Kerknieuws
Gereformeerde Gezindte
Openingspagina
Boekbespreking
Foto's
Persoonlijk
Kerkbodes
Spreuk van de week
Overig
Ware gebeurtenissen
Kerkelijk leven
Jongerenrubriek
Muzikale pagina + agenda
Columns
Links
Uw aandacht voor:
Kerkelijk leven

 

1.      In Staphorst preken is een belevenis en wat verder volgt (ds. W.J. op ’t Hof, Gameren): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 29 september 2017 onder de berichten van de Hervormde gemeente van Driedorp   2

2.      Uit de herdershut: Knobbel en hobbel (ds. M. van Reenen, Oldebroek): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 29 september 2017 onder de berichten van de Hersteld Hervormde gemeente van Oldebroek  5

3.      Het Evangelie van Jezus Christus (1; ds. A. Kos, Middelharnis): gelezen in ‘Onder de vijgenboom’ van 1 november 2017 als samenvatting intredepreek. 7

4.      Reformatieherdenking (ds. A. Kos, Middelharnis): gelezen in ‘Onder de vijgenboom’ van 1 november 2017 onder de berichten van de Hersteld Hervormde gemeente van Middelharnis/Sommelsdijk. 9

5.      Voor u gelezen: Elkaar vermanen (8; ds. M. van Reenen, Oldebroek): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 6 oktober 2017 onder de berichten van de Hersteld Hervormde gemeente van Oldebroek. 10

6.      Bij de tijd: onthullende reclame (ds. M. van Reenen, Oldebroek): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 6 oktober 2017 onder de berichten van de Hersteld Hervormde gemeente van Oldebroek. 11

7.      De Heere doodt en maakt levend (ds. R.P. van Rooijen, Oosterwolde): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 29 september 2017 onder de berichten van de Hersteld Hervormde gemeente van  Oosterwolde   13

8.      Evangelisatie-ervaringen (EC Putten): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 6 oktober 2017 onder de berichten van de Hersteld Hervormde gemeente van Putten. 15

9.      Oud en toch nieuw (14; kerkenraad Wapenveld/Wezep): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 29 september 2017 onder de berichten van de Hersteld Hervormde gemeente van Wapenveld/Wezep. 16

10.    De vissers en hun passende namen (ds. M. van Kooten, Elspeet): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 29 september 2017 onder de algemene berichten. 17

In het vervolg zult u geen korte beschrijving meer aantreffen onder de diverse hoofdstukken. In het voorwoord (in de mail) schrijf ik nog wel enkele zaken die van belang zijn!


1.In Staphorst preken is een belevenis en wat verder volgt (ds. W.J. op ’t Hof, Gameren): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 29 september 2017 onder de berichten van de Hervormde gemeente van Driedorp

Op zondag 17 september heb ik in Staphorst gepreekt. Dat is altijd een hele belevenis. Het is de grootste gemeente van de Hersteld Hervormde Kerk en Staphorst heeft dan ook het grootste kerkgebouw binnen dat kerkverband: naar verluidt telt het 2350 gewone zitplaatsen. Daar komt bij dat het volgens mij de enige kerk is waar je tientallen dames in klederdracht onder je gehoor hebt. Klederdracht trekt mij altijd aan. Het zal wel te maken hebben met mijn historische besef en met mijn ontvankelijke gemoed. Velen zullen het nostalgie of iets anders noemen, welnu, dat zij dan maar zo. Maar er zijn meer zaken die het preken in Staphorst tot een belevenis maken. Eigenlijk begint het al wanneer je bij de kerk komt. De deuren van het kerkgebouw worden pas twintig minuten voor aanvang van de kerkdienst door de koster opengedaan. Dit heeft tot gevolg dat er op het moment dat de deuren open gaan reeds honderden mensen staan te wachten. Vóór de middagdienst zoveel dat ze tot op de weg toe staan. Dat is een indrukwekkend gezicht. En een verademing voor de Driedorpse oefenaar die vaak voorgaat in diensten waar het kerkgebouw bepaald niet vol zit, laat staan dat er mensen voor de deur staan te wachten.

De Staphorster kerk heeft een prachtig interieur voor zo’n bakbeest van een gebouw. Als je als mannetje met een klein postuur zoals ondergetekende de kerkruimte binnenkomt, voel je je o zo nietig. Dat is geen slechte gang voor een voorganger die heeft te prediken dat een mens niets is, dat de Heere alles is en dat hijzelf slechts een mannetje uit het stof gerezen is. En zingen dat ze in Staphorst doen! Dat zal ook wel te maken hebben met het interieur. De galerij is verdeeld over een groot gedeelte van de kerk en telt niet minder dan zes afdelingen. Bij het zingen lijkt het voor de voorganger erop dat hij bestookt wordt met een bombardement van geluid….

Voorts zal het ook wel weer een afwijking van mij zijn, maar dat gedragen psalmgezang gaat mij in positieve zin door merg en been. In mijn jeugd heb ik in zondagse erediensten nooit anders dan jachtig orgelspel en derhalve dito zingen gehoord. Maar geef mij maar een gedragen tempo. De ambachtelijke kunstschilder Rien Poortvliet, die behoorde tot de toen nog bestaande Gereformeerde Kerken in Nederland, kwam in zijn tijd graag op vakantie in Ouddorp, onder andere om het tempo van zingen. Die man genoot niet alleen zichtbaar daarvan, maar hij deed zijn mond ook zo ver mogelijk open om zelf actief mee te doen. Maar nu betrap ik mijzelf er weer op dat ik ga afdwalen. Dus van Ouddorp terug naar Staphorst.

De eerste keer dat ik in het nieuwe en kolossale kerkgebouw in Staphorst preekte, kreeg ik aan het eind van de dienst de schrik van mijn leven. Voor mij totaal onverwacht stond de hele gemeente na het zingen van het laatste vers op van de zitplaatsen, terwijl het orgel nog speelde. Dat was en ben ik helemaal niet gewend. Maar het ergste was dat de Staphorster nieuwe kerk klapbanken kent. Als dan 2350 mensen opstaan, wordt er zo’n lawaai geproduceerd dat horen en zien je op de kansel vergaat. Bibberend onderging ik dat geluidsgeweld en vroeg ik mij af wat er aan de hand was. Wel, niets, maar in Staphorst gaan ze net even eerder staan dan elders. Mij deed dat denken aan een zogenaamde ‘luchte’ gemeente. Maar in Staphorst hebben ze daar geen boodschap aan. En gelijk hebben ze!

Toch is er één ding dat mij in een Staphorster eredienst hogelijk verbaast. Men wil – zeer terecht! – een prediking dat de Heere alles doet en dat een mens alleen maar tegenwerkt. Het is daarom dat ikzelf van de allereerste keer dat ik op de kansel stond af tot nu toe dat ik uitdrukkelijk vóór het grote gebed aangeef dat wij onder andere gaan vragen om de verlichting door de Heilige Geest. De Geest moet het licht maken. Maar wat moet een prediker op de Staphorster kansel? Die moet als eerste handeling op een knop drukken en zelf het licht ontsteken! Dat klopt natuurlijk niet. Volgens mij is dat technisch eenvoudig te veranderen en te verbeteren.

Verder hebben ze in Staphorst een gebruik dat ik vroeger ook in Ouddorp heb meegemaakt. Je wordt door de dienstdoende ouderling van je gastadres opgehaald en naar de kerk begeleid. Na de dienst gaat diezelfde ouderling met je mee naar het gastadres en blijft daar tussen de middag mee-eten. Vervolgens escorteert hij na het eten je opnieuw naar de kerk. Na de middagdienst word je door de dienstdoende ouderling – een andere dan ’s morgens – weer naar het gastadres gebracht. Ook deze ouderling gaat mee naar binnen, maar vóór het avondeten neemt hij afscheid, behalve als het een weduwnaar betreft, want die blijft dan wel mee-eten. Het mooie van dit alles is dat je soms tot een diep, geestelijk gesprek komt.

Op de één of andere manier heb ik een band met die kolossale gemeente. Dat is eigenlijk verwonderlijk, want ik voel mij gewoonlijk beter thuis in een kleine kerk dan in een grote. Ik denk dat het komt omdat ik daar ooit beroepen ben geweest. Een beroepingstijd was voor mij nooit gemakkelijk. Je loopt in zo’n tijd altijd wel met de desbetreffende gemeente in je hoofd, is het niet in je voorhoofd dan wel in je achterhoofd. Het gevolg is dat er toch meer band met zo’n gemeente in je leven is gekomen dan met de meeste andere gemeenten die je nooit hebben beroepen. Dat zal wel niet voor iedere voorganger gelden, maar voor mij in elk geval wel, en zeker als het om Staphorst gaat. Ik wil ook wel verklappen dat als het aan mijn dierbare directrice had gelegen, ik het beroep naar Staphorst had aangenomen. Zij wilde daar wat graag naar toe. Nu is de lezer er al van op de hoogte dat ik net als de meeste zo niet alle mannen weinig tot niets in huize op ’t Hof heb in te brengen, maar op één gebied heeft de directrice niets te zeggen. Dat is het terrein van het ambt en met name van het beroepingswerk. Ik werd niet losgemaakt van Ouddorp en kreeg geen onweerstaanbare trekking naar Staphorst, dus ik bedankte. Eerlijkheidshalve moet ik toegeven dat ik toen niet beseft heb wat dat bedankje voor Staphorst betekende. Deze gemeente had het namelijk sinds mensenheugenis nooit meegemaakt dat een dominee bedankte. Het is goed voorstelbaar dat de eerste keer dat dit wel gebeurde een traumatische ervaring voor die gemeente was. Ondertussen heeft Staphorst recentelijk diverse bedankjes moeten ondergaan. Het vervelende is echter dat ze in Staphorst die eerste keer nooit meer zijn vergeten. Iedere keer als ik er preek, krijg ik het nog op de één of andere wijze te horen, ook de afgelopen keer nog.

In de week voordat ik naar Staphorst afreisde, haalden mijn vrouw en ik herinneringen op aan het bezoek dat wij ooit in verband met het beroep naar Staphorst brachten. Toen zei mijn echtgenote: ‘Weet je nog dat wij na de geboorte van – ik weet niet welk kind – een heerlijke Staphorster krentenwegge kregen?’

Zelfs ik herinnerde mij dat, want als je eenmaal zo’n wegge hebt geproefd, ben je verkocht!

Zoals alle mannen – neem ik aan, maar misschien zijn er gunstige uitzonderingen – had ik het één en ander met mijn vrouw goed te maken. Onderweg in de auto naar Staphorst kwam er een plannetje in mij op. Op mijn gastadres vroeg ik aan de vrouw des huizes (ook al heeft ze een man) of ik maandagmorgen vroeg bij bakker….(ik mag op deze plaats geen reclame maken) terecht zou kunnen voor een krentenwegge. Voordat ik verderga moet ik eerst even schrijven wat dat gastadres inhoudt. Als je Staphorst van de rijksweg binnenkomt, is het één van de eerste prachtige Staphorster boerderijen die je tegenkomt. Zo’n boerderij kent een enorme ruimte. Vaak woont er meer dan één generatie in. Dat is op het gastadres niet het geval, dus heb je als prediker een hele afdeling van de boerderij voor jezelf: een slaapkamer, een zitkamer en een toilet. Zijn de omstandigheden voor de uiterlijke mens al geweldig, dit geldt niet minder voor de inwendige mens. Wil je tijdens die ene zondag niet aankomen, kun je beter de week ervoor en de week erna vasten. De lezer zal denken: ‘Dat ligt aan uzelf, voorganger van Driedorp, dan moet u maar beleefd en vriendelijk maar resoluut afslaan’. Arme lezer, dan hebt u buiten de waardin gerekend! Die kan zo praten dat je de koeken en de kost al in je mond hebt voordat je er erg in hebt. Vrouwen zijn wat, maar Staphorster vrouwen nog (veel) meer. Let wel, ik schrijf ‘meer’ en niet ‘erger’. Ik voeg dit maar toe, want anders word ik weer ergens van verdacht. En met dames kun je beter maar geen ruzie krijgen.

Waar ben ik ook alweer gebleven? O ja, bij mijn gastvrouw die vrouwe des huizes is. Ik wilde maandagmorgen graag op tijd op huis aan en de bakkerswinkel zou pas om half negen open gaan.

Mijn gastvrouw zag aan mijn gezicht dat ik dat wel wat laat vond. Zonder iets te zeggen belde ze op maandagmorgen om kwart vóór zeven de bakker op. Later herhaalde ze woordelijk wat ze toen gezegd had. ‘Dominee op ’t Hof wil graag vóór half negen naar huis, maar hij wil ook graag een krentenwegge kopen. Bakker, weet jij een oplossing voor dit probleem?’

Zo’n slimme aanpak was in mijn hoofd niet opgekomen. Daar moet je nu Staphorster vrouw voor zijn. Die is alle mannen de baas. Eerst zei de bakker dat de krentenweggen nog in de oven zaten, maar op zachte aandrang van de belster liep hij naar de oven en daar ging de bel net af ten teken dat ze eruit gehaald konden worden. Wat nu volgt, heeft zij mij niet zelf verteld, maar ik verdenk haar ervan. ‘Zal de dominee de wegge zelf komen halen?’

Maar ze wist dat de bakker toch om die tijd langs haar huis zou rijden. Er restte de bakker niet anders dan te zeggen: ‘Dat hoeft niet hoor, want ik kom toch langs. Het is een kleine moeite om die bij jullie aan te brengen’.

De bakker was een uiterst vriendelijke man. Nu heb ik liever te doen met vriendelijke mensen dan met zo’n mopperaar als ikzelf ben. Maar toen hij zijn mond opendeed, werd hij mij nog liever. Toen ik naar buiten ging om de krentenwegge van zo’n halve meter aan te pakken en te betalen – de prijs viel mij die totaal geen benul van dat soort zaken heeft, geweldig mee! -, begroette ik hem met ‘Goedemorgen’. En weet u hoe hij toen reageerde? ‘Ja, dat is wat anders dan ‘hoi’.

Met deze reactie was ik blij, want die betekende dat hij de morgenpreek tot zich had genomen. In die preek had ik mijn afschuw uitgesproken over de gebruikelijke groet van tegenwoordig ‘Hoi’. Zo’n groet stelt niets voor en heeft geen inhoud. De tekst van die preek behelsde drie woordjes uit Openbaring 1 : 4: genade zij u. Ik had laten zien dat een groetenis in de Bijbel een diepe inhoudt kent. Zo kregen we een kort gesprekje over de preek.

Ik weet niet of het tekenend voor de Staphorster gemeente is, maar het gesprekje met de bakker was niet de eerste reactie op het ‘Hoi’. ’s Middags waren er een paar kerkenraadsleden die aangaven dat naar aanleiding daarvan in hun gezin een gesprek met hun jeugd op gang gekomen was over de inhoud van de preek. Er zullen lezers denken: ‘als het niet meer is…’

Deze voorganger is echter net een kind: om het kleinste al blij!

n.a.v. Contactmiddag:

Op diverse adressen van bejaarden kreeg ik complimenten voor mijn vrouw wegens de koekjes die zij had gebakken. Die complimenten heb ik uiteraard graag doorgegeven. Van de zomer was het vijftig jaar geleden dat ik verkering met mijn vrouw heb gekregen en ik kan vanuit een halve eeuw ervaring getuigen dat zij op bakgebied haar hand nergens voor omdraait. Er is één probleem met haar bakproducten: ze zijn te klein of te weinig…

Zij hoopt op de contactmiddag weer één of ander zelfgebakken product te laten smaken. Ik schrijf ‘ons’, maar als u het onderstaande stukje leest, zult u begrijpen dat ik het misschien met een appel moet doen. Versta mij echter goed: niets ten nadele van fruit. Maar baksels van mijn vrouw smaken altijd goed, zelfs misbaksels!

Als je een vrouw een halve vinger geeft, neemt ze voordat je het beseft je hele hand. Mijn ex-verloofde heeft mij opgedragen u mede te delen dat zij op de contactmiddag eigengemaakte kaarten wil verkopen. Daarbij klonk het: ‘wee je gebeente als je het nu weer vergeet’. Ik had het namelijk van haar al in de kerkbode voorafgaande aan de eerste contactmiddag moeten vermelden, maar mijn spreekwoordelijke vergeetachtigheid speelde mij weer eens parten. De opbrengst van de verkoop is niet voor haarzelf, maar voor de gemeente Driedorp. In haar weinige vrije uurtjes heeft zij er – al dan niet samen met onze jongste dochter – plezier in om kaarten te maken. De bejaarden die de afgelopen maanden jarig zijn geweest, hebben als het goed gegaan is zo’n eigengemaakte kaart ontvangen. Mijn vrouw verkoopt de kaarten voor 1 luttele euro per stuk en zal braaf alle geld aan het bestuur van onze gemeente afdragen. Nu het toch over geld gaat nog iets anders. In gemeenten die ik hiervóór heb mogen dienen was het altijd gebruik dat er op een contactmiddag gecollecteerd werd. Eerlijk gezegd wist ik niet wat ik in Driedorp moest doen. Moest ik die zich in zijn ambtelijke werkzaamheden verre van het aardse slijk houdt, nu een collecte instellen? Het probleem werd voor mij opgelost. Op de morgen van de eerste contactmiddag was ik bij een bejaarde op bezoek. Die wide mij geld meegeven. Ik weigerde onder verwijzing naar wat ik daarover had geschreven. ‘Goed’, zei toen de bejaarde, ‘ik weet het goed gemaakt, ik geef het wel vanmiddag tijdens de contactmiddag’. Probleem uit de wereld en het bestuur werd €129,00 rijker.

Schatten

Ik word omringd door een uiterst zorgende vrouw, zoals de lezer intussen wel weet. Wat u niet weet, is dat ik ook vijf dochters heb. Zonder uitzondering zijn die nog heerszuchtiger dan hun moeder. Weet u gelijk van wie ze het hebben….

Terwijl ik het bovenstaande stukje schreef kreeg ik één van hen aan de telefoon. Weet u wat die naar aanleiding van de goede woorden over de geweldige ontvangst in Driedorp en Staphorst zei? ‘U moet in de kerkbode schrijven dat u geen koek(je) meer mag, maar wel een appel!’

Het zal je maar gezegd worden…En wat doet deze vader? Gehoorzamen! Bij dezen.

Toch kunnen de mannelijke lezers jaloers op mij zijn: is deze zorg niet ontroerend en lief? Ze gedragen zich soms als katten, maar ze zijn zes schatten!

Een ieder van harte gegroet en waar aardse schatten vergaan die enige Schat toegewenst die de mot en de roest niet kunnen verderven, mede namens mijn oude schat.

 

2.       Uit de herdershut: Knobbel en hobbel (ds. M. van Reenen, Oldebroek): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 29 september 2017 onder de berichten van de Hersteld Hervormde gemeente van Oldebroek

Er zijn predikanten die bijna iedere week wel een doordeweekse (s)preekbeurt vervullen. Ik heb altijd wel waardering voor zulke ambtsbroeders, en vooral voor hun gezin dat bereid is hen zo vaak (tot zaterdagavond aan toe) af te staan. Ik behoor duidelijk niet tot de categorie van predikers met een zó gevulde agenda. Dat geeft de gelegenheid om de beschikbare avonden meer te besteden aan het werk in eigen gemeente, en vooral kan ik nu in de meeste gevallen op vrijdag- en zaterdagavond in het gezin zijn. Toch was het mij goed om vorige week in een doordeweekse dienst voor te kunnen gaan, in Emst-Epe dit keer. Het gaf mij de gelegenheid nu eens bij avond de Knobbel over te fietsen. Vrijwel altijd ben ik daar de enige op een ‘gewone’ fiets, het lijkt wel of niemand meer de bossen durft trotseren zonder óf een racefiets óf een e-bike (behalve die ene keer: ik haalde een omhoogzwoegende vader en dochter in; zegt de één tegen de ander: ‘Dat is een e-bike’; mij ‘accu’ was echter een achterzitje).

In het avonduur was het nog rustiger dan anders. Behalve dan links van mij, waar de auto’s af en aan zoefden. Maar aan de rechterkant was het stille bos, dat al sinds tijden hossende paardenkarren, lopende militairen en af en toe fietsende predikanten heeft zien passeren. Deze avond was het echt stil. September: dan zingt er nauwelijks een vogel. Een enkele goudhaan piepte hoog in de bomen, een pimpelmees liet in de struiken een roepje horen, een winterkoning dook het fietspad over. De bladeren zijn nog eventjes groen, dus vielen nog niet ritselend naar beneden. Wind was er deze avond nauwelijks. Hoe schoon stonden daar de bossen. De weiden tussen Wissel en Emst lagen er nog groen bij, maar een deel van de maïsoogst was al binnen. Daar is men blijkbaar wat vlugger dan aan deze kant van de Veluwe. Een mens haalt ruimer adem in de buitenlucht, en zo is een rit van krap een uur niet gauw te lang. Dan is er veel te overpeinzen, en ik verbaasde me erover hoe veel gedachten een mens in 55 minuten hebben kan. Over allerlei zaken, en ook over de preek die ik houden zou. De drievoudige roep uit Openbaring 22: ‘Kom!’

De gemeente was trouw opgekomen, en het deed mij goed ook wat (hoewel niet veel) jeugd te zien. Het was de week van voorbereiding op het Heilig Avondmaal. Een rijke en belangrijke tijd. Je ziet de luisterende gezichten, en vraagt je af: wie van Gods kinderen zou hemelwaarts gericht zijn? Wie voelt de trekking naar de tafel, wie het uitzien naar straks, wie het hartelijk verlangen naar de hemelse Bruidegom? O, hoe waar is de psalm: ‘Uw komst is ’t die mijn heil volmaakt’. Ons verlangen is pas levend als Hij het levend maakt door Zijn lokkende stem en liefelijke gestalte. Ik hoop dat daar in Emst op zondag iets geproefd is van ‘de lieflijkheen van ’t zalig hemelleven’. En dat er iets van uit mag gaan, zodat mensen uit de wereld zeggen: ‘Wij zullen met ulieden gaan, want wij hebben gehoord dat god met ulieden is’.

Terug zag ik gewoon wat tegen de fietstocht op. Omdat het donker was en nog best een eind. Maar eigenlijk is er maar weinig zo heerlijk als fietsen in de donkerte onder een heldere sterrenhemel. Het bos was nog rustiger dan op de heenweg; bij tijden was er zelfs geen enkele auto waarneembaar. Daar maar even de fiets neergezet. Het was zo stil dat ik zelfs het suizen van mijn oren horen kon, en af en toe het vermoeden van een ritselend everzwijn. Toch confronterend. Juist in die stilte merkte ik, hoe gemakkelijk wij aan van alles denken, ook aan geestelijke zaken, zonder echt ‘bij God’ te zijn (Psalm 139 : 18). Maar Hij omringt ons en komt tot ons en van Zijn heil moeten en mogen wij het hebben. en zo werd – weer op de fiets gestapt – ‘mijn’ preek een preek voor mijzelf.

‘Kom, Heere Jezus’!

Na de Knobbel kwam de hobbel. ’s Maandags de eerste catechisaties. Het vierde seizoen alweer in uw midden. Dan weet je zo’n beetje hoe het gaat, je kent de jongeren die er komen. Ik zag er eigenlijk wel naar uit. Maar toen de maandag aanbrak, zag ik er toch ook wat tegenop, en ik begreep wel een beetje dat er predikanten zijn voor wie de catechisatie echt een hobbel is. De groepen zijn weer anders van samenstelling, en hoe zou de groepsdynamiek zijn? Zouden pubers volwassener zijn geworden, zouden de jongvolwassenen nog komen? Wat dat laatste betreft: sommigen zijn op kamers gegaan, anderen zijn om andere redenen gestopt (maar helaas heeft niemand van hen zich aangemeld voor belijdeniscatechisatie), dus de groep was aardig uitgedund. Maar ik was blij de vertrouwde gezichten weer om me heen te hebben en in de jongste groep nieuwe gezichten te zien (hoewel ook de jongsten me gelukkig vanuit het gemeenteleven al vertrouwd zijn).

De jongeren zullen ook zo hun hoge of lage verwachtingen hebben, en ik hoop dat die niet beschaamd worden. Daarvoor moeten zijn hun verwachting maar op de Heere, hun God stellen. Daar ben je nooit te jong voor, zo hebben we uit de geschiedenis van Josia vernomen. De tekst van zondagmiddag is bovenmate vertroostend – zeker na wat we hoorden van de jonge Manasse en van diens zoon Amon. Er is nooit een tijd te donker om de Heere te dienen, er is ook nooit een tijd zo donker dat de jeugd Hem niet kan leren kennen – zelfs als hun ouders ongelovig zijn en ongodzalig zouden leven. En dat zicht maakt de hobbel laag en de verwachting hoog. Veel stof tot bidden, genoeg reden om toch vooral uit te zien naar de volgende catechisatielessen. Ik hoop dat de Heere het zegent en dat u als ouder(e) daarvoor bij Gods genadetroon veel gevonden wordt.

3.       Het Evangelie van Jezus Christus (1; ds. A. Kos, Middelharnis): gelezen in ‘Onder de vijgenboom’ van 1 november 2017 als samenvatting intredepreek

Want de rechtvaardigheid Gods wordt in hetzelve geopenbaard uit geloof tot geloof; Romeinen 1 : 17a

  1. Noodzaak

Wanneer gaat het goed?

Wanneer gaat het goed met ons leven? Een bekende vraag. Ook vanuit Psalm 4: ‘Wie zal ons het goede doen zien?

Wanneer gaat het goed?

Als onze zorgen over zijn?

Of als we bereikt hebben wat we graag willen bereiken?

Wanneer zal het goed gaan in de komende tijd nadat we als gemeente en dienaar van het Woord aan elkaar verbonden zijn?

In diezelfde Psalm 4 geeft David het antwoord. De vraag klinkt tot David: Wie zal ons het goede doen zien? Om David en zijn metgezellen heen is de oogst in volle gang. Met de daaraan verbonden oogstfeesten van overvloed: koren en wijn.

Wie zal ons het goede doen zien, David?

Maar David heeft een ander goed voor ogen als hij bidt: ‘Verhef Gij over ons het licht van Uw aanschijn, o HEERE!’.

Ik moet denken aan een man, die regelmatig bij mijn oma kwam. Ze spraken dan over geestelijke dingen. Op een keer stond ik de stoep te vegen toen hij aankwam. Ik vroeg hem: Gaat het goed? Terwijl hij zijn been over het zadel zwaaide, zei hij: het gaat goed, maar het beste komt nog!

Wanneer gaat het goed met ons leven?

Op reis naar Zijn rechterstoel

Dit leven is niet eindeloos. Bovendien: we zijn op reis. Op reis naar Zijn rechterstoel. Om verantwoording af te leggen. Dat geeft een onvoorstelbare diepte aan de vraag naar het goede. Wanneer gaat het goed?

Dan alleen als we recht staan tegenover Hem!

Wanneer we mogen leven uit Hem, uit Zijn volheid ontvangen genade voor genade. Inderdaad Psalm 4. Dan gaat het goed, wanneer de Heere in gunst Zijn aangezicht ons toewendt. Om Christus’ wil.

Om Zijn werk en verdienste. Hij hing aan het kruis in de verlatenheid van Zijn God en Vader. Van Hem werd het aangezicht afgewend, toen Zijn Vader Hem tot zonde maakte. Opdat zondaren zouden zijn rechtvaardigheid Gods in Hem (2 Korinthe 5 : 21).

Andere vragen?

Maar zegt iemand misschien: zijn er dan geen andere vragen? Zeker zijn die er.

De vraag of God wel bestaat, vragen over schepping en evolutie, vragen over het lijden in deze wereld, vragen over de levensleiding van de Heere. In de Bijbel komen ze naar voren en we zullen ze (Deo Volente) tegenkomen wanneer we steeds weer onder Zijn Woord mogen komen.

En zegt iemand anders: zijn er niet andere punten die de Schrift ons aanreikt, zoals adoptie/aanneming tot kinderen, heiliging etcetera?

Zeker is dat het geval. Ook dat zullen we tegenkomen wanneer we steeds opnieuw luisteren naar dat waarmee de Heere in Zijn Woord naar ons toekomt. Maar de vraag naar het goede, de vraag naar de rechte relatie tegenover de Heere is en blijft toch de kern.

Kern

De kern blijft toch steeds de rechtvaardiging van de goddeloze. In ieder geval verwoordt Paulus dat als kern van de Romeinenbrief. In deze brief komen tal van andere zaken voorbij, zoals het lijden, aannemen tot kinderen, heiliging. Maar als hij de kern van de brief verwoordt in de verzen 16 en 17 van hoofdstuk 1 dan gaat het over de rechtvaardiging van de goddeloze. Dat is en blijft de basis: de rechte relatie met de Heere. Dat maakt dat de prediking altijd plaatsvindt in de hoogspanning van zonde en genade, waarbij achter de preekstoel als het ware de rechterstoel van Christus zichtbaar wordt (vergelijk zondag 31 Heidelbergse Catechismus).

  1. Gave

Vijanden

Zo schrijft Paulus dat: Ik schaam mij niet voor het Evangelie van Christus. Integendeel: het is een kracht van God tot zaligheid een ieder die gelooft. Want in dat Evangelie wordt de rechtvaardigheid van God geopenbaard.

Bij deze tekst gaan de gedachten als vanzelf terug naar Luther. Het was juist deze tekst, waardoor hij ging zien wat het Evangelie werkelijk is. Hij begreep de tekst eerst verkeerd. Hij dacht dat de rechtvaardigheid in de tekst ziet op Gods ‘eisende gerechtigheid’: de gerechtigheid die God van ons vraagt. Alsof het Evangelie een nieuwe wet is waar hij zelf aan moest voldoen. Zou dat waar zijn, dan komen we bij Romeinen 3 : 20: ‘Daarom zal uit de werken van de wet geen vlees gerechtvaardigd worden voor Hem’. Want er is niemand goed, niemand rechtvaardig. Integendeel: van nature zijn wij vijanden van God. Het is voor de Heere van tweeën één: ofwel wij zijn rechtvaardig of wij zijn goddeloos. Of wij staan in een rechte verhouding tot Hem, of wij zijn Zijn vijanden. Hoe netjes we ook zijn, of hoe degelijk en (in naam) rechtzinnig. Ik sprak eens een oude man. Ik vroeg hem iets van of hij de Heere Jezus mocht liefhebben. Hij zei dat dit niet het geval was.

‘Wel’, zei ik tegen hem, ‘dan bent u dus nog een vijand van God’. Hij schoot overeind en zei: ‘Nee, ik ben geen vijand van God’. Herkenbare reactie?!

Maar er is geen tussenweg. We kunnen eroverheen leven, we kunnen protesteren, we kunnen het negeren, maar de Bijbel zegt ons dit!

Hebben wij daarvoor leren zwijgen? Zoals Romeinen 3 : 19 dat zegt: Wij weten nu, dat al wat de wet zegt, zij dat spreekt tot degenen die onder de wet zijn; opdat alle mond gestopt worde en de gehele wereld voor God verdoemelijk zij. Zwijgen, buigend zwijgen voor Hem. Maar dan niet in verzet en toch belijdend: ‘Maar ik beleed na ernstig overleg, mijn boze daden’. Gena, o God, gena hoor mijn gebed. Dan gaat het niet meer over een ander, maar over mijzelf. Benauwend!

Nochtans

Maar hoe kon Luther dan toch zeggen dat de poorten van het paradijs voor hem open gingen? Als hij zo voor God stond? Als wij zo voor God staan? Luther ontdekte door Gods genade het geheim in deze tekst. Het gaat in Romeinen 1 : 17 niet om de gerechtigheid die God eist! Maar om de gerechtigheid die God geeft (zie ook Romeinen 3 : 21 en het vervolg). Deze God, Die rechtvaardig is én Die rechtvaardigheid eist, geeft Zelf waaraan wij nooit kunnen voldoen. Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verderve maar het eeuwige leven hebbe (Johannes 3 : 16). Hij gaf Zijn Zoon. Hij maakte Hem tot zonde. In plaats van zondaren. Legde de schuld van de Zijnen op Zijn schouder. De Rechtvaardige voor onrechtvaardigen. Ik voor u, daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven. En Hij verklaart in Christus rechtvaardig al wie in Hem gelooft. Op zo’n manier dat het is alsof ik zelf de straf had voldaan, en alsof ik zelf alles wat God eist had volbracht. Toegerekend. Niet van mij, maar ontvangen! Dat is werkelijk ‘amazing grace’! Of niet?!

4.       Reformatieherdenking (ds. A. Kos, Middelharnis): gelezen in ‘Onder de vijgenboom’ van 1 november 2017 onder de berichten van de Hersteld Hervormde gemeente van Middelharnis/Sommelsdijk

Het zal niemand ontgaan zijn dat we dit jaar 500 jaar Reformatie herdenken. Een moment om terug te denken, maar ook een moment van bezinning. Om ons af te vragen of de erfenis van de reformatie, met als kern de Bijbelse boodschap van de rechtvaardiging van de goddeloze, vandaag nog steeds centraal staat. Niet alleen in het gebruik van de woorden, maar of het ook functioneert in hart en leven. Ik wil u in dit verband wat doorgeven van ‘onze eigen’ dr. P.C. Hoek uit het boekje De belijdenisgeschriften: pastoraal en actueel.

Hij schrijft daar over het ‘tegelijk zondaar en rechtvaardige: ‘Boven die positie komen we in dit leven niet uit. Je kunt ook zeggen: boven dat wonder komen we niet uit! Want dat is het toch, een wonder?! Tegelijk zondaar en rechtvaardige. Heilige onheilige. In mijzelf onrein, in Christus rein. Dat is niet enkel leer, dat is leven! Dat is niet enkel dogma (leer), dat is doxa (lof)!

En daarom was dat het hart, het wezen van de Reformatie’.

En even verder: ‘Maar we hoeven het niet ver weg te zoeken, denk ik én vrees ik. Ook in onze kerken ontwaar je soms een geest van heiligingsdrang, die kennelijk van gedachte is dat we in dit leven toch wel een heel eind dat peccator-zijn (zondaar zijn) voor God te boven komen. Waarbij de mens – de bekeerde mens – in het slechtste geval ook nog eens op zichzelf teruggeworpen wordt, in plaats van op zijn Zaligmaker! Calvijn waarschuwde al om Christus niet in stukken te scheuren door de rechtvaardiging van de heiliging los te maken. Wij lopen misschien meer het gevaar om de heiliging van de rechtvaardiging los te maken. Het resultaat is hetzelfde: een verscheurde Christus. Ik raak daar wel een groot deel van mijn troost mee kwijt. U ook? Niet dat we niet zullen staan en jagen naar die vernieuwing, met heel ons hart, heel onze ziel, heel ons gemoed en al onze krachten. Maar als we desondanks dagelijks struikelen in vele en die peccator (zondaar) blijken en blijven, wat is het dan een troost om van die toegerekende gerechtigheid te weten. Van dat Lam, van die Bruidegom te weten’.

De lezing die ik, op moment van schrijven, nog hoop te houden op 31 oktober eindigde ik met het volgende gebed van Luther: ‘Heere Jezus Christus, U bent mijn gerechtigheid, maar ik ben Uw zonde; U hebt op Zich genomen, wat van mij is, en mij gegeven, wat van U is. U hebt op Zich genomen, wat U niet was, en hebt mij gegeven, wat ik niet was. Heere, richt mij op, help mij en schenk mij de kracht en de gave dat ik het kan geloven: een nieuw, rein hart ben ik niet in staat te maken – het is Uw schepping, Uw werk. Zoals ik de zon en de maan niet kan maken, zodat ze opgaan en helder aan de hemel schijnen, zo min slaag ik er in een rein hart te hebben, een vaste overtuiging, en een sterk vertrouwen, zó onwrikbaar, dat ik niet wankelmoedig dub of twijfel aan Uw Woord. Waar het op aan komt Heere, wanneer wij met elkaar in het recht zouden treden, over hoe ik leef en wat ik doe, ik zou niet bestaan. Maar omdat U mij vergeeft zonder ophouden en beloofd heeft, dat U mij door Uw Christus barmhartig wilt zijn, daarom kan ik mij erop beroemen U te eren en Uw dienaar te zijn. Ben ik niet goed, Christus is het wel, ben ik niet Gods dienaar, Hij is het immers, ben ik niet zonder zorg en vrees, Hij is toch vrij van alle zorgen en zonder vrees.

Heere Christus, ik blijf bij U, en hang aan U en geloof in U, want U bent de enige op wie het aankomt. Daarom zal ik heengaan en de tien geboden voor mijn rekening nemen en mij oefenen in goede werken. Maar voor mij zal het voornaamste zijn, dat ik mij aan U wil houden, en dat door U mij het leven wordt geschonken. Zo ontstijg ik aan mezelf tot U en beroem mij erop, dat ik in U, en door U, Heere Christus, een gelovend mens ben. U zij de lof in eeuwigheid.

5.       Voor u gelezen: Elkaar vermanen (8; ds. M. van Reenen, Oldebroek): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 6 oktober 2017 onder de berichten van de Hersteld Hervormde gemeente van Oldebroek

Thomas Boston geeft aanwijzingen aan hen die een vermaning ontvangen, om hier goed mee om te gaan. Hij heeft al drie punten aangegeven: het is een bevel van Christus, het recht van degene die vermaant en in het belang van degene die vermaand wordt. Nog twee punten laat hij hierop volgen:

  1. De beproeving van uw staat – of u écht een christen bent of niet – hangt meer af van de manier waarop u met de vermaningen omgaat dan u wel denkt: Bestraft de spotter niet, opdat hij u niet haat; bestraft de wijze, en hij zal u liefhebben (Spr. 9 : 8). Het is een goed teken als wij een vermaning in dank aannemen. Die zo doet handelt voorzichtig en kloekzinnig (Spr. 15 : 5). Dit geeft blijk van een nederige ziel, die gewillig is haar fouten te kennen en te verbeteren. Voor zo één is het geweten dierbaarder dan de naam en achting, en behaagt de goedkeuring van God meer dan de lof der mensen. Het is daarentegen een zeer zwart kenteken in iemand, als hij niet in staat is enige vermaning te verdragen: Wie de tucht lief heeft, heeft wetenschap lief, maar wie de bestraffing haat, is onvernuftig (Spr. 12 : 1). Gods Geest beschrijft dit boze geslacht als zulken, die degenen die hen bestraft strikken leggen en haten (Jes. 39 : 21, Amos 5 : 10). Hieraan laat iemand zien, onwillig te zijn om zijn zonden te zien en ongenegen om ze los te laten. Zo iemand heeft de duisternis liever dan het licht, en stelt zijn eigen aanzien boven Gods eer. Het is waar, een goed man kan soms een terecht bestraffing kwalijk nemen, zoals Asa (2 Kron. 16 : 10). Maar dit is dan geen duurzame gesteldheid van zijn geest.
  2. Het verwerpen van alle goede raad en berisping is tenslotte ook een voorbode van verderf en ondergang. Want die de bestraffing haat zal sterven. Het is een voorzegging van een naderende zware slag. Maar niemand twiste noch bestraffe iemand; want uw volk is als die met de priester twisten (Hos. 4 : 4). Zij die geen vermaning of bestraffing van hun broeders willen aannemen, mogen verwachten dat God er hun één uit de hemel zal toevoegen, die geen verwerping zal toelaten. Het is een verschrikkelijke aanklacht tegen de zonen van Eli, dat zij de bestraffende stem van hun vader niet hoorden, omdat de Heere hen doden wilde (1 Sam. 1 : 25, zie ook Spr. 5 : 12). Dit alles wordt samengevat door de wijze koning: Een wijs bestraffer bij een horend oor is een gouden oorsiersel en een halssieraad van het fijnste goud (Spr. 25 : 12). Laat de bestraffer zich wijs en voorzichtig gedragen, en laat de bestrafte persoon de goede raad aannemen met alle onderwerping en de gegeven raad gewillig opvolgen, dan zullen zij voor elkaar van nut zijn en er beide voordeel van trekken’.

6.       Bij de tijd: onthullende reclame (ds. M. van Reenen, Oldebroek): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 6 oktober 2017 onder de berichten van de Hersteld Hervormde gemeente van Oldebroek

Langs de weg staan soms reclameborden die (een deel van) een lichaam blootgeven. Nog veel vaker zie je reclame die iets van het hart blootlegt. Een heel onthullende zag ik vorige week:

‘Ik wil onbeperkt

Selfies snappen

Omdat het kan’.

Misschien begrijpt u het al: dit is van een telecomaanbieder. Wat zegt deze reclame veel over de toestand van ons hart. En wat laat ze duidelijk zien hoe die in onze tijd ruim baan krijgt. We leven in een tijd waarin alle remmen los gaan.

De lelijkheid en begeerlijkheid van een goddeloos mensenhart kunnen schaamteloos ten toon gespreid worden. Deze reclame houdt ons een spiegel voor. Laten we het eens woord voor woord bekijken.

-          Ik wil. Gewoonlijk leren we een kind in de opvoeding dat het niet alles krijgt wat het wil! Zulke reclame is daarom anti-opvoeding. Jongeren en ouderen leren, dat je juist wél mag toegeven aan wat ‘ik wil’. Niet meer bepalend is wat goed en nuttig is. Niet meer belangrijk is het om zelfbeheersing te leren. Nee, wat wij willen, dat moeten we ook vooral najagen. Het is hierbij zo eindeloos….Als wij het ene wat wij wilden gekregen hebben, dan is er weer iets anders wat ‘ik wil’.

-          Onbeperkt. Wij houden niet van grenzen, op allerlei gebied. Onze begeerten zeggen immers steeds ‘Geef, geef!’ (Spr. 30 : 15), en nooit ‘het is genoeg’. Maar als er geadverteerd wordt met ‘onbeperkt spareribs eten’, dan komt er nog een moment waarop onze maag ‘Stop’! zegt. (De Romeinen staken daarom een vinger in de mond om over te geven en weer verder te kunnen). Bij het internetten is die grens er niet. Waar we kunnen breken we grenzen af. Geen datalimiet, maximale actieradius, eindeloos genieten. En we willen er niet aan, dat bij alles wat wij onbeperkt krijgen, er een moment komt van oververzadiging, zoals bij de Israëlieten bij wie de kwartels hen de neus uit kwamen (Num. 11 : 20). O, verlangden wij maar meer, om onbeperkt van God te genieten!

-          Selfies snappen. Oudere lezers begrijpen deze woorden misschien niet eens. Een selfie is een foto die je van jezelf maakt. Snappen is ‘knippen’. Nu moet ik zeggen dat ik hier ook niets van begrijp: ik heb nog nooit één selfie gemaakt en er is ook nog nooit iemand geweest die een selfie wilde maken met mij erbij (begrijpelijk!). Maar het is tekenend voor onze tijd van ego-centrisme. Onbeperkt selfies maken, eindeloos in het middelpunt staan. ‘Ik aan het ontbijt’, ‘ik op de fiets’, ‘ik eet een broodje’, enzovoorts. Waar ‘ik’ in het middelpunt staat, is God al lang verdwenen, en daar is ten diepste ook geen ruimte meer voor een samenleving. 17 miljoen individuutjes – wat een vreselijke maatschappij zal dat zijn.

-          Snappen. Waarom? Om te delen. Via Snapchat of andere ‘sociale media’. ‘Ik’ wil gezien worden. Veel mensen hopen dat anderen hen interessant vinden. O, wat een leegte als je zó een gevoel van waarde probeert op te bouwen. Velen zijn er al in teleurgesteld, en toch gaan we door; we hopen dat we, als we maar méér kunnen ‘snappen’, misschien alsnog belangwekkend worden. En zo komt er een eindeloze stroom beelden langs – want de vrienden willen ook onbeperkt ‘snappen’ (snapt u het nog?). En er blijft geen tijd over voor die dingen die wél waarde hebben.

-          Omdat het kan. Dit is de klap op de vuurpijl. De reden om het te willen? Niet omdat het nuttig is, niet omdat iemand er mee gediend is, niet omdat het iets moois oplevert. Simpelweg omdat het kan. Omdat er aanbieders zijn die abonnementen aanbieden zonder datalimiet, daarom. Het aanbod creëert de vraag. Dat is ook de filosofie van Apple: producten ontwikkelen waar nog niemand om vroeg, en ze dan zó ontwerpen dat iedereen direct denkt dat ze onmisbaar zijn. Zo proppen aanbieders de consumenten eindeloos vol. Zo amuseren en consumeren wij ons kapot. Zo worden we weggehouden van de vraag waarvoor wij op aarde zijn. Zo hebben wij God niet meer nodig en zo heeft onze naaste niets meer aan ons. Terwijl de leegte blijft.

Onthullend en onthutsend. Net als in blootreclame. Misschien is het u daarbij ook wel eens opgevallen. Zo’n fotomodel heeft dan een lege blik, nietszeggend. Om het eindeloze gefotografeerd-worden te overleven, denk ik dan. Nu, zo leeg en daarom verdrietig is deze harten-blootreclame. En het aangrijpendste: het toont hoe leeg het hart is van zéér velen in ons land. Omdat er geen zicht is op God. Die leegte draagt u bij u ook als u een brave kerkganger bent en u stelt uzelf tevreden buiten God in Christus. Dan gaat u die proberen op te vullen. Onze samenleving geeft daarvoor volop gelegenheid. Laten we daarom de woorden van Johannes op ons in laten werken: ‘Al wat in de wereld is, namelijk de begeerlijkheid des vleses, en de begeerlijkheid der ogen en de grootsheid des levens, is niet uit den Vader, maar is uit de wereld. En de wereld gaat voorbij, en haar begeerlijkheid; maar die den wil van God doet, blijft in der eeuwigheid’. En bij dat laatste geldt: dan heb je genoeg aan God, en krijg je nooit meer genoeg van God! O, laten wij echte christenen zijn, die zulke ‘reclame’ uitstralen

7.       De Heere doodt en maakt levend (ds. R.P. van Rooijen, Oosterwolde): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 29 september 2017 onder de berichten van de Hersteld Hervormde gemeente van  Oosterwolde

We kozen voor u een stukje ter lezing over ‘De HEERE doodt en maakt levend; Hij doet ter helle nederdalen, en Hij doet weder opkomen (1 Sam. 2 : 6), de tekst van afgelopen zondagmiddag (24 september). Moge het zijn als een ‘nalezing’. Het is van de hand van wijlen ds. D. Slagboom.

‘Hier getuigt Hanna van Gods daden. Getuigen is iets anders dan dat ze allerlei woorden over de Heere spreekt. Wij kunnen ook rondom deze tekst allerlei ‘waarheden’ opmerken, die op zichzelf wel waarde hebben en toch aan de eigenlijke betekenis voorbijgaan. Zo zou de tekst samengevat kunnen worden met: ‘God beschikt over dood en leven’. Het is belangrijk in onze tijd dat te onderstrepen; nu men al meer meent, dat de mens over dood en leven kan beschikken. Terecht zegt bijv. Matthew Henry bij deze tekst, dat de Heere ‘geboorten en begrafenissen bestuurt’. Het is ook niet vreemd, dat iemand meent: ’t gaat hier om het grote verschil tussen wat God de goddelozen doet en wat Hij de rechtvaardigen doet’. De één doodt Hij en de ander maakt Hij levend. Er zijn er die zo’n algemene lijn in dit woord getekend zien: dat God soms verrassend mensen tot een einde brengt, van wie dat zo voor het oog niet te verwachten was, én andersom. Het is, naar me toelijkt, beter om deze tekst allereerst op Hanna zélf te betrekken. In haar leven is dit uitgekomen, wat zij hier bezingt. Vanuit dat verband kan het alleen voor anderen verklaard worden. Terecht is gesteld, dat achter deze zang van Hanna een gebeurtenis ligt in Hanna’s leven. Zij bezingt die inderdaad ‘voor Gods aangezicht’. In dat gebeuren waren de daden Gods. Hij heeft haar ‘gedood’ en  Hij heeft haar ‘weder levend gemaakt’. Hij deed haar ‘ter helle nederdalen’ en Hij deed haar ‘weder opkomen’. In de grote wending in haar leven lijken het daden Gods te zijn die elkaar tegenspreken. Schijnen ze elkaar niet uit te sluiten: gedood worden en levend maken? Het is één werk Gods. Het ging er om dat ze wezenlijk zou delen in hét leven en zo Zijn lof zou vertellen. Hanna erkend in levend geloof de God van Israël, die de God van haar leven door genade is, die God, Die doodt en levend maakt. Mozes heeft er al van gezongen in het lied, dat hij moest zingen voor zijn dood: ‘Ziet nu dat Ik Die ben en geen God met Mij. Ik dood en maak levend; Ik oversla en Ik heel’. Dat lied is in Hanna’s leven waar geworden.

Het is onmiskenbaar dat in deze tekst ‘doden en levend maken’ ook ‘ter helle nederdalen en weder doen opkomen’, een eigen invulling hebben.

We kunnen de kanttekeningen van de Statenvertaling volgen als ze van deze vier uitdrukkingen zeggen dat ze te verstaan zijn ter aanduiding van enerzijds: ‘het gebracht worden in benauwdheid en angst en anderzijds van het ‘verlost worden daarvan’. Uiteraard willen dan de laatste twee spreken van enerzijds: ‘een nog ergere maat daarin’ en anderzijds van: ‘een nog grotere verlossing’. We moeten niet vergeten dat hier in dichterlijke taal gesproken wordt. Daarmee bedoel ik niet te zeggen dat het niet over ‘werkelijkheden’ gaat. We vinden die wijze van uitdrukken meer in Gods Woord. Woorden als dood en leven worden niet altijd gebruikt, zoals wij dit vandaag doen. Voor de Israëliet behoorde het doodsgevaar, de doodsbenauwdheid enz. al tot het gebied van de dood. Geestelijk kan het ook zo benauwd zijn voor de gelovige Israëliet, dat dit gegeven wordt in uitdrukkingen in deze zin. We kunnen hier aan veel plaatsen in Gods Woord denken. We noemen er maar twee: Psalm 30 : 4 en Psalm 116 : 3. Psalm 30 spreekt niet van het werkelijk sterven in onze zin en toch zegt David: Heere, Gij hebt mijn ziel uit het graf opgevoerd. En in Psalm 116 is ook geen sprake van de dood in onze zin en toch spreekt de dichter over de ‘banden des doods’, die hem omvangen hebben.

De andere woorden: het levend maken – ook wel: doen herleven – worden ook in de Schrift vaak gebruikt in de zin van: ‘verlost worden van de doodsreiniging of van de geestelijke benauwdheid’. We geven weer twee voorbeelden: Psalm 71 : 20 en Psalm 138 : 7. De dichter van Psalm 71 was niet werkelijk aan de dood onderworpen en toch getuigt hij van zijn verwachting, dat de Heere hem weer levend zal maken: ‘Gij, Die mij veel benauwdheden en kwaden hebt doen zien, zult mij weder levend maken’. Hij heeft uitzicht op wat tot het  leven behoort: geestelijke vertroosting.

En dan Psalm 138. Hij komt niet om door de hand van zijn vijanden en toch ervaart hij de uitredding als een levendmaking: ‘als ik wandel in het midden der benauwdheid, maakt Gij mij levend’. We kunnen hier ook wijzen op de uitdrukking: ‘ter helle doen nederdalen’. Gewezen wordt hier op Genesis 37 : 35, als Jacob rouw bedrijft over Jozef en de – ongemeende – troostbetuiging van zijn kinderen afwijst. We horen hem dan zeggen: ‘Want ik zal rouw bedrijvende tot mijn zoon in het graf nederdalen’. Daar staat dezelfde uitdrukking als hier gebruikt. Voor graf staat daar hetzelfde woord in het Hebreeuws als hier voor hel. En hier gaat het om de tekening van een toestand van uiterste ellende, waarin geen hoop meer is. ‘Dus leert Hanna, dat God niet alleen straft en slaat, maar ook zo terneer werpt dat Hij…tot in het graf zelf wegzendt, als lijken, die tot stof en as geworden zijn’.

En dan voor de laatste uitdrukking het ‘weer doen opkomen’ spreekt Psalm 86 een duidelijke taal: ‘Gij hebt mijn ziel uit het onderste des grafs uitgerukt’ (vers 12b). Dan gaat het weer om de verlossing uit de diepste benauwdheid. Hanna spreekt over geen vreemde dingen. Zij heeft in de grote wending van het geschenk van Samuël dit beleefd. Zo is God voor haar geweest. Hij heeft haar gedood. Niet Peninna heeft haar tot zo diepe vernedering en benauwdheid gebracht. Gods Hand is het geweest. Verteerd is zij geweest als in doodsbenauwdheid. Zij droeg daarin het teken van Israëls ‘dood’. In haar onvruchtbaarheid. Zij had er onder leren buigen, het erkend voor Gods aangezicht. Maar diezelfde God had haar levend gemaakt. Het was ook Zijn daad geweest. Zij was uit de dood en uit het graf opgewekt, toen haar een zoon geschonken was. In Hem had zij het teken ontvangen van die God, Die levend maakt en uit het graf doet opkomen. Is er geen lijn naar allen, die de Heere kennen en vrezen? Zij weten van dat ‘doden’. Gebracht in wegen van ontdekking, waarin zij het ervaren dat er van hun kant geen mogelijkheid is. Calvijn schrijft in zijn commentaar op dit gedeelte, dat God dit in hun leven doet: ‘Opdat zij zich niet verheffend God ver achter de rug laten. Want als alles naar onze zin ging en wij onze plannen tot de gewenste uitkomst zouden doorvoeren, dan zouden wij de majesteit Gods geheel tot niet maken’. Hij wijst in het vervolg ook op dat allerlei verdrukkingen gebruikt worden om ‘gedood te worden’, zelfs ‘ter helle neder te dalen’, uiteraard in de zin zoals weergegeven!

Maar ziet: Hij doet ook het wonder in hun leven ervaren van het ‘weer levend gemaakt worden’, en het ‘opgehaald worden uit het graf’. Daar is het de Heere om te doen. Het is terecht genoemd: ‘Zijn eigenlijk werk’. Het was er Hem al om begonnen toen Zijn Hand, het vlees en het oude bestaan veroordelend, op hen drukte. Nadat Hij hen gedood heeft, heeft Hij hen levend gemaakt!

Die God blijft Dezelfde, Die doodt én levend maakt, ter helle doet varen én weer doet opkomen. Temidden van alle moeilijke omstandigheden, die zij in dit leven moeten meemaken, geeft het hoop op God. Ook al worden ze bedreigd door allerlei benauwdheden, ook al gaan ze door duizend noden heen, die God zal verrassend dit waar maken en Zijn werk voleinden.

In wezen één werk, dat Hij doodt én weder doet opstaan, ter helle doet varen én weer doet opkomen. Hoe kan het? Dat Gods kinderen niet overgegeven worden aan de dood, aan de benauwdheden? Het kan alleen om Hem, Die in hun plaats geleden heeft en gestorven is en ten derde dage weer opgewekt! Het kan alleen om Hem, Die de Opstanding en het Leven is. Hij is gezonden om gedood te worden en ter helle neer te dalen. Om zo te betalen voor de schuld der zonde. De Vader deed Hem tot het diepste neerdalen aan het kruishout en deed Hem op de Paasmorgen weer opkomen. Zijn opstandingskracht wekt hen tot een nieuw leven. In Zijn opstanding ligt ook de waarborg dat ze straks uit het graf zullen opstaan om de Heere eeuwig naar lichaam en ziel te loven. Die God, Die om Christus’ wil hen uit alle graven ophaalt om Zijn wonderen te vertellen’.

8.       Evangelisatie-ervaringen (EC Putten): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 6 oktober 2017 onder de berichten van de Hersteld Hervormde gemeente van Putten

Verleden week zaterdag was een prachtig warme dag in Amersfoort. Er waren veel mensen op de been. We hebben veel folders uitgedeeld en veel jonge mensen aan mogen spreken.

Op een gegeven moment kwam er een vrouw die ik aansprak: ‘Mevrouw, wilt u een folder, dan heeft u iets te lezen’.

‘Waar gaat het over?’ vroeg ze.

‘Het gaat over de Bijbel en de God van de Bijbel. Gelooft u in God?’

‘Ja’, zei ze, ‘ik ben mezelf een god. Ik probeer altijd het goede in mezelf naar boven te halen en als dat lukt dan word ik warm van binnen. Dat is mijn god’.

‘Maar mevrouw, doet u dan altijd goede dingen?’

Ze zei: ‘Ja, dat heb ik geleerd. Ik geef les in het hoger onderwijs en moet zelf ook altijd nog leren. Het is een proces van jaren en nu voel ik die god in mij’.

Het gesprek was erg openhartig en ik zei: ‘ Het is dat ik getrouwd ben, anders zou ik u ten vrouw vragen. U bent namelijk de eerste mens die ik tegenkom die goed is. Mag ik het goede en het slechte toetsen?’

‘Natuurlijk’ zei ze.

‘Heeft u in uw hele leven nog nooit gelogen?’

Wat aarzelend zei ze: ‘Nou, dat kan ik niet zeggen, dat is wel gebeurd in het verleden’.

‘En heeft u nog nooit gestolen?’

‘Nee hoor!’

‘Ook niet toen u jong was?’

‘Ja, dat wel, wie heeft dat niet?’

‘Heeft u wel eens een hekel aan iemand gehad of iemand gehaat?’

Ze zei: ‘Vroeger wel ja, maar nu weet ik niet dat ik iemand haat’.

Ik zei: ‘Maar toch heeft u het gedaan. Nou mevrouw, dan moet ik de conclusie trekken dat u een liegende, stelende moordenaar bent. Dus heeft u schuld. En hoe komt u daarvan af? Daar heeft u Jezus voor nodig waar in de Bijbel over gesproken wordt’.

Na nog een heel gesprek ging ook zij weer haar weg. Met een Bijbel. Het mooie was dat niet ik, maar de Heilige Geest al de antwoorden wist voor deze vrouw.

9.       Oud en toch nieuw (14; kerkenraad Wapenveld/Wezep): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 29 september 2017 onder de berichten van de Hersteld Hervormde gemeente van Wapenveld/Wezep

Horatius Bonar: tegen degenen die zeggen dat ze het geloven moeilijk vinden: Geloof is geen werk, maar een rusten op Christus. Te zeggen dat geloven moeilijk is, is hetzelfde als wanneer een vermoeide reiziger zou zeggen dat hij te moe is om zich neer te leggen om te rusten (Uiteraard bedoelt Bonar hier niet dat een natuurlijk mens kan geloven….). Bonar zegt verder: je denkt nog steeds dat geloof een werk is dat door jouw gedaan moet worden, en niet door een Ander.

Horatius Bonar: verkiezing heeft vele zielen naar de hemel geholpen, maar het heeft nog nooit een ziel gehinderd. Ik zat te denken: vroeger sprak de duivel door een slang, omdat hij niets anders had om door te spreken. Nu spreekt hij door gevallen mensen.

John Downame: als het vlees sterk is en de geest zwak, moeten we het vlees verzwakken met vasten, (zoals een stad die belegerd is, verzwakt wordt door het te omsingelen en uit te hongeren).

Gedicht: Wie strijdt voor een Kerk heeft een leven lang werk, maar wie treurt over zijn zonden, heeft een goede zaak gevonden.

Peter Hammond: in de Sovjet Unie noemden we het: propaganda; in het westen noemen we het: nieuws.

A.W. Tozer: in goede verhouding met God te staan betekent vaak: met mensen problemen te hebben.

John Owen: als er een verborgen lust op de loer ligt in het hart, zal hij (die er tegen bidt, en er een afkeer van heet, zien dat de zonde óf tegen deze handelingen oprijst, óf dat de zonde haar listen gebruikt om haarzelf ertegen te beschermen. En hierdoor is het (deze zonde) ontdekt.

John Owen: de zonde wordt niet sneller ontdekt dan wanneer het het meest achtervolgd wordt.

Th. van der Groe: geloof zonder verzekering werd toen (ten tijde van de reformatie) als een remonstrantse dwaling gezien.

Hayward: genadige God, ik heb niets goeds in mijzelf dan alleen uit te vinden dat ik niets geen goed heb.

Hayward: Heere, er zijn maar twee pleitgronden voor Uw troon: één van onschuld en één van genade.

Christopher Love: als het hart niet de tuin van Christus is, is het een broeinest van de duivel.

John Owen over Psalm 130: terwijl ik geen rust heb, kan ik U geen rust geven.

Charles Davies: christenen die een avond met elkaar hebben gesproken, mogen nooit zonder gebed uit elkaar gaan.

In de vroege kerk zat de bisschop als hij zijn preek hield en stond de hele gemeente, kerkbanken werden pas in de 14e eeuw geïntroduceerd. Na de dienst moest iedereen weggaan behalve de gedoopte gelovigen, om dan het tweede deel van het avondmaal te gebruiken, de eucharistie (woord voor dankzegging).

De zin ‘nedergedaald ter helle’ was onbekend in de vroegste versies van de apostolische geloofsbelijdenis tot laat in de 4e eeuw.

Rufinus voegde die zin toe, maar geloofde niet dat het aan de hel refereerde, maar aan het begraven zijn van Jezus; een tweede interpretatie is Zijn smartelijk lijden; een derde interpretatie is Jezus Die Zich in de hel openbaarde.

Joseph Hart: al de gepastheid die Hij vereist, is het zien van je behoefte aan Hem.

A.M. Toplady: the hypocrite’s  rising is the means of his fall, but the believer’s falle is the means of his rising’.

C.H. Spurgeon: ik ben er zeker van dat God mij koos voordat ik geboren was, want Hij zou mij achteraf nooit uitgekozen hebben.

William Tiptaft: we bezochten een admiraal, die zelfs nog geen zilveren theelepel bezat. Maar hij geeft bijna alles weg aan armen om Christus’ wil.

Kerk – ecclesia betekent de uit-geroepenen.

W. á Brakel: ik hoef niet bovenaan te staan; als ik maar mee mag gaan.

Th. van der Groe (over het lezen van de Schrift): Christus helpt degenen die erom tot Hem roepen, hoe ellendig hun geroep erom dan wezen mag, evenzeer aan het geloof, als Hij anderen helpt door het geloof.

Th. van der Groe: indien zij maar zoveel geloof hebben dat zij Hem om het geloof ernstig kunnen bidden, ja, indien zij alleen maar van harte gewillig zijn dat Hij Zelf door Zijn Woord en Geest een oprecht geloof in hen werkt, dan is dat genoeg.

Th. van der Groe: geloof dat de hel nooit iemand zal ontvangen die maar een oprecht geloof begeert te hebben uit de hand van Christus.

Volgens A. Alexander moeten we, als we anders geen vrije tijd hebben, een uur minder slapen, zodat we in ieder geval een uur per dag afzonderen voor zelfonderzoek en gebed.

Anne Bradstreet: ik sta er versteld van, dat God, Die zoveel voor mij gedaan heeft, zo weinig van mij verlangt.

John Owen: het geloof is die daad van de ziel, waardoor overtuigde zondaars, die anders op het punt stonden te vergaan, op Christus zien zoals Hij tot een Verzoening voor hun zonden gemaakt was.

Deze woorden van Jenkin Jenkins zijn wel passend met betrekking tot de preek van….: o, dat ik zeker was van mijn aandeel in de waarheden die ik zie, en enigermate in staat ben te bespreken!, maar dat ik tenslotte verwerpelijk zou zijn, ontmoedigt mij.

Duncan Matheson: ik kan u niet vertellen hoe veel troost ik in dit woord gevonden heb: ‘Indien de rechtvaardige nauwelijks zalig wordt’. Ik vind het zo moeilijk voor mij om zalig te worden, dat ik vaak bang ben dat ik nooit in het koninkrijk zal ingaan. Maar toen ik las dat zij die zalig worden, dit door veel moeiten heen worden, met een strijd die ik heb, voel ik me bemoedigd.

10.   De vissers en hun passende namen (ds. M. van Kooten, Elspeet): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 29 september 2017 onder de algemene berichten

Jl. zaterdag werd in het Kerkje aan de Zee te Urk het jaarlijks symposium gehouden van ‘Oude Paden’ onder de titel ‘Vissers van mensen’. Naast dr. H. Florijn en dhr. J. Mastenbroek sprak ondergetekende over het thema ‘De vissers en hun passende namen’.

Wijlen ds. Johannes van der Poel was onderwezen aan de hemelse academie maar een gewone academische studie heeft hij niet genoten. Zelfs geen middelbare school bezocht hij. Geen wonder dat hij in verlegenheid stond bij de afkorting V.D.M. Het was nog maar kort na zijn bekering dat hij zich geroepen wist tot het ambt van predikant. Hij wilde daarover met de christelijke gereformeerde predikant C. Smits te Sliedrecht spreken. Met een vriend ging hij daar op zekere dag heen. Toen van der Poel V.D.M. onder de naam van de predikant zag staan meende hij dat dit Voor De  Middag betekende. Met andere woorden dat de predikant alleen voor de middag te spreken zou zijn. Zijn metgezel wist echter dat V.D.M. afkorting is van Verbi Divini Minister hetwelk betekent: dienaar van het Goddelijk Woord. Sommigen hebben er van gemaakt Visser Der Mensen. Daar zit iets in. Christus heeft Zijn discipelen uitgezonden met de opdracht: ‘Ik zal u visser van mensen maken’. Dat was eigenlijk al een bekende vergelijking, want in Ezechiël 47 : 10 lezen we dat er in de Dode Zee gevist zal worden. Ook zal het geschieden dat er vissers aan dezelve zullen staan van Engedi af tot En eglaïm toe; daar zullen plaatsen zijn tot uitspreiding der netten; hun vis zal naar zijn aard wezen als de vis van de Grote Zee, zeer menigvuldig’. Onder de Joden wordt dit letterlijk genomen. Men kan zelfs visaktes kopen met het oog op de vervulling van deze belofte. Het gaat hier echter niet om het letterlijk vangen van vis, maar om de geestelijke visvangst. Het vissen van mensen. En dat in een plaats waar geen verwachting voor is. Mensen, Sodom en Gomorra gelijk.

Professor G. Wisse was een liefhebber van vissen. Zelf consumeer ik ze liever dan dat ik een hengel uitwerp, maar dat terzijde. Wisse viste echter graag ter ontspanning. Hij deed dat voornamelijk in de vijver bij het huis van de familie Du Marchie van Voorthuysen in Driebergen. Iemand die hem daarmee bezig zag vroeg hem of hij niet beter de gemeente in kon gaan om vis te vangen. Ad rem antwoordde hij: ‘Dezen bijten beter’. Opmerkelijk antwoord, daar Wisse veel zegen op zijn arbeid mocht hebben. Op een keer zou Everard – de zoon van baron du Marchie van Voorthuysen – ook gaan vissen. Hij trof Wisse bij de vijver aan. ‘Zo Everard’, zei Wisse, ‘wat zou je er van zeggen als de Heere je eens visser der mensen zou maken?’

Everard maakte zich er toen maar van af maar uiteindelijk is hij ook dienaar  des Woords geworden. Een predikant in Montfoort die ook graag de hengel in de gracht uitwierp en tevens bijen hield in de grote pastorietuin werd ook eens tot de orde geroepen dat hij wat ijveriger moest zijn in het pastoraat dan ledig langs de gracht te zitten. Hij antwoordde: ‘Ik ben geen pastoor’.

Visser der mensen. Je zou een gemeente een visvijver kunnen noemen. Toen ik in 2006 naar Scherpenisse vertrok was er iemand die geen vrijmoedigheid meende te hebben daarbij aanwezig te zijn omdat ik dan een gemeente diende binnen de PKN. Ik antwoordde: ‘Vis ik dan in verboden viswater?’

In de schilderkunst heeft Adriaen Pietersz. Van de Venne dat thema meegenomen. In het Rijksmuseum te Amsterdam bevindt zich een schilderij van zijn hand ‘de zielenvisserij’ genaamd. Het dateert uit 1614 en is dus geschilderd tijdens het Twaalfjarig bestand. Het schilderij is een allegorie op de lust van de Rooms Katholieken en protestanten om zielen te vangen. Op het schilderij zien we een schip met priesters, bisschoppen en kardinalen die met allerlei kerkschatten aan boord mensen binnen boord proberen te krijgen. Aan de oever worden ze aangemoedigd door een groot getal geestelijken die de paus op een draagstoel meedragen. De bomen aldaar geplant staan in herfsttooi en onheilspellende wolken pakken zich daarboven samen. Aan de andere zijde van het water zijn het predikers met deftige witte kragen die drenkelingen opvissen. De vissers houden een open Bijbel in de hand terwijl ze aan de kant worden aangemoedigd door een groot aantal predikanten waartussen ook de schilder zichzelf heeft geportretteerd, als zijnde overtuigd gereformeerd. De lucht boven de protestanten is niet onheilspellend, terwijl het geboomte in lentekleuren is gehuld. Rome moet het als het ware afleggen tegen de reformatie. Inderdaad is daar in die dagen wat voor te zeggen. Onder ons moeten we helaas constateren dat de secularisatie grootscheeps bij Rome plaatsvindt, maar het gereformeerd protestantisme langzaam in het kielzog meegevoerd wordt. Al mogen we vernemen dat elders in de wereld, met name waar de kerk vervolgd wordt, een grote aanwas is van de christelijke gemeente. Rome en Reformatie hebben netten uitgeworpen. Dat heeft ook Luther treffend verwoord in zijn 95 stellingen. In stelling 65 wijst hij er op dat vroeger de schatten van het Evangelie de netten waren maar in het volgende artikel wijst hij op de aflaatzwendel die onder Tetzel floreerde. Hij noemt dat de aflaten de netten zijn om mensen te vangen.

Er zijn net zoals dat bij Petrus, Andreas, Johannes en Jacobus het geval was ook predikanten geweest die eertijds visser waren. Eén daarvan is Cors Noorduin uit Noordwijk aan Zee. Noordwijk aan Zee was vanouds een echte vissersplaats. Cors was naar visser ouderling in de hervormde kerk aldaar alsmede catechiseermeester in de periode tussen 1818-1823. Op zondagavond hield hij oefeningen in het zeewerfhuis. In 1835 kort na de Afscheiding werd hij bepaald bij de woorden ‘Volg Mij na en Ik zal u visser van mensen maken’. Hij verliet zijn bomschuit en werd voorganger van een afgescheiden gemeente in Noordwijk aan Zee. Het was in die tijd verboden om zonder goedkeuring van de overheid met meer dan twintig mensen samen te vergaderen. De burgemeester waarschuwde Cors voor het foute van zijn samenkomsten maar beboette hem nooit. Ds. H.P. Scholte wilde Cors niet als predikant bevestigen omdat hij vond dat Noorduin te weinig opleiding had. Hij is toen uiteindelijk bevestigd door zijn ouderlingen. Had Cors geen goed woord voor de hervormde kerk over en vond hij het afschuwelijk dat zijn schoondochter door een tweede huwelijk terugkeerde naar de hervormde kerk, in diezelfde kerk werd twaalf jaar na zijn verscheiden ds. E.A. Lazonder bevestigd. Een geweldig populair predikant destijds die alom als predikant begeerd werd. Er luidde een rijmpje: ‘Wat bijzonder, een tweetal zonder Lazonder’. Van deze Lazonder is bekend dat hij een visser bezocht in zijn gemeente die ruw en onverschillig was. Bezoek aan hem werd wel genoemd ‘paarlen voor de zwijnen werpen’. Toch zocht Lazonder hem op en toonde veel belangstelling voor diens visserslatijn. Toen Lazonder vertrok zei hij tegen de visser dat hij nu een bezoekje terug verwachtte en wel in de kerk. Lazonder zegde hem toe over het vissen te spreken. Alzo geschiedde. Op de bewuste zondag sprak Lazonder over ‘Volg Mij na en Ik zal u vissers der mensen maken’. Lazonder maakte er werk van om inderdaad het vissersleven te schetsen. Maar hij liet niet na in de toepassing ernstig te waarschuwen tegen het eeuwig verderf en ruim te nodigen tot de zaligheid. De hele geschiedenis is in een gedichtje vervat getiteld ‘de oude visser’. Uit het gedicht citeren we het volgende:

‘Hij schilderde met sterke woorden

De eeuwige rampzaligheid,

Die hem die hier Gods stem niet hoorden

Ontwijfelbaar is toebereid.

Maar ook, om zulken op te beuren,

Wijst hij op het kruis van Golgotha:

Waar allen die de Heere zoeken

Hoe hard de wet hen moge vloeken

Een troostbron vinden van gena’.

De oude visser kwam onder deze prediking tot bekering. Hij werd gevangen in het evangelienet. Bij het doen van intrede of bevestigen van predikant is het vissersleven ook nog wel eens ter sprake gebracht in de tekst van de prediking. Albertus Streso deed in 1790 intrede in Noordwijk aan Zee met Lukas 5 : 5b: ‘Doch op Uw Woord zal ik het net uitwerpen’. Sprekender tekst was bijna niet mogelijk in die vissersplaats. Gerrit Berkhof verbond zich negen jaar later met diezelfde tekstwoorden aan het nabijgelegen Oegstgeest.

Ds. G. Schipaanboord deed zijn intrede in de Gereformeerde Gemeente te Rotterdam op 16 januari 1969 met eveneens die tekst.

Prof. dr. C. van Leeuwen – bij wie ik nog tentamen heb gedaan – bevestigde er in 1965 ds. J.P. van Roon mee in de Nieuwe Kerk te Katwijk aan Zee. Om er niet nog veel meer te noemen, ds. Jan Visser deed op 24 april 1892 intrede te Woudenberg – uiteraard gedachtig aan zijn eigen naam – met opnieuw de woorden ‘Doch op Uw Woord zal ik het net uitwerpen. Met ds. Jan Visser zijn we dan gelijk beland bij predikant die niet alleen visser van mensen zijn maar ook visser he(et)ten.

Betreffende de Hervormde Kerk zouden we badinerend kunnen zeggen: Welk soort wilt u? Er is de vrijzinnige Hans Visser (destijds predikant van de Pauluskerk te Rotterdam), terwijl in Amsterdam de midden orthodoxe Rob Visser en de rechtzinnige Paul Visser werkzaam zijn. Laatstgenoemde is zelfs sinds kort met collega J.H. Visser – het kan niet op met de vissers – aan de Noorderkerk te Amsterdam verbonden. Daarbij moeten we weer bedenken dat Paul Visser (liever spreek ik van dr. P.J. Visser) een zoon is van de bekende ds. H. Visser die vroeger in het Gereformeerd Weekblad schreef en een broer is van ds. A. Visser die onlangs afscheid deed van hervormd Garderen, terwijl hij drie zussen heeft die allen gehuwd zijn met een visser der mensen (ds. F. van Roest, C. van Duijn en J. Kommers).

In vroeger dagen was er Hugo Visscher (1864-1947). Hij was hervormd predikant te St. Jansga, Zegveld, Delft en Ouderkerk aan de IJssel om vervolgens hoogleraar te worden. Hij heeft zich ingezet voor de oprichting van de Gereformeerde Zendingsbond alsmede voor de Gereformeerde Bond die bij oprichting heette Gereformeerde Bond tot vrijmaking der Hervormde kerk. Toen het in 1909 werd Gereformeerde Bond tot verbreiding der waarheid in de Hervormde Kerk was dat niet naar zijn zin. Positief kritisch meedenken met Kerkherstel in de dertiger jaren van de vorige eeuw zoals ds. M. van Grieken deed was niets voor hem. Hij bedankte daarop als lid van de Gereformeerde Bond en als hoogleraar namens die Bond. Ook schreef hij niet meer in de Waarheidsvriend terwijl hij ook bedankte als lid van de ARP vanwege de samenwerking met Roomsen in de politiek alsmede het beknotten van de tekst van artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Helaas ging Visscher zich daarna in zeer vreemde wateren begeven. Visscher kwam zelfs in boze netten terecht. Hij sympathiseerde namelijk met de Duitse overheersers. Hij werd zelfs Musserts adviseur betreffende schoolzaken: Was hij daar nu visser der mensen geweest….Desondanks heeft Visscher theologisch veel nagelaten om dankbaar gebruik van te maken.

Een andere Visser die zich net als Hugo Visscher ook in de politiek begaf was dr. J.T. de Visser (1857-1932). Hij werd na vier hervormde gemeenten gediend te hebben parlementariër voor de CHU. Hij was een strijder voor christelijk onderwijs en kreeg als minister van onderwijs de opdracht de aangenomen wet dat bijzonder onderwijs en openbaar onderwijs zorg van de regering was uit te voeren in de zogenaamde Lager Onderwijs wet. Er kwam daarop van tegenstanders van de gelijkstelling tussen bijzonder en openbaar onderwijs een cartoon in de krant waarop minister de Visser ten einde raad afgebeeld stond tussen talloze  paddenstoelen met opschriften als gereformeerd, Rooms Katholiek, theosofisch, Humanistisch, zionistisch…

Reformatorisch, evangelisch en islamitisch onderwijs was toen nog onbekend. Ds. J.T. de Visser behoorde niet tot de bevindelijk hervormde predikanten. Maar wat hij op zijn sterfbed zei tot zijn collega P.J. Molenaar te Den Haag heeft ons allen iets te zeggen: ‘Hoe valt, als men ziek ligt, met de eeuwigheid zo vlak voor ons, alle kerkelijk getwist, alle dogmatisch geharrewar ver weg! Christus de Levende, en de eenheid in en met Hem, dat is het enige dat blijft, dat waarde heeft’.

Gaan we nog wat vroeger terug in de geschiedenis van de kerk der vaderen dan komen we volgens het repertorium van dr. F.A. van Lieburg zeventien predikanten tegen vanaf de reformatie tot aan 1816 die de naam Visscherus dragen. Het was de tijd waarin geleerden een achternaam voorzagen van een Latijnse uitgang. Eén van hen was Johannes Visscherus (1617-1694), in leven o.a. predikant te Zutphen en Amsterdam. Hij behoorde tot de vertegenwoordigers van de Nadere Reformatie. Heel wat werken van hem zijn rond de laatste eeuwwisseling hertaald. Zijn volledig oeuvre kwam ooit op de markt met de veelzeggende titel: ‘Alle syne wercken der Godtgeleerdtheydt of Hemelsche Zielen-vanghst, aengestelt met geestelicke netten, gevlochten uyt snoeren van Godts H. Woordt, ende andere beroemde Autheuren. Behelsende alle syne wercken der Godtgeleerdheydt’.

Ook Hadrianus Visscherus (1599-1659) mogen we noemen als vertegenwoordiger der Nadere Reformatie. Dr. H. Florijn hield een rede op het symposium ‘Van schaap tot herder’ over de bekering en het predikantschap van de Urker prediker Pier Schaap. Hadrianus, die o.a. predikant te Nieuwe Niedorp was schreef een werk getiteld ‘De Herder ende het Schaep’.

In de periode tussen reformatie en 1816 kwamen er in de vaderlandse kerk ook twee predikanten voor die Fischer heetten. Zo heet een visser in het Duits. Eén van de twee daarvan was dan ook in het Duitse Wezel geboren. Werden vroeger achternamen van geletterden voorzien met een Latijnse uitgang, het kwam ook voor dat de achternaam geheel gelatiniseerd werd. Zo ook de naam Visser. Dat is in het Latijn Piscator. Vijf predikanten droegen tot aan 1816 deze naam. Over hen zijn geen bijzonderheden te melden dan geboorte- en sterfjaar alsmede een opsomming van plaatsen waar ze dienstbaar waren en mensen visten. Bijna hadden we een Bijbel gehad aan wie de naam van Piscator was verbonden. Het betreft de in Straatsburg – dat destijds aan Duitsland behoorde – Johannes Piscator (1546-1625). Hij was als hoogleraar theologie werkzaam in Straatsburg en Heidelberg. In Heidelberg werd hij ontslagen nadat Frederik de Vrome overleed en er geen plaats meer was voor gereformeerde theologie. Hij vertrok daarop naar Herborn waar hij 41 jaar gewerkt heeft, samen met o.a. Olevianus wiens naam aan de Heidelbergse Catechismus zo nauw verweven is. Herborn was een plaats waar Jan van Nassau het bewind voerde. Aldaar heeft Piscator een nieuwe Duitse Bijbelvertaling gerealiseerd. Dat was ook nodig omdat Luthers kennis van het Hebreeuws wel eens te wensen overliet. De Zutphense predikant Baudartius zag graag dat het werk van Piscator in het Nederlands werd vertaald. Het was nog ver voordat de Statenvertaling tot stand kwam en de behoefte leefde naar een goede en zuivere vertaling uit de grondtalen. Liefst zag Baudartius een vertaling vanuit de grondtalen in het Nederlands. Dat was echter kostbaarder dan de vertaling van Piscator over te zetten in onze taal. Baudartius schreef daaromtrent een geschrift getiteld ‘Wegbereider op de verbetering van den Nederlandschen Bijbel’ in 1606. De vertaling van Piscator ging niet door. Dertig jaar later zou de Statenvertaling van de pers komen. Dat was maar goed ook. Want ondanks Piscators grote kennis van het Hebreeuws was hij theologisch niet zuiver. Hij meende dat niet de dadelijke maar de lijdelijke gehoorzaamheid van Christus aan het kruis wordt toegerekend aan de gelovigen.

Nu we toch buiten het land beland zijn kan ik niet nalaten even de grote sloot over te gaan en de aandacht te vestigen op de naam Fisher, zoals een visser in het Engels wordt genoemd. We denken dan direct aan Edward Fisher. Deze was echter geen predikant maar kapper en boekhandelaar in Londen. Hij is bekend geworden vanwege zijn meesterwerk ‘Marrow of modern divinity’. In 1757 werd dit werk in onze taal vertaald en uitgegeven door Alexander Comrie die zelf ook van Engelse komaf was. Dat ‘merg van het Evangelie’ is een uitermate belangrijk werk waarin op zuivere wijze het onderscheid tussen wet en evangelie wordt beschreven. Comrie was er zo van onder de indruk dat hij aan een collega (J.L. Verster) die het onderscheid tussen wet en evangelie niet helder had juist naar dit werkje van Fisher verwees met de opmerking richting Verster: ‘Het bedroeft me en het gaat me ter harte dat zo’n jong lief kindje niet kan zuigen aan de borsten van de zuivere evangelische troost’.

Tot op heden is er in het betoog nog niet gewezen op predikanten met de naam Visser in de afgescheiden kerken. Nu die zijn er ook talloos velen. Ook hier geldt dat we er enkelen noemen. Binnen de Gereformeerde Gemeenten denken we dan in onze tijd aan de predikanten R.A.M. Visser en W. Visscher. Van 1945 tot 1948 stond in Scherpenisse ds. A.C. Visser die tevens aan de gereformeerde gemeente van Poortvliet was verbonden. Hij was uit Friesland afkomstig en slager van professie. Hij behoorde aanvankelijk tot de hervormde kerk in Oudemirdum waar hij een slagerij had. Toen daar geen bevindelijke prediking meer was ging hij aanvankelijk naar Lemmer naar de Gereformeerde Gemeente. Soms gingen ze met drie bussen. Op den duur werd er in 1933 een Gereformeerde Gemeente in Oudemirdum geïnstitueerd die in de volksmond ‘Vissergroepje’ heette. Vanuit Poortvliet is bekend dat hij zich aldaar inzette voor een orgel in de kerk daar het met een voorzanger echt behelpen was met de gemeentezang. In Poortvliet was men echter niet zo voortvarend. Elektriciteit werd als zondig beschouwd omdat op zondag de centrale werkt. Eén der ouderlingen zei tegen een gereformeerd ambtsbroeder waar de kerk recent van elektriciteit voorzien werd: ‘Hebben jullie de duivel in de kerk gebracht?’ waarop de gereformeerde ouderling antwoordde: ‘We staan gelijk: jullie branden petroleum die ook op zondag wordt gevaren en gelost’. Hoe werd het orgel gerealiseerd waar men zo vasthoudend was aan oude tradities en gebruiken. Visser gaf voortdurend moeilijke psalmen op zodat de gemeentezang in de soep liep. Een orgel zou uitkomst bieden. Alzo geschiedde. Dat was echter enkele jaren na Vissers dood.

We denken ook aan de christelijke gereformeerde kerkplanter Theo Visser, hoewel ik kerkplanter een ongelukkig benaming vind en liever spreek van pionier in het evangelisatiewerk.

Binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken kennen we ook predikanten met de naam visser. Ook  denken dan aan K. Visser (Barendrecht), M. Visser (Nunspeet) en P.D.L. Visser (Veenendaal zouden we kunnen noemen en dan is nog het einde niet. Op één van de christelijke gereformeerde predikanten uit vroeger tijd wil ik de aandacht vestigen. Het betreft H. Visser (1911-1970) de vader van de hersteld hervormde C.M. Visser. Een wonderlijke gang door de kerk heeft hij gemaakt. Van huis uit gereformeerd gingen zijn ouders over naar de Christelijke Gereformeerde Kerk. Na zijn bekering en roeping tot het ambt werd Visser binnen dat verband predikant in Bunschoten, Middelharnis en Rotterdam. In laatstgenoemde gemeente kreeg hij grondig meningsverschil over de leer. Het resulteerde in 1947 in een schorsing. De meerderheid van de gemeente en de kerkenraad steunde de predikant zodat al het hebben en houden aan Visser en de zijnen kwam. Met enkele andere vrije gemeenten vormde hij de Christelijke Gereformeerde Gemeenten. Eén daarvan ontstond op Urk waar ook een exodus uit de Christelijke Gereformeerde Kerk was ontstaan. Deze grote groep bouwde een eigen kerk, de huidige Jachin Boaz, en in 1960 werd Visser daar predikant en werd bij de inwijding van de kerk door Visser intrede gedaan. Toch bleef de schorsing aan Visser knagen. In 1966 vroeg hij weer als lid terug te mogen keren. Hij verliet Urk en vestigde zich elders. Hoewel Visser als lid van de Christelijke Gereformeerde kerk werd geaccepteerd, terugkeren in het ambt was niet mogelijk. Een predikant van dat verband had daarbij de merkwaardige opmerking: ‘Wij zien de kerk ook een beetje als een bedrijf en daarom nemen we jou die zoveel stuk heeft gemaakt nooit meer in de directie’. Daarop is Visser in allerlei vrije gemeenten gaan preken en zaaide als het ware aan alle wateren. Predikers heten vissers der mensen te zijn. Vandaar dat het kerkelijk centrum te Huizen waar ook kerkdiensten worden gehouden ‘Het Visnet’ heet. Vandaar dat de kansel van kerkgebouw De Ark te Urk gemaakt is in de vorm van de voorplecht van een vissersboot. V.D.M. Visser Der Mensen. Daar heeft ooit Thomas Boston mooie dingen van gezegd in zijn kostelijke werkje ‘De kunst van het mensenvangen’. Met enkele van de vele opmerkingen die hij maakt over het werpnet rond ik af:

In een net zijn vele mazen, waarin de vissen gevangen worden. Dat zijn de uitnodigingen, die aan de zondaars in het Evangelie tebeurtvallen: de zoete beloften, die hun gedaan worden, die tot Christus willen komen. Dat zijn de mazen, waarmee de ziel gevangen wordt. Dat is dus de Evangelieprediking, om aldus het Evangelie-net uit te spreiden, waarin vele mazen van verschillende uitnodigingen en beloften zijn; en als de vissen daar komen, dan worden ze gevangen. Opdat het net niet boven het water gelicht wordt en zo onklaar raakt om vis te vangen, en de vissen het net niet zouden geringschatten en er onder door zwemmen zijn er enkele stukjes lood aangehangen, om het recht in het water te houden. Opdat de uitnodigingen en beloften van het Evangelie niet geminacht worden, moeten er enkele wettische verschrikkingen en bedreigingen der wet gebruikt worden, om de vis in het net te drijven.

Het netwerk mag niet te ruim zijn, opdat de vissen er niet doorheen kunnen zwemmen. Zo mag ook uw leer niet algemeen zijn, zonder een speciale, persoonlijke toepassing.

Ook mogen de mazen niet te knap en te fijn zijn, of op een wonderlijke manier gemaakt, opdat ze de vis er niet buiten houden. Dus moet ge er voor zorgen om niet te streven naar het houden van een fijnzinnige en merkwaardige preek die uw hoorders toch niet begrijpen kunnen.