tranen mogen vloeien. En het verlies mag pijn doen. De standplaats van onze geliefde mag niet meer gekend en niet meer gevonden worden. Maar denk niet dat de dood gewonnen heeft.

Hier staat Jozef. En de boodschap ruist door Genesis 41: De dood is verslonden tot overwinning (1 Kor. 15 : 54).Want de Meerdere van Jozef heeft de zonde, en de dood en de hel overwonnen. Middenin de vreselijke werkelijkheid van ons bestaan klinken de Woorden des eeuwigen levens: ‘Ik ben de Opstanding en het Leven. Wie in Mij gelooft, zál leven, al ware hij ook gestorven’ (Joh. 11 : 25).

Dat is de wijze raad van de Meerdere van Jozef. En nu mogen ten dode opgeschreven zondaren tegen God zeggen: o God, ik heb ’t verdiend. Want het loon op de zonde, de bezoldiging der zonde is de dood. Ik verdien het om te sterven, voor eeuwig.

Als dat de werkelijkheid van ons leven is, dat je het beleeft dat de dood ieder uur wenkt. En je ligt geestelijke gekneld in banden van de dood. Zie dan toch op de Levensvorst. Zoek de Heere en leef. Dát is de enige raad die er is. Wie in de Zoon gelooft, die heeft het leven.

13.   Zielzorg rond Avondmaal (ds. N. Noorlander, Onstwedde): gelezen in ‘de Waarheidsvriend’; orgaan van de Gereformeerde Bond binnen de PKN, van 27 november 2015

Hervormd-gereformeerde theologen (4, ds. Joh. Verwelius)

Johannes Verwelius werd op 24 juni 1915 in Huizen (NH) geboren. Hij werd kandidaat op 1 juli 1947. Zes gemeenten diende hij: Hei- en Boeicop (1947), Bodegraven (1950), Oldebroek (1954), Waddinxveen (1961), Schoonhoven (1967), Veenendaal (1972) en opnieuw Waddinxveen (1977). Tot zijn emeritaat was hij reservelegerpredikant. Hij ging in 1980 met emeritaat. Op 30 maart 2004 overleed hij. Hij is begraven in Huizen.

Velen zullen zich ds. Joh. Verwelius herinneren als de bewogen man met vaak heel persoonlijke pastorale gesprekken en adviezen. Het is honderd jaar geleden dat hij werd geboren.

In zijn arbeidzame leven was Johannes Verwelius bedienaar van het Goddelijke Woord in de Nederlandse Hervormde Kerk. Als predikant diende hij zes gemeenten. In ’t Harde was ds. Verwelius legerpredikant. De gemeente Bodegraven stond haar predikant daarvoor enige tijd af. In zijn gang door kerkelijk Nederland heeft hij veel gebouwen gerealiseerd gezien: verzorgingshuizen, kerken, scholen en verenigingslokalen. Hij was een ‘bouwdominee’. Het christelijke onderwijs had zijn warme belangstelling. In meer dan één gemeente was hij voorzitter van de schoolvereniging, waardoor hij soms ook in vreemde situaties terechtkwam.

In een nieuwbouwwijk in één van zijn gemeenten had het dagelijks bestuur van de Hervormde school, waarvan ds. Verwelius voorzitter was, een verzoek bij het gemeentebestuur ingediend om in die nieuwe wijk een school te mogen realiseren. Een andere schoolvereniging, met een andere signatuur, had eveneens een dergelijk verzoek ingediend. Beide besturen werden op het gemeentehuis uitgenodigd om een fusie te bespreken. Dat lukte niet. Op een gegeven moment stapte de burgemeester op en deed de deur op slot met de mededeling dat ze eruit mochten als de fusie een feit was. De beide besturen hebben genoeglijk met elkaar gesproken, maar niet over de fusie. Ds. Verwelius heeft die nacht toch thuis geslapen, maar de samenwerking met de burgerlijke gemeente was niet optimaal meer.

Achteraf moest hij zeggen dat de functie van voorzitter van een schoolvereniging maar moeilijk te combineren was met het ambt van gemeentepredikant.

Avondmaal

Ds. Verwelius had een rotsvast, ongecompliceerd geloof, waaruit hij sprak, bad en zong. Zonder zijn prediking, altijd Christus-prediking, en het catechetisch onderwijs tekort te willen doen, kunnen we zeggen dat de pastorale zorg zijn volle aandacht had, met name rond het heilig avondmaal. Als iemand vraagt naar de betekenis van ds. Verwelius, dan komt vooral de aandacht die hij gaf aan het pastoraat en de prediking rondom het heilig avondmaal naar voren en de invididuele zorg voor ieder die worstelde met het ‘aangaan’ of ‘afblijven’. Ook het pastoraat rond de doopbediening ging hem aan het hart; hij besteedde er veel tijd aan. Wat betreft de sacramenten was hij bewogen, geïnteresseerd en geduldig als het ging om zielzorg.

Drieslag

Ds. Verwelius legde sterk de nadruk op de drieslag: voorbereiding, bediening en dankzegging/nabetrachting. Deze drie horen bij elkaar en kunnen en mogen niet los van elkaar gezien worden, aldus de predikant. ‘Deze drie, alle drie!’ is een uitdrukking die hij vaak bezigde. In de prediking legde hij sterk de nadruk op de drieslag: ellende, verlossing en dankbaarheid, die, zo legde hij aan de hand van het klassieke avondmaalformulier dikwijls uit, alle drie thuishoren in de voorbereiding.

Niet thuisblijven

Wie bij de bediening thuisblijft, omdat het avondmaal toch niet voor hem is, is verkeerd bezig. Als iemand de nodiging al bij voorbaat in de wind slaat, krijgt de Heilige Geest niet de gelegenheid om in het hart te werken. Wie aan de tafel mocht smaken dat de Heere goed is voor zondaren, kan nooit zonder goede reden bij de dankzegging en nabetrachting wegblijven, aldus ds. Verwelius. Vele gesprekken voerde hij hierover, in de pastorie of bij de gemeenteleden thuis. Het was hem nooit te veel om erover te spreken, om daarbij te helpen en mee te denken en te bidden. ‘Het gaat om de eer van mijn Heere en Heiland’, zei hij dikwijls.

Velen is hij hierin tot zegen geweest, velen hebben door hem een helderder en eerlijker kijk gekregen op het avondmaal, in het bijzonder zijn ambtsdragers. Het zal dan ook niet verwonderlijk zijn dat hij grote aandacht besteedde aan het belijdenis doen.

Mannenbond

Vanaf 1956 was ds. Verwelius lid en later secretaris van het hoofdbestuur van de Hervormde Mannenbond. Nadat hij op zijn zeventigste het secretariaat had overgedragen, bleef hij in De Hervormde Vaan, periodiek van de bond, schrijven in de rubriek ‘Wat mij bijzonder opviel’. Hij reageerde op allerlei zaken in het land, de wereld, de gemeente en de kerk in groter verband. Vooral als het ging om het kerkelijke leven, wist hij waarover hij sprak. Het Kerkelijk Handboek had een vaste plaats naast zijn stoel. Nooit was hij scherp, maar wel recht door zee. Hij noemde de dingen bij naam, analyseerde scherp en kwam onomwonden en bewogen op voor de eer van de Koning der koningen.

14.   Psalm 149 (ds. G.J. Jansen): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 9 juni 2017 onder de berichten van de Hervormde gemeente (PKN) van Voorthuizen

Om over dit lied iets te zeggen is niet zo gemakkelijk. In psalm 148 krijgt de lof van God in de schepping de aandacht, in psalm 147 de schepping in verbondenheid met de gebrokenen van hart. In psalm 149 wordt juist de gemeente opgeroepen tot lof aan God. Psalm 149 is een bijzonder mooie psalm. Waarom? Omdat er van de verlossing gezongen wordt die de HEERE geeft aan Zijn volk. Maar dit handelen van God wordt zo rijk, zo onuitsprekelijk groot nu dat beleefd wordt door de zachtmoedigen, de deemoedigen. En dan wordt het echte zingen en loven geboren als men iets ontdekt van eigen kleinheid tegenover die grote God. Maria in haar lofzang geeft daar iets van weer. Vanuit de lage staat, vanuit die machteloze afhankelijkheid van God werd hij Zelf uitgeleid om Overwinnaar te zijn. Dat maakt de lof diep en heerlijk. ‘Hij zal de zachtmoedigen versieren met heil’. Maar de zachtmoedigen blijven niet als niets-waardigen op hun stoel zitten: ‘looft, looft de HEER’. Moeilijker hebben we het als het tweesnijdend zwaard in de hand van de zachtmoedigen er aan te pas komt. Het leven van het volk en van ons eigen hart gaat tegen het handelen van God in. Daar kan een zachtmoedig volk nooit mee op goede voet komen. Daarom heeft dat volk ook iets ‘agressiefs’ in zijn optreden.

Psalm 150

Deze psalm heeft alles in zich om helemaal te zingen. Maar ik ben het nog nooit tegen gekomen dat erover deze psalm gepreekt werd. Het zou natuurlijk wel kunnen. Maar het is wel zo dat deze psalm iets heeft wat in een preek niet makkelijk vol te houden is. Om alleen de lof te brengen! Om alleen te zeggen: ‘Halleluja, looft God’.

Onwillekeurig krijgen we dan de neiging om de psalm uit te breiden. We willen dan weer zeggen waarom we Hem loven. Enigszins doet psalm 150 dat ook wel. De mogelijkheden en de grote macht van God worden genoemd. Psalm 150 is ook bijzonder omdat het de Psalmbundel afsluit. Er zijn ook kleinere afsluitingen aan te wijzen zoals bijvoorbeeld psalm 41, 72, 89 en 106. Het gaat daar om het slot van de afzonderlijke bundels, waaruit de hele psalmbundel is samengesteld. Het is nu een hele psalm, waarin het hele thema is ‘Looft God!’

Zo wordt psalm 150 een machtig slotakkoord. En om tot dit slotakkoord te komen, moeten we, om zo te zeggen, het hele psalmboek door….

We moeten door alle hoogten en diepten van het hart en het leven heen. We moeten door bekering en wedergeboorte heen om werkelijk God te prijzen’ (prof. Van Ruler).

Bijschrift ds. G.J. Jansen: Ik heb niet getracht wetenschappelijk nieuwe dingen uit de psalmbundel op te diepen. Hoe zou ik dat ook kunnen, nu er zoveel geleerden van naam zijn geweest, die zich grondig bezonnen hebben op deze rijke bundel uit Israël. Mijn opzet was de psalmen wat dichter bij de psalmzingende gemeente te brengen. Ik hoop dat er zo nog vrucht uit overblijven mag!!)

Geschreven voor de Veluwse Kerkbode van 3 en 17 oktober 1980

Met veel dank aan mw. Liesbeth Zethoven-Jansen die alle 150 psalmmeditaties van haar vader gedigitaliseerd heeft! Dat is in deze tijd monnikenwerk te noemen! Met oprechte dankbaarheid en vreugde heb ik ze wekelijks paarsgewijs aangeleverd bij de redactie van de Veluwse Kerkbode. Wij danken hen voor de bereidheid er telkens ruimte voor te maken. Het is zeker door menigeen gelezen en tot zegen geweest. De eenvoud ging gepaard met diepgang. Uitlegkunde en liturgisch inzicht gingen bij wijlen ds. Jansen hand in hand. Het is een blij vooruitzicht dat de triomferende kerk hierboven en de strijdende kerk hier beneden samen eens de lof des Heeren op volkomen wijze zullen zingen. Tevens proeven we nu reeds daar een voorsmaak van. Ds. L.W. Smelt.

15.   Catechisantenvragen (12; ds. W. Pieters, Garderen): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 16 juni 2017 onder de berichten van de Hersteld Hervormde gemeente van Garderen

De twaalfde vraag luidde: ‘Wat betekent in het avondmaalsformulier ‘terwijl men communiceert’? Er wordt toch niet gesproken?

In het avondmaalsformulier lezen we: Bij het breken en uitdelen van het brood spreekt de dienaar des Woords:

‘Het brood dat wij breken, is de gemeenschap aan het lichaam van Christus. Neem, eet, gedenk en geloof dat het lichaam van onze Heere Jezus Christus gebroken is tot een volkomen verzoening van al onze zonden’.

En wanneer hij de drinkbeker geeft:

‘De drinkbeker der dankzegging, die wij dankzeggende zegenen, is de gemeenschap aan het bloed van Christus. Neem, drink allen daaruit, gedenk en geloof dat het dierbaar bloed van onze Heere Jezus Christus vergoten is tot een volkomen verzoening van al onze zonden’. En dan komen de woorden waarbij een catechisant zich afvroeg: ‘Wat betekent dit?’:

Terwijl men communiceert, zal men stichtelijk zingen, of sommige hoofdstukken lezen, dienende ter gedachtenis aan het lijden van Christus, zoals Jesaja 53, Johannes 6, 13,14,15,16,17,18.

De woorden ‘communiceren’ en ‘communicatie’ hebben in onze tijd de betekenis: met anderen informatie delen, mondeling of schriftelijk.

De woorden komen uit de Latijnse taal en betekenen: iets gemeenschappelijks doen. Dit kan praten zijn, of brieven schrijven, maar ook: samen eten en drinken; en in de kerkdienst gemeenschappelijk het avondmaal vieren. Dus communiceren betekent: samen brood en wijn gebruiken.

Terwijl dit gebeurde, werd er vroeger gezongen en uit de Bijbel gelezen. In onze tijd hebben we dit wat verschoven naar ‘nádat men heeft gecommuniceerd/het brood heeft gegeten en de wijn heeft gedronken. Dan leest de predikant een stukje uit de Bijbel en zingen we een psalmvers.