Kerknieuws
Gereformeerde Gezindte
Openingspagina
Boekbespreking
Foto's
Persoonlijk
Kerkbodes
Spreuk van de week
Overig
Ware gebeurtenissen
Kerkelijk leven
Jongerenrubriek
Muzikale pagina + agenda
Columns
Links
Uw aandacht voor:
Jongerenrubriek

Dit is een rubriek voor jongeren waar uiteenlopende onderwerpen vermeld zullen worden. Heb je iets interessants om te publiceren of je hebt een vraag waar je mee loopt, laat het weten via: grava@solcon.nl

In de zeef van satan 

'Simon, Simon, ziet, de satan heeft ulieden zeer begeerd om te ziften als de tarwe, maar Ik heb voor u gebeden dat uw geloof niet ophoude.'
(Lukas 22:31)

Saartje Donker las als naar gewoonte haar Bijbel. Toen ze aan dit woord kwam ging er een rilling langs haar leden. Geen wonder!

Aan dat woord was voor haar bange herinnering verbonden. 't Deed er haar weer aan denken, hoe zij als op de zeef van satan gelegd en geschud was. Zó vreselijk, dat ze nooit had gedacht, dáár meer uit te kunnen komen. En toch was de uitkomst goed geweest.

Ze was onder de schudding behouden gebleven. Ze had het ontzettende gebeuren overleefd, ja was gezuiverd en gereinigd uit de zeef gekomen. Daarom moest nu ook bij de herinnering toch de rilling plaats maken van dankbare blijdschap. O, de Heere, haar God, had haar uitgeholpen, had haar doorgeleid, haar bewaard, was haar ondanks alle benauwing toch alles gebleven. Dat kon alleen, omdat ook voor haar gegolden had: "Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude."

Saartje Donker was nu al een oude vrouw geworden. Haar man was reeds lang overleden, haar kinderen waren allen getrouwd. Nu leefde ze alleen in een klein huisje van een pensioentje, dat voor haar onderhoud ruim voldoende was. Ze was een wijze vrouw, die de Heilige Schrift ernstig en biddend onderzocht en er dan ook met grote kennis en geheiligd inzicht over spreken kon. Ze was waarlijk een moeder in Israël, die voor velen tot troost was. Ze had dan ook een harde en zware leerschool gehad, waar ze overigens de Heere nu ootmoedig voor dankte.

Als meisje van tweeëntwintig jaar was zij tot bekering en ook, zoals men in Middeldam op de vrome gezelschappen zei, tot 'volle ruimte' gekomen. Ze had een helde verstand en gebruikte dat toen ook in de dienst des Heeren. Niet alleen sloeg ze zondags nooit een kerkdienst over, maar ze ging ook in de week naar Bijbellezing en las, als ze 's avonds in de keuken in 'haar dienst' zat, veel godsdienstige boeken, 'preken en oude schrijvers' vooral. Bovendien was ze zondagsavonds altijd 'op gezelschap' bij Meulders. Daar werd ook veel verhandeld en al was het niet altijd van eenzijdigheid vrij, er viel toch ook nogal wat te leren.

Op die gezelschappen had ze Arie de Roos leren kennen, met wie ze verloofd en - toen ze zesentwintig jaar werd - getrouwd was.

De Roos was een Godvrezende jongeman wiens hart stellig niet minder dan dat van zijn vrouw naar de geestelijke dingen uitging, maar die, van meer gesloten natuur, er niet zo vlot en gemakkelijk over spreken kon dan Saartje. Hij benijdde zijn vrouw wel eens, als hij zag, hoe spoedig ze ook moeilijke gedeelten uit het Woord van God begreep, hoe duidelijk zij haar gedachten kon uitdrukken en hoe ze eigenlijk altijd een gepast woord klaar had.

Toch - hij zou het nooit hebben durven of willen uitspreken - was hij wel eens bevreesd voor die gemakkelijkheid van zijn vrouw. Hij praatte het in zichzelf altijd weer weg, maar toch - hij merkte weleens iets bij haar, dat op hoogmoed ten aanzien van het geestelijk bezit geleek.

Werkelijk was dit ook wel Saartje's zwakke zijde. Heel verklaarbaar overigens. Ze had veel genade ontvangen, zodat ze zich in het volle bewustzijn van haar rijke geloofsbezit mocht verblijden en onder de broeders en zusters met helderheid kon getuigen. En ze kon dat laatste te gemakkelijker, omdat ze de zaken met haar verstand scherp onderscheidde. Daardoor echter werd ze vooral in de kring van het gezelschap een belangrijk persoontje, aan wier oordeel waarde gehecht werd, naar wie men graag luisterde.

Soms zei een van de vrienden, dat hij zo jaloers op het geloofsleven van Saartje kon worden. Saartje sloeg zulke lof wel af, maar toch deed het haar meer kwaad dan goed. Nu, op haar oude dag, wist ze 't wel goed, hoeveel er toen soms in haar ziel bedorven werd door al dat praten over haar geloofsleven in vergelijking met dat van anderen. Maar toen had zij er niet zoveel erg in. Ze was ook oprecht in haar bidden tot God en de liefde tot de dienst en het volk des Heeren was levendig. Maar satan, de grote zielsvijand, wist wel, waar hij Saartje treffen moest. Hij ging wel nauwkeurig de ontwikkeling van het hoogmoed-angeltje bij haar na en hij voedde en onderhield het.

Naarmate Saartje ouder werd, kreeg ze al meer een plaats van betekenis onder de gezelschapsmensen. Allen, ook haar man, zagen hoog tegen haar op. In haar gezinsleven was zij voor de kinderen een moeder, die wist te onderwijzen in de vreze des Heeren en die de lieflijkheid van 's Heeren dienst kon laten zien.
En God had ook haar gezin gezegend. De kinderen wandelden in de weg der godsvrucht. Reeds drie hadden belijdenis van hun geloof afgelegd en de jongere twee gaven goede hoop, toen Arie en Saartje hun vijfentwintigjarige echtvereniging herdachten.
Wél had de Heere Zijn gunst betoond. 't Werd in brede vriendenkring herdacht. Toen werd er veel gesproken, en niet het minst over Saartje, over het voorrecht van de man om zo'n vrouw en van de kinderen om zulk een moeder te hebben. Ach, 't was alles zo goed bedoeld. Maar Saartjes 'oude mens' werd er door gestreeld, satan porde aan en prees in haar hart mee en zo moest de ootmoed, die het echte sierlijke kenmerk van alle vroomheid is, worden teruggedrongen.

Een paar dagen daarna, toen alle feestelijkheid voorbij was, hoorde Saartje tot haar ontsteltenis het verhaal van een man, die zonder hoop gestorven was. Ze kende hem zo goed. 't Was er een uit de kring, waarin ze vroeger altijd verkeerde, een man, die altijd zo goed had kunnen meepraten, die onder de 'eikenbomen' werd gerekend. En nu, op zijn sterfbed, had hij verklaard, niets te bezitten, alleen zichzelf gezocht te hebben en nu onverzoend voor de eeuwigheid te staan.
Saartje kon er 's nachts niet van slapen.

En toen deed satan zijn felle aanval, om haar in zijn macht te krijgen. Zoals met die man, zo was 't met haar ook. Had ze zich niet gestreeld gevoeld, als ze geprezen werd? 't Was immers alles, ook bij haar, hoogmoed. Om een naam te hebben onder de vrome mensen. Natuurlijk loog satan, zoals hij altijd liegt, als hij de zielen verleiden wil.
Neen, Saartjes hart was wel waarlijk door Jezus ingenomen. Maar wél had de zonde van hoogmoed lichtelijk vat op haar gehad. O, ze had het in haar beste ogenblikken onder tranen aan God beleden. Zo wilde ze ook nu, bij deze aanval, bidden tot de Heere om haar schuld te belijden en kwijt te worden.
Doch het was, of ze niet tot bidden kon doordringen.
"Geen wonder," zei de verleider, "hoe zou een huichelaarster kunnen bidden? Ze zou haar zonden maar meerder maken."
Bange twijfel vervulde Saartje's ziel. Had niet die stem gelijk? Was niet alles om haar zelf geweest, om eigen eer?
"Maar mijn ziel vond toch de vertroosting van de vergeving en daarin heb ik toch mogen roemen?" bracht een andere stem er tegen in.
"Inbeelding, gestolen geloof," vonniste de harde vleselijke stem.

Ze kon er niet uitkomen. Ze wilde bidden, maar ze had geen gebed; ze wilde strijden, maar ze had geen wapenen. Eindelijk viel ze in slaap, maar om weer uit bange droom te ontwaken.

Nooit had ze de bestrijding van satan zó gekend. Hoe blij was ze toen het morgenlicht doorbrak. Dat nam althans iets van de benauwenis, die in 't donker zo groot was, weg. Zodra mogelijk, stond ze op, veel vroeger dan anders. Ze haastte zich en had de thee ongewoon vroeg klaar. Toen haar man om half zeven de huiskamer binnenkwam, was ze tot zijn verbazing al hard aan 't werk. Ze was tóch wakker, zei ze, daarom was ze maar gauw begonnen, dan was ze vroeg klaar. Doch hoewel ze zo vroeg was, deed ze alles gejaagd. 't Was alsof iemand haar op de hielen zat. Daarom moest ze in spanning wezen, in gestage beweging. O, ze was bang voor de rust, want dan kwam de benauwenis opnieuw in alle felheid op haar aan.

Als de bel ging, vloog ze naar voren. Bakker en melkboer waren nog nooit zo vlug opengedaan als nu. De leveranciers maakten een praatje, zeiden dat het weer veel zachter was dan gisteren. "Jawel," zei Saartje, maar ze wist niet, waarop ze het zei. 't Was of heel haar leven ingeklemd was.
Vreselijk vond ze het, om zo alleen in huis te zijn en toch wist ze niet, of ze tegen gezelschap nog niet meer moest opzien.

's Middags aan tafel was ze ook al gejaagd, at weinig, sprak weinig met haar man, aan wie dit reeds dadelijk opviel, ofschoon hij er toch nog niets van zei.
Toen hij uit de Bijbel las, kreeg ze wel wat lucht. Johannes 6 was aan de dagbeurt. Zie, dat klonk zo verkwikkend: "Voorwaar, voorwaar zeg Ik u; die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven. Ik ben het Brood des Levens. Uwe vaders hebben het manna gegeten in de woestijn en zijn gestorven. Dit is het Brood, dat uit de hemel nedergedaald is, opdat de mens daarvan ete en niet sterve."
Ja, dat wist Saartje, dat Jezus het Brood des Levens was. Daarvan had ze toch ook gegeten en dus zou ze niet sterven in der eeuwigheid.

Haar man deed een eenvoudig dankgebed, sober als altijd, maar waarin hij ook dankte voor dat Levensbrood, dat zij ook in geloof hadden mogen eten. 't Was bij Saartje weer wat opgeleefd. Daar was weer verheuging, zij het dan met beving. Doch toen De Roos weer naar zijn werk was, toen hervatte de Boze zijn aanval.
"Ja, ze had zich blij gemaakt met het Brood des levens, maar had ze niet gehoord, dat juist in dit hoofdstuk stond, dat velen Jezus maar gevolgd waren om de spijze, die vergaat, dat vele discipelen terug gingen en niet meer met Jezus wandelden?"
Saartje greep weer naar de Bijbel. Ja, daar stond het wel, dat de grote schare Jezus niet bleef volgen, en wat verder, dat Jezus Zelf tot Zijn discipelen zei: "Heb Ik u niet twaalf uitverkoren en één uit u is een duivel?"
"Ziet ge," zei de stem weer, "die één dacht ook wel, dat hij het brood des levens had. Maar hij was Jezus gevolgd om bijoorzaken." En toen wierp satan Saartje allerlei zonden en vooral de hoogmoed in haar ziel. Eén uit u is een duivel, dat zou stellig ook op haar van toepassing zijn. Ze wierp zich in haar angst op de knieën, maar vond weinig verlichting in haar gebed.

Zo worstelde ze de dag door, tot 's avonds haar man en twee kinderen thuis kwamen. Van de andere drie was de oudste zoon getrouwd, terwijl twee meisjes dienden. De Roos zag weer duidelijk aan zijn vrouw dat er iets niet in orde was en vroeg, toen hij na het eten met haar alleen was, naar de oorzaak.
Ze kon het haast niet zeggen, maar eindelijk barstte ze in tranen uit, vertellend haar bange vrees, dat al haar geloof inbeelding was en dat ze nog verloren zou gaan.