Kerknieuws
Gereformeerde Gezindte
Openingspagina
Boekbespreking
Foto's
Persoonlijk
Kerkbodes
Spreuk van de week
Overig
Ware gebeurtenissen
Kerkelijk leven
Jongerenrubriek
Muzikale pagina + agenda
Columns
Links
Uw aandacht voor:
Boekbespreking
 

Op deze pagina kunt u van tijd tot tijd een boekbespreking aantreffen. Heeft u een boek wat u graag besproken wilt hebben, dan kunt u altijd contact met mij opnemen!


1.   Predikanten van wie wij nog altijd kunnen leren (ds. P. de Vries, Boven-Hardinxveld): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 8 juni 2018 onder de algemene berichten als boekbespreking

Ds. H. van der Ham, Ambtsbroeders. Uit het leven van ds. F.P.L.C. van Lingen en ds. Jac. Wisse. De Roo Zwijndrecht 2016; ISBN 9789087180409; hb. 278 pp.. prijs €19.95

Inleiding

Ds. H. van der Ham, emeritus predikant van de Christelijke Gereformeerde Kerken, heeft al meerdere publicaties op zijn naam staan waarin hij een vorige generatie van christelijke gereformeerde predikanten beschrijft. Aan deze reeks werd vorig jaar een nieuwe studie toegevoegd. Bij uitgeverij De Roo verscheen een boek met levensschetsen van ds. F.P.L.C. van Lingen en ds. Jac. Wisse. Deze predikanten kunnen wij de ‘founding fathers’ van de voortgezette Christelijke Gereformeerde Kerk(en) noemen. (in 1947 werd de naam van Christelijke Gereformeerde Kerk veranderd in de Christelijke Gereformeerde Kerken).

Als in 1892 het overgrote deel van de Christelijke Gereformeerde Kerken zich met de Nederduits Gereformeerde Kerken (voortgekomen uit de Doleantie) verenigt, gaan zij niet met deze Vereniging mee. Dat gold ook een drietal gemeenten en ettelijke honderden kerkleden. Bij haar eerste synode bleken de voortgezette Christelijke Gereformeerde Kerk(en) acht gemeenten te tellen. Een aantal dat in de loop van de jaren zeer snel groeide, omdat meerderen die aanvankelijk met de Vereniging van 1892 waren meegegaan, zich bezwaard gingen voelen over het klimaat in de Gereformeerde Kerken. De naam die de kerken na de Vereniging had aangenomen.

De bezwaren tegen de Vereniging komen tegen het einde van elk van de twee levensbeschrijvingen naar voren. Opmerkelijk is dat Van Lingen en Wisse elkaar pas na de Vereniging voor het eerst hebben ontmoet. Op de bezwaren tegen de Vereniging en breder op de situatie van de Kerk van Nederland in de 19e eeuw wil ik niet breed ingaan. Ik deel de bezwaren van Van Lingen en Wisse tegen de leer van de vooronderstelde wedergeboorte van Kuyper, maar constateer ook dat in de eerste decennia van de 20e eeuw nog duidelijk een bevindelijke stroom in de Gereformeerde Kerken was. Meer dan sommige afgescheidenen uit de kleinere afgescheiden kerken en trouwens ook hervormden zich vaak realiseren. Daarnaast kijk ik met gemengde gevoelens tegen de verbrokkeling van de Kerk van Nederland in de 19e  eeuw aan. Hoe vervallen de Hervormde Kerk ook was, zij had nog altijd de gereformeerde belijdenis. In vele gemeenten werd het Woord nog Bijbels verkondigd. Tegelijkertijd kan ik de Afscheiding niet als louter mensenwerk zien. In een meerderheid van de hervormde gemeenten was de prediking bepaald niet Bijbels. Nemen we de rechte bediening van het Woord als uitgangspunt, dan kunnen we in de 19e eeuw vele afgescheiden gemeenten als kerken van Christus zien en meerdere hervormde gemeenten niet. Ik voel mij erg thuis bij het kerkelijk standpunt van ds. J.J. Knap jr. over wie dr. A.J. van den Herik al weer jaren geleden een boekje schreef met de veelzeggende titel: Gereformeerd….en toch Hervormd.

Als het gaat om de waarde van Van Lingen en Wisse voor de 21e eeuw denk ik niet allereerst aan hun kerkelijke gang en hun kerkelijke standpunt, maar aan wat zij hebben voorgestaan met betrekking tot het geestelijke leven en de prediking. Eén van mijn overwegingen daarbij is dat de situatie in de kerken die Van Lingen en Wisse hebben voortgezet heel anders geworden is dan in 1892. Beter is dan ook de vraag te stellen, tot welk deel van de Nederlandse kerk wij ook behoren, hoe in de prediking en het geestelijke leven deze predikanten voor ons een modelfunctie kunnen hebben. Dan moet toch ook hoe summier ook hun levensweg worden geschetst.

Van Lingen

Ik begin bij Van Lingen (1832-1913). Al jong verloor Frits van Lingen zijn vader. Stervend heeft deze hem gezegend en gesproken: ‘Word dienaar van het Woord’. Dat is Van Lingen inderdaad geworden. Van Lingen heeft in Leiden theologie gestudeerd. Eén van zijn studiegenoten en vrienden was Abraham Kuyper. Beiden voelden zich als student aangetrokken tot de vrijzinnige theologie. De moeder van Van Lingen was hierover zeer bedroefd. Van Lingen begon zijn ambtelijke loopbaan als predikant van Hensbroek. Een stuk levensernst straalde hij uit, ook al was hij theologisch vrijzinnig. Reeds in Hensbroek begint zich theologisch een wending bij Van Lingen te voltrekken. Die krijgt verder haar beslag in zijn tweede gemeente Broek op Langedijk. Een klein traktaatje over de noodzaak van de wedergeboorte wordt door de Heere gebruikt om de ogen van Van Lingen te openen. Hij erkent zichzelf in Nicodemus. Overtuigd van zonde en schuld leert hij de zaligheid buiten zichzelf in de Heere Jezus zoeken en mag hij het daar vinden. Van Lingen sluit zich aan bij de Vrienden der Waarheid, een vereniging die opkwam voor het recht van de confessie in de Hervormde Kerk. Deze Vrienden der Waarheid kozen in 1886 massaal voor de Doleantie evenals van Lingen zelf. Dat gold niet voor de Confessionele Vereniging die in 1864 het levenslicht zag en waarvan Van Lingen één van de initiatiefnemers was. Deze vereniging bestaat nog, al is het geestelijke klimaat wel anders dan bij haar oprichting. Van Broek op Langedijk leidde voor Van Lingen de weg naar Zetten. Overtuigd van het belang van christelijk onderwijs richtte hij daar de eerste christelijke middelbare school in ons vaderland op. Vele latere predikanten hebben aan het gymnasium te Zetten hun middelbare vorming ontvangen. Van Lingen verzorgde lessen in onder andere Grieks, Latijn en Hebreeuws. In Zetten ging Van Lingen in 1886 met de Doleantie mee. Het geestelijke klimaat van de dolerende kerken heeft hem teleurgesteld. Vooral bij de opvattingen van Kuyper – en dan vooral diens gedachte dat wij kinderen dopen op grond van hun vooronderstelde wedergeboorte – had hij ernstige bedenkingen. Daarom maakte hij in 1891 de overstap naar de Christelijke Gereformeerde Kerk(en) en is hij één van de twee predikanten die in 1892 niet met de Vereniging meegaat.

In 1893 wordt Van Lingen predikant in Rotterdam. Vanaf 1894 tot aan zijn overlijden was hij docent van de Theologische School van de Christelijke Gereformeerde Kerk(en). Deze academisch zeer begaafde man heeft tot op hoge leeftijd al zijn kracht aan de opleiding van aanstaande dienaren van het Woord gegeven en alles gedaan om die opleiding te verbeteren.

Wat kunnen wij van Van Lingen leren?

Als eerste antwoord zou ik willen geven: zijn hoge achting voor het Woord van God. Met klem heeft hij keer op keer betoogd dat als regel predikanten de Bijbel in de brontalen moeten kunnen lezen. Zelf was Van Lingen niet alleen in het Hebreeuws en Grieks goed thuis, maar ook in het Latijn; de taal die van zo groot belang is geweest in de geschiedenis van de christelijke kerk. Hij was in staat deze taal niet alleen te lezen maar ook te spreken. In zijn colleges stapte hij soms op het Latijn over. Humoristisch heeft prof. Van der Schuit die dat meer dan eens als student heeft meegemaakt, later opgemerkt dat hij en zijn medestudenten elkaar dan aankeken en dachten aan het woord van Paulus ‘dat er iemand kome die het uitlegge’.

De prediking van Van Lingen was uitleggend, maar ook bevindelijk en onderscheidenlijk. Hij was ervan overtuigd dat een prediker behoorde te preken in het besef dat het voor één van de hoorders die nog niet met God was verzoend de laatste keer kon zijn dat hij of zij het Evangelie hoorde. Van der Ham heeft zowel aan de levensbeschrijving van Van Lingen als Jac. Wisse een aantal meditaties en preken van hun hand toegevoegd. Dat verhoogt de waarde van zijn publicatie. Om de blijvende betekenis van Van Lingen duidelijk te maken, besluit ik met het slot van één van zijn meditaties: ‘Wedergeboren worden, dat is nieuw leven ontvangen, een leven dat uit God en tot God is, dan zijn alle dingen nieuw geworden, dan is het: Ik leef niet meer mijzelf, maar Christus de Heere. O geliefden, dit is iets, dat niet kan geleerd worden, dat moet worden gekend. Vraag God, zo gij belangstelling hebt te weten wat het is’.

Jac. Wisse Czn.

Jac. Wisse Czn. moet niet verwisseld worden met G. Wisse die in 1921 vanuit de Gereformeerde Kerken naar de Christelijke Gereformeerde Kerk(en) overkwam en enige tijd als hoogleraar de theologische school in Apeldoorn heeft gediend. Jac. Wisse was afkomstig van Walcheren. Zijn ouderlijk gezin behoorde bij een gemeente met een kruisgezind karakter. Als kind las hij graag. Al in zijn prille jeugd had de Heere grote bemoeienissen met hem. Jacobus had indrukken, soms diepe indrukken en overtuigingen. Als jongeman mocht hij zeker weten dat hij vrede met God had ontvangen. Over de roeping tot het ambt heeft hij veel strijd gekend. Uiteindelijk mocht hij weten dat het de wil van de Heere was dat hij dienaar van het Woord zou worden. Zes jaar heeft hij in Kampen gestudeerd. In 1873 werd Wisse aan de gemeente van Dordrecht verbonden. Van Dordrecht leidde de weg naar Sliedrecht en van Sliedrecht naar Den Haag. Daar ging Wisse met een deel van zijn gemeente niet met de Vereniging van 1892 mee. In 1893 werd Wisse naast Van Lingen met de opleiding van aanstaande dienaren van het Woord belast. Aan hem werden de dogmatische en pastorale vakken toevertrouwd. Toen Wisse in 1906 een beroep aannam naar Zierikzee, één van de drie gemeenten die niet waren meegegaan met de Vereniging van 1892, kwam er een einde aan zijn taak als docent. In 1920 ging hij met emeritaat. Tot zijn grote vreugde hoorde hij op zaterdagmiddag 20 augustus 1921 dat student S. van der Molen het beroep naar de vacante gemeente van Zierikzee had aangenomen. De zondag erop overleed hij. Door het open raam van de pastorie had hij nog gehoord hoe in de kerk Psalm 119 : 25 werd gezongen, zijn lievelingspsalm: ‘Gedenk aan ’t Woord gesproken tot Uw knecht, waarop Gij mij verwachting hebt gegeven’.

Hoe de Heere in het leven van Jac. Wisse kwam

Als volgt heeft Wisse zelf verwoord hoe de Heere in zijn leven kwam: ‘De noodzakelijkheid van wedergeboorte en bekering, door een vrome moeder ingeprent, kreeg ik zeer vroeg in te zien en wel zo, dat de minste ongesteldheid, welke ik gewaar werd, mij in uiterste benauwdheid bracht, uit vrees onbekeerd te zullen sterven en dan in de hel aan te landen. De angst mijner ziel was vaak zo groot, dat ik alle verborgen plaatsjes zocht, waar geen menselijk oog mij kon bespieden, en waar ik dan soms bitter wenend mijn kinderhart voor God uitstortte. Of mijn ouders daar ooit iets van gemerkt hebben, ik kan het haast niet geloven, want ik was er zo ontzaglijk bevreesd voor ontdekt te worden, dat ik met de meest mogelijke zorgvuldigheid mij zocht te verbergen. Soms had ik een zeer kleine hoop, doch meestal was ik vol vrees voor zelfbedrog. Van tijd tot tijd wisselde dit af met een toestand, waarbij het was, of dat vuur van binnen was uitgedoofd. Maar dat duurde meestal niet lang. Eens was het de ernstige ziekte van mijn moeder, of op een andere tijd (ik was toen al wat ouder geworden) werd ik verontrust door oorlogsgeruchten; later kreeg ik een vreselijke leverziekte en telkens moest nu het ene, dan weer het andere mij in de engte brengen. Zelf nog niet gered, zag ik niet alleen gevaar voor mijzelf, maar ook voor anderen, zodat ik alle mensen wel had willen waarschuwen. Op mensen, die God vreesden, gevoelde ik een bijzondere betrekking. Die zag ik met grote jaloersheid aan. Ik las en zocht overal naar kenmerken van genade om toch te weten, of ik gered was, ja dan nee. In mijn onkunde zocht ik het dan bij mensen, wat alleen bij de Heere te vinden is. Zo heb ik getobd en geworsteld of het de Heere behaagde mij door Zijn Geest en Woord nader te onderwijzen. Steeds meer en meer aan mijzelf ontdekt, kreeg ik te zien, hoe ijdel mijn pogen was, om kracht en troost te zoeken in eigen gerechtigheid. Toen eerst werd mij Christus recht dierbaar en noodzakelijk. En toen ik kennelijk de trekkende liefde des Vaders in mij gewaar werd, en tot gelovige omhelzing kwam van Christus, Die ik in Zijn profetisch, in Zijn hogepriesterlijk en in Zijn Koninklijk ambt nodig had, en mij aan Hem mocht kwijt worden, toen is mij recht duidelijk geworden, wat het zegt, als Paulus spreekt van Christus ‘Die uw leven is’. Toen de tijd was aangebroken, dat ik belijdenis des geloofs zou afleggen, kon ik in waarheid zeggen dat ik, met hoeveel gebrek dan ook, de Heere vreesde van mijn jeugd af aan’.

De prediking van Jac. Wisse

Eén van zijn preken heeft Wisse als volgt besloten. Dit slot is typerend voor de inhoud van zijn prediking.

‘En van wat stand of leeftijd ge ook zijt, er kan onmogelijk ware rust en vrede in uw ziel zijn, zolang gij de bewustheid mist, met God verzoend te zijn door de dood van Zijn Zoon.

Eén wenk van Gods almacht was genoeg om de goddeloze koning Belsazar te doen trillen als een riet. Eén wenk van de Almachtige en alle aardse en ijdele vreugde is in droefenis en weemoed veranderd. Eén wenk van Hem, in Wiens hand aller leven en adem is, en de sterkste moet smelten als sneeuw voor de zon.

Met één wenk van Zijn alvermogen maakt de Heere de leugengeest beschaamd, doet Hij de spotter verstommen, en zien we alle wijsheid van mensen in dwaasheid veranderd. Daaruit blijkt op afdoende wijze, hoe gelukkig, hoe rijk gezegend het volk is, dat met de profeet uit Israël kan zeggen: ‘De Heere is mijn deel, zegt mijn ziel, daarom zal ik op Hem hopen’.

Tegenover al de eisen van Gods heilige wet, tegenover al de lasteringen van de satan, tegenover al de beschuldigingen van uw geweten kan alleen dit bemoedigen en troosten, als je met gelovige toe-eigening het apostolisch woord tot het uwe moogt maken: ‘Christus is een verzoening, ook voor mijn zonden’. Dan ziet u in uw Borg en Middelaar uw zonden gestraft. Dan ziet u in Hem uw rechtvaardigheid voor God. Het handschrift der zonde, dat tegen u was, is dan aan het kruis verscheurd, en ook voor u riep uw Verlosser met stervende lippen aan het vloekhout op Golgotha: ‘Het is volbracht!’

Waar nu de oorzaak van alle vijandschap is weggenomen, heil en vrede door Christus is aangebracht, en u uit genade bent aangenomen om Christus’ wil tot een kind van God, daar staat de belofte van de Heere eeuwig en onwrikbaar: De Heere zal u niet begeven noch verlaten. Wat u aanvankelijk leerde verstaan, toen de Heere u trekken, leiden en onderwijzen kwam, dat zal nog de grondtoon uitmaken van uw zwanenzang op aarde: ‘Christus een verzoening voor mijn zonden!’

In dat zalig bewustzijn vreest u dood noch eeuwigheid. Dan leeft en sterft u voor rekening van Hem Die met Zijn dierbaar bloed u kocht. En wat vijand u het recht wil betwisten op het hemelse Kanaän, op die zalige erfenis – geen nood; want de Heere getuigt in Zijn Woord in betrekking tot de Middelaar der verzoening: ‘Zovelen Hem aangenomen hebben, die heeft Hij macht gegeven kinderen Gods genaamd te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven’. Daarvan verzekerd en tenvolle bewust, juicht Gods strijdend en lijdend Sion: ‘Die gunst heeft God Zijn volk bewezen, opdat het altijd Hem zou vrezen’.

Slot

In de 21e eeuw is geen ander Evangelie nodig dan in de 19e of het begin van de 20e eeuw. De noties die wij vinden in de prediking van Van Lingen en Wisse moeten ook nu in de prediking worden gevonden. Laat onze bede zijn dat dit alom zo mag blijven of zo mag worden. Dan denk ik aan de Christelijke Gereformeerde Kerken die in 1892 werden voortgezet, aan de kring van de Confessionele Vereniging waarvan Van Lingen één van de oprichters was, aan de Hersteld Hervormde Kerk, de Gereformeerde Gemeenten of welke kerkelijke kring ook. Wat wij nodig hebben, hebben anderen ook nodig. En wat anderen nodig hebben, hebben wij ook nodig.

Van der Ham gebruikt de volgende woorden om de prediking van Wisse te kenmerken.

‘Hij preekte wet en Evangelie:

Tegenover de schuldbrief – de kwitantie

Tegenover de schuld – het offer

Tegenover de dood – het eeuwige leven

Tegenover de hel – de zalige hemel

Tegenover het verloren kind – de reddende Vader’.

Laat ons gebed zijn dat de prediking alom deze kenmerken vertoont.