Kerknieuws
Gereformeerde Gezindte
Openingspagina
Boekbespreking
Foto's
Persoonlijk
Kerkbodes
Spreuk van de week
Overig
Ware gebeurtenissen
Kerkelijk leven
Jongerenrubriek
Muzikale pagina + agenda
Columns
Links
Uw aandacht voor:
Kerkelijk leven
 

1.       Ons kerkrecht: zijn wij gereformeerd? (ds. J.W. van Estrik, Goedereede): gelezen in het Paasnummer van ‘Onder de vijgeboom’ van 12 april 2017

Er ligt een zeer lijvig boekwerk op mijn bureau, met appendices en registers meegerekend telt het maar liefst 972 bladzijden. Breviers uitgeverij te Kampen heeft van het geheel een keurig gebonden boek gemaakt, bij de boekhandelaren verkrijgbaar voor €100,00. Het boek is niet van het soort ‘je leest het in één adem uit’, daarvoor is de inhoud te specialistisch en daarvoor bevat dit drukwerk teveel gedetailleerd materiaal. Dit resultaat van jarenlang onderzoek zal het gemiddeld lezerspubliek niet vinden, maar ongetwijfeld zal het de bestemming in een selecte lezerskring krijgen bestaande uit vakdeskundigen, studenten, belanghebbenden en geïnteresseerden. Kerkelijk is op deze nieuwe uitgave terdege de aandacht te vestigen.

Lemkerzaal te Kampen

Het stevige boek heb ik op bijzondere wijze in ontvangst mogen nemen, tegen dinsdag 21 maart was ik één van het kleine aantal genodigden – dus een zeer bevoorrecht mens – die getuigen waren van de boekpresentatie in de kapel van de Broederkerk, de historische Lemkerzaal te Kampen. De Pers was aanwezig en in het Reformatorisch Dagblad trof de lezer al snel een kort verslag en kleine impressie aan van de bijeenkomst waarin directeur Rouwendal, professor op ’t Hof en mr. Den Ottolander het woord voerden. De auteur zelf vertelde aan de hand van een PowerPoint iets over het boek. Het vuistdikke boek is van de hand van de heer D. de Vos, momenteel woonachtig in het Friese Feanwâlden. Hij was in de periode van september 1972 tot maart 2014 ouderling in Leiden (Marekerk) en Voorschoten (Rehobôthkerk). De heer  De Vos heeft indrukwekkend kerkrechtelijk onderzoek verricht en op de eerste lentedag deed hij zijn kerkrechtstudie het licht zien onder de titel Hervormd en gereformeerd kerkrecht met als ondertitel Een vergelijking. Het werk vermeldt – Voor Anneke – en ‘Aan de nagedachtenis van mr. L. Hardenberg’. Van mr. Lambertus Hardenberg, die in leven advocaat en procureur te Amsterdam was en die in de hoofdstad op 9 april 2013 op 88-jarige leeftijd stierf, staat op het voorblad een portret.

Werklust en studiezin van een farmaceut

De boekschrijver werkte jaren in de Farmacie. Op dat terrein verwierf hij veertig jaar geleden de doctorsgraad, bovendien bewees hij de farmaceutische industrie diensten met zijn vele wetenschappelijke publicaties. Gepokt en gemazeld in het gereformeerde gedachtegoed interesseert de auteur zich voor het kerkrecht. De bibliofiel heeft met enorme werklust en oeverloze speurzin tientallen meters boeken verslonden. Na jarenlange studie realiseerde hij zijn plan een kerkrechtboek te schrijven. Professor dr. W.J. op ’t Hof stelde voor met het onderzoek tot een dissertatie te komen, maar daarvan zag De Vos uiteindelijk af omdat voor de promotie onder andere moest worden omgezien naar een Zuid-Afrikaanse deskundige en omdat hij delen van het onderzoeksmateriaal moest gaan weglaten. De huidige norm voor de omvang van een proefschrift plaatste voor de eis een onmogelijke selectie te doen van het onderzoeksmateriaal. Bovendien had een promotie voor dr. D. de Vos met zijn reeds verkregen doctorsgraad geen toegevoegde waarde meer. De inhoud van het boek is onder wetenschappelijke en juridische begeleiding van deskundigen gerealiseerd, waarbij mr. Drs. F.W.J. den Ottolander, PhD, oud-vicepresident van het Gerechtshof te Amsterdam dankbaar is vermeld. Professor dr. W.J. op ’t Hof krijgt als universitaire begeleider eervolle naamsvermelding, alsmede drs. R.H.M. de Jonge, emeritus-predikant van de Protestantse Kerk in Nederland die grote delen van het manuscript meelas. Uit de hand van auteur Dick de Vos, aan wie uitgever dr. P. Rouwendal de eerste drie exemplaren overhandigde, ontving eerst prof. op ’t Hof en daarna mr. Den Ottolander een boekexemplaar. Voor wat betreft zijn kerkrechtstudie beschouwt dr. De Vos zich een leerling van wijlen mr. L. Hardenberg, hetgeen de lezer in het kerkrechtboek kan staven door te letten op de verwijzingen naar genoemde rechtsgeleerde. Mr. L. Hardenberg benadrukte dat de kerk van eigen rechte is en dat kerkrecht geen burgerlijk recht is!

Voor een goede samenvatting van dit omvangrijke kerkrechtboek is de ruimte hier te beperkt. Van de inhoud is niettemin het noodzakelijke te zeggen. De aandacht voor het boek onder ons is gerechtvaardigd omdat het juist ook onze voortzetting van de Nederlandse Hervormde Kerk raakt en ons kerkrecht een onderdeel van zijn onderzoek was. Auteur De Vos biedt ons een rijke schat aan gegevens wanneer het over kerkrecht gaat en speciaal wanneer wij ons de vraag stellen hoe gereformeerd ons kerkrecht is. Hij komt tot een opvallende conclusie voor ons kerkelijk handelen: ‘Het lijkt verstandig het kerkordewerk te onderbreken, te gaan nadenken over de beginselen, de Romeinse Artikelen op te stellen, in samenhang daarmee de ordinanties te maken en het geheel aan de kerk aan te bieden. Het huidige proces zal leiden tot een kerkorde die een verzameling is van stukken en brokken’ (pagina 613). Hoe komt dr. D. de Vos tot die opmerkelijk advies?

Opzet

De kerkrechtstudie is in 9 hoofdstukken verdeeld. Na een inleiding bekijkt de auteur wat het gereformeerd en het hervormd kerkrecht is aan de hand van vijf vergelijkingspunten: belijdenis, ambt, lidmaatschap, gemeente en kerkelijke vergaderingen. In hoofdstuk 8 schrijft hij een samenvattende discussie. In hoofdstuk 9 besteedt de auteur aandacht aan het kerkrecht van diverse afgescheiden kerken, alsook aan degenen die in hun gereformeerde oriëntatie tot de Protestantse Kerk in Nederland toetraden en degenen die achterbleven. Een goed leesbare samenvatting van zijn gehele onderzoek geeft De Vos op de pagina’s 621 tot en met 627. De hoofdstukken zijn in subparagrafen opgedeeld waarbij de auteur de lezer bij het lezen helpt met zogenaamde leeswijzers. In de leeswijzer biedt de auteur een korte samenvatting van hetgeen de lezer op de komende bladzijden vindt en kan verwachten. Aan het einde van een hoofdstuk formuleert dr. De Vos conclusies die hij tegelijk van een kleine toelichting voorziet.

Kerk, belijdenis, ambten

Kenmerkend voor een gereformeerde kerk is haar geloofsbelijdenis. De gereformeerde belijdenis is de grondslag, het fundament of de bodem van de gereformeerde kerk. Eérst ís er de geloofseenheid, dus de gelovigen, ambtsdragers en gemeenten of plaatselijke kerken, daarna volgt de organisatie. De Nederlandse Hervormde Kerk werd in 1816 van een gereformeerde kerk tot een hervormd genootschap waarin ambtenaren haar bestuurden. Vanaf 1951 echter tot aan 2004 was de Nederlandse Hervormde Kerk volgens haar kerkorde formeel wéér een gereformeerde kerk. Zij stond in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift weer op de bodem of grondslag van de gereformeerde belijdenis. Ook haar rechtspraak stond op die bodem. Naar het inzicht van De Vos was de kerkorde weliswaar gereformeerd, de kerk zelf was in de praktijk pluraal, tijdens het Samen-op-Weg proces legde men vast dat de belijdenis geen fundament meer was, de kerk was een kerkgenootschap met een plurale geloofsleer.

In de gereformeerde opvatting is het kerkrecht geen recht van de staat. De kerk, kerkelijk recht en de kerkelijke rechtspraak zijn van eigen rechte en zij staan op de grondslag van de gereformeerde belijdenis. Een typisch gereformeerd punt noemt De Vos het ambt. De kerk wordt geestelijk geregeerd door de ambten, in het gereformeerde ambt is er de klassieke driedeling: predikant, ouderling en diaken. Een ambtsdrager is een geestelijk voorganger die de gemeente voorgaat in het belijden, de belijdenis is dus met het ambt verbonden. Ambtsdragers dienen de belijdenis dan ook te onderschrijven. Een ambtsdrager vertegenwoordigt niet de gemeente, maar  Christus. Zij zijn Christus’ dienaren en voor hun verkiezing tot een ambt ligt het initiatief bij de kerkenraden. Door het Reglement in 1816 werden de ambtsdragers ambtenaren. In de hervormde kerkorde 1951 zijn de ambtelijke vergaderingen hersteld, de regering van de kerk geschiedt van Christuswege, wel bleef in tegenstelling tot de gereformeerde kerkordeningen de verkiezing van de ambtsdragers op democratische wijze plaatsvinden. Geldt in de gereformeerde opvatting dat het lidmaat-van-Christus-zijn kenmerkend is voor het horen bij de plaatselijke kerk, eveneens geldt het dat een plaatselijke gemeente compleet kerk is. De gemeenten zijn door de belijdenis met elkaar verbonden, de plaatselijke gemeente behoudt de regeermacht en gemeenten heersen niet over elkaar. Voor het gereformeerde kerkrecht is volgens de auteur dit kenmerkend en te adviseren: ‘De grondbeginselen van het gereformeerde kerkrecht zijn het niet-heersen-beginsel en de belijdenis als teken van eenheid en fundament. Het gereformeerde kerkrecht moet worden gezien naast het recht dat van de staat uitgaat. Het Nederlandse gereformeerde kerkrecht is van Franse afkomst. De theologie van het gereformeerde kerkrecht is de gereformeerde theologie van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, die overeenkomt met de Franse. De staat heeft ook steeds invloed op de kerk trachten uit te oefenen. De gereformeerde kerk heeft dit altijd tegengegaan. Om de gereformeerde identiteit te behouden dienen in de kerkorde beschermingsmaatregelen te worden genomen. In een preambule kan het belijdenisfundament worden omschreven. Ambtsdragers dienen de belijdenis te ondertekenen. De leden van de colleges voor kerkelijke rechtspraak dienen een verklaring te ondertekenen, dat zij zich niet zullen bewegen buiten het belijdenisfundament. In de kerkorde dient te worden opgenomen, dat de kerkorde wel opnieuw kan worden vastgesteld, maar dat een volgende of nieuwe kerkorde zich dient te bewegen binnen het perk van de oude kerkorde’. (pagina 624-625).

Een dreigende scheuring

Onze wortels zijn duidelijk: gereformeerd. Het gaat om een kerk naar gereformeerde beginselen. Geen twijfel over wat we willen zijn: een hervormde kerk op gereformeerde grondslag, hervormde gemeenten volgens gereformeerd kerkrecht. Zijn wij dat ook? Is onze kerkorde gereformeerd? De auteur stelde zich die vraag en hij moest bij het formuleren van zijn antwoord zich verantwoorden van de droeve scheuring op 1 mei 2004, nu bijna 13 jaar geleden. Wat is de stand van zaken als het om gereformeerd kerkrecht gaat na dertien jaren inspanning?

Vanaf bladzijde 600 brengt de schrijver de Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk voor het voetlicht, hij bespreekt de oprichting van het Comité tot behoud van de Nederlandse Hervormde Kerk en ook vermeldt hij het Convenant van de hervormde classis Alblasserdam en de status daarvan. Pregnant en bijzonder maar ook lastig en pijnlijk voor de lezer zijn de als historische feiten vermelde jawoorden, gedagtekend 21 november 1992. Dr. D. de Vos kreeg het ‘ja’ en het nog eens ‘ja’ te horen uit de mond van de algemeen secretaris van de Gereformeerde Bond dr.ir. J. van der Graaf toen hij hem de directe en niet mis te verstane vraag stelde of de Gereformeerde Bond de Nederlandse Hervormde Kerk zou voortzetten bij de vorming van de Verenigde Protestantse Kerk in Nederland. Dr. De Vos vond dit nog eens terug in de brochure Ondeugdelijke basis waarin kerkenraden werden opgeroepen nee te zeggen tegen genoemde kerk omdat de Nederlandse Hervormde Kerk moest blijven voortbestaan (pagina 601). De Gereformeerde Bond stond op het standpunt dat de Verenigde Protestantse Kerk in Nederland gezien de grondslag niet de voortzetting van de kerk der Reformatie van dit land was (pagina 602). Op 21 september 1996 maakte de Gereformeerde Bond bekend toch in het nieuwe kerkgenootschap een post te zullen betrekken. Naar de overtuiging van De Vos was een breuk te voorzien: ‘De Gereformeerde Bond heeft ervoor gekozen om bij de kerkfusie tot de Protestantse Kerk in Nederland toe te treden. Kerkscheuring was te verwachten in gemeenten die gewoonlijk tot de ligging van de Gereformeerde Bond worden gerekend’ (pagina 604). Voor wat betreft de Protestantse Kerk in Nederland concludeert de schrijver dat het nieuwe kerkgenootschap de belijdenis niet als grondslag kent, hetgeen van de Nederlandse Hervormde Kerk wel gold. Volgend de hervormde kerkorde en de daaraan voorafgaande werkorde was de belijdenis de grondslag van de kerk. De Protestantse Kerk in Nederland wordt van bovenaf geregeerd: de classicale vergadering is de leidinggevende van de kerkenraad, de synode is de leidinggevende van de kerk. De democratie is een vaste waarde voor de nieuwe Protestantse Kerk.

Respecteren keuzes

Het onderzoek van dr. De Vos bevat in de opsomming van de recente gebeurtenissen gevoelige zaken. De doelstelling van het Comité was naar zijn zeggen slechts bezinning. Deelnemende predikanten stonden zelf voor de beslissing wel of niet tot de Protestantse Kerk in Nederland toe te treden. Ieder diende in zijn besluit te worden gerespecteerd!

Aan het wederzijds respecteren van elkaars positie heeft het geschort zoals valt te lezen. De Gereformeerde Bond wees de Hersteld Hervormde Kerk als de schuldige van de breuk aan hoewel degenen die niet de vrijheid vonden om tot de Protestantse Kerk in Nederland toe te treden deden waartoe de Bond had opgeroepen: neen zeggen tegen de Protestantse Kerk in Nederland (pagina 617-618).

De onderzoeker weerspreekt de mening van Van der Graaf dat er bij het Comité een communicatieplan gereed lag om niet mee te gaan met de Protestantse Kerk in Nederland. Daarvoor voerde Van der Graaf ds. P. Molenaar op en stelde dat het Comité zich nog activistischer gedroeg dan Kuyper. De eerlijke weergave is echter, ik citeer het boek: ‘Toen de datum van 1 mei 2004 naderde raakte ds. P. Molenaar in gewetensnood. Hij koos er toen voor om met de Protestantse Kerk in Nederland mee te gaan. Ook deze keuze dient te worden gerespecteerd. Ds. Molenaar heeft ten tijde van zijn beslissing geen enkel argument bekendgemaakt. Ds. Molenaar heeft kennelijk achteraf bepaalde zaken op papier willen zetten. Hij voert aan dat het communicatieplan door het Comité is afgewezen. Hij stelt voorts dat het Comité onvoldoende actie zou hebben ondernomen om het scheiden der wegen te voorkomen. De schrijver van dit boek stelt, als goed over het Comité geïnformeerde, dat een communicatieplan, zo het al zou hebben bestaan, geen rol van enige betekenis heeft gespeeld. Het Comité heeft verder tot aan 1 mei 2004 niets anders gedaan dan een breuk trachten te voorkomen. Ds. Molenaar geeft ook aan, dat er activiteiten buiten het Comité om plaats vonden. Het Comité heeft zich jarenlang bezonnen en is tenslotte in de gebeurtenissen rond 1 mei 2004 verdwenen. Jarenlang vroegen gemeenten en lidmaten wat zij moesten doen als zij niet tot de Protestantse Kerk in Nederland wilden toetreden. Uiteindelijk hebben de kerkenraden zelf het initiatief genomen. Dat gebeurde vier maanden (!) voor de fusiedatum van 1 mei 2004. Dat kan niet activistisch worden genoemd, maar moet als slechts een noodzakelijke reactie op het laatste moment worden aangeduid’ (pagina 611-612).

Kerkrecht op de bodem van de belijdenis

De auteur is kerkrechtelijk ook kritisch tegenover de kerk waartoe hij behoort. Hij toetst haar in hoeverre zij in kerkrecht gereformeerd is. De Vaderlandse Kerk is van oorsprong gereformeerd. Vanaf de synode van Emden 1571 karakteriseerden de gereformeerde beginselen de kerk. De gereformeerde belijdenis als teken van eenheid en fundament en de presbyteriale regering van de kerk kenmerkten de hervormde kerkorde 1951. Eed en plicht weerhielden toetreding tot de Protestantse Kerk in Nederland, waarin onder andere geen belijdenisfundament is, aldus de kerkrechtonderzoeker.

In kerkelijk opzicht hebben vertegenwoordigers van de Nederlandse Hervormde Kerk in hersteld verband zich zwak opgesteld. Het tekenen van een vaststellingovereenkomst over de naam van de kerk is daarvan een bewijs. In zijn afsluitende bespreking stelt de auteur wat van de Hersteld Hervormde Kerk mag worden verwacht: een in gereformeerde zin gemodicifeerde hervormde kerkorde 1951. Die verwachting is reëel: het gaat immers om een gereformeerde kerk. Helaas is daarvan geen sprake, die verwachting is niet uitgekomen: de Hersteld Hervormde Kerk heeft een kardinale fout gemaakt door de hervormde jurisprudentie over te nemen. Hier treft de onderzoeker de zaak in het hart, hiermee is het advies dat in het begin van deze bijdrage staat met ronde woorden verklaard. Onze kerk dient weer gereformeerd te worden, het kerkrecht gereformeerd te nemen: kerkrecht als eigen recht, onafhankelijk van dat van de staat.  De schrijver geeft nog veel werk te doen. Het gereformeerde kerkrecht is naar zijn oordeel het best bewaard in de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland.

Kerkrecht

De auteur heeft een grootse prestatie geleverd. Hij is te feliciteren met de bekroning van zijn arbeid. Hij heeft ons een grote dienst bewezen waarmee hoe dan ook aan de slag moet worden gegaan. Onze kerk heeft zich van haar lange geschiedenis rekenschap te geven en zij moet de vraag beantwoorden of zij gereformeerd is zoals gereformeerd begonnen is en zoals gereformeerd wil zijn. Voor de bestudering van gereformeerd kerkrecht zal dit boek in ieder geval een onmisbaar naslagwerk blijken. Ons Seminarie heeft er voor onze studenten een belangrijk werk bij en delen zijn als verplichte literatuur te selecteren. Een discussie is te ontwikkelen maar daarvoor is een voorafgaande kennisname noodzakelijk. De toekomst zal leren of onze hervormde kerkorde de noodzakelijke aanpassingen krijgt zodat gezegd kan worden dat wij in ons kerkrecht dichterbij het gereformeerde kerkrecht zijn dan de Christelijke Gereformeerde Kerken, ja meer nog dat wij volgens het gereformeerde kerkrecht handelen.

2.       Hervormd gebleven voorbij 2004 (2; ds. C.J.P. van der Bas, Zomba): gelezen in Kerkblad Hersteld Hervormde Kerk van 13 april 2017

Wat betekent dat in prediking en pastoraat?

In het voorgaande artikel stonden we er bij stil wat het Hervormd zijn betekende voor de prediking en het pastoraat voorafgaand aan de pijnlijke breuk die werd veroorzaakt op 1 mei 2004. We stonden stil bij hoe het was in de 19e eeuw en bespraken daarbij de visie op de prediking en de roeping. Nu een aantal overwegingen omtrent predikers en prediking die goeddeels te vinden zijn in een bundel artikelen van ds. W.L. Tukker, in 1979 verschenen onder de titel: ‘De weg van het Woord’.

Preekvoorbereiding

Ds. Tukker verwijst als het gaat over preekvoorbereiding naar de illustere prof. dr. J.A.C. van Leeuwen, die het volgende aan zijn studenten voorhield: ‘Straks bent u Verbi Divini minister, het is niet betamelijk dat de dienaar gaat spreken, voordat zijn Meester heeft gesproken. Laat eerst de Meester spreken, luistert naar Zijn Woord. De kern van elke prediking dient een nauwgezette exegese te zijn. Alleen van daaruit kunt ge u aan de toepassing wagen. De gemeente komt samen om het Woord te horen. Niet het woord van de prediker, maar het Woord Gods’.

Ds. Tukker zegt zelf op enig moment tegen studenten: ‘Men dient met de prediking alle ernst te maken. Het is de eerste taak die u wordt opgedragen. Laat ieder daar de nodige zorg aan besteden en vooral tijd voor nemen. Het eerste stuk van de week of het laatste stuk van de week, maar in ieder geval gereserveerde tijd. Men gebruike daarvoor zijn Bijbel met de Hebreeuwse en Griekse tekst ernaast. Met goede commentaren. Maar géén preken van anderen en geen oude kerkboden of kerkelijke bladen. En…men vergete de bid- en dankstoel niet in zijn studeerkamer, voor, tijdens, en na het preekmaken’. Tukker staat niet alleen een filologische exegese voor, maar ook een theologische. Hij doelt daarmee op het belang van de zaken die in het tekstgedeelte aan de orde zijn. Een tekst staat nooit op zichzelf. Een tekstgedeelte maakt deel uit van het geheel van het Woord van God. Het staat in relatie tot de wijdte, hoogte en diepte van de inhoud van de Heilige Schrift. De hoofdlijnen van de Bijbel, de hoofdstukken van ons christelijke geloof, de zin en de mening des Geestes, daar gaat het volgens hem om. In dit verband bepleit Tukker ook doorpreken van de gehele Bijbel, Oude en Nieuwe Testament. Hij waarschuwt voor het bepreken van een eigen bloemlezing van Bijbelteksten. Dat kan er immers toe leiden, dat alleen die Schriftgedeelten aan de orde komen die bij ons eigen gedachtengoed passen, bijvoorbeeld over wedergeboorte, geloof en bekering.

Waarschuwing

Als de kerk en haar dienaren de preek niet serieus nemen, dan neemt het volk die ook niet serieus. Dat niet serieus nemen van de preek is aan de orde, wanneer te weinig tijd wordt gebruikt voor de voorbereiding van de preek. Maar dat gebeurt ook wanneer preken die in een eerste gemeente zijn gemaakt gewoon in volgende gemeenten weer worden gehouden. Niemand legge zichzelf die beperking op. Men arbeide gestaag en al zijn leven door in het Woord Gods, zover men maar komen kan, met eigen gemaakte preken.

De drie-enige God

Gaat het over een typering van de prediking, dan dringt ds. Tukker er op aan om het onderscheid tussen de Personen Gods en Hun werken in de prediking tot hun recht te laten komen. Het recht van God, de genade in Christus en de toe-eigening door de Geest van God. Waar dat gebeurt, komen de ontdekking aan de zonde, de overtuiging van zonde, de toeleiding tot Christus, de inleiding in Christus en de vertroosting van de Heilige Geest, ja de bezegeling door de Geest en beloften, als vanzelf aan de orde. Om misverstanden te voorkomen legt hij uit wat hij bedoelt, wanneer hij spreekt over het aan de orde komen van deze elementen in de prediking. Daarmee doelt hij niet alleen maar op het voorstellen van één en ander, maar ook op het uitdelen ervan.

Wedergeboorte en de oproep tot bekering

Waar het gaat over de Heilige Geest en de prediking draagt hij het volgende aan: Als in de prediking de noodzaak van wedergeboorte wordt voorgesteld, dan zal toch niet nagelaten worden om in Christus’ Naam een oproep tot bekering te laten horen? Hij verwijst daarbij naar Ezechiël 37. De Geest des Heeren wekte leven in de dorre doodsbeenderen, maar de profeet moest profeteren. Naar zijn overtuiging dient de prediking, waarmee tot bekering wordt geroepen, profetische kracht te hebben. De prediking is namelijk het middel waardoor God het geestelijk leven geeft en ook onderhoudt. De prediker is het middel waardoor de Heilige Geest een zondaar tot Christus leidt. De Heilige Geest bewerkt dat. Niemand zal, als hij in de preek het heil aan het hart der gemeente wil brengen, aan de Heilige Geest dit werk betwisten. De Heilige Geest wil door mensendienst het woord der genade in het mensenhart indragen.

Onderscheidend preken

Naar zijn overtuiging dient er onderscheidend gepreekt te worden. De kerk bestaat nu eenmaal niet alleen uit uitverkorenen, uit gelovigen. Dat gold ook niet voor de gemeenten in het Nieuwe Testament en al evenmin voor de gemeente in Israël. Onderscheidend preken dat houdt onder andere in: zich richten tot onverschilligen, weerspannigen, afdwalenden. Predikers hebben het niet in de hand om zondaren te bekeren, maar men moet wel zijn bediening er op richten om zondaren te bewegen om de wegen van het kwaad te verlaten. Tegelijk geeft hij aan dat de grens tussen bekeerd en onbekeerd niet zo eenvoudig te trekken is. De brede weg is een heel andere dan de smalle. Maar toch, wie zal weten wat er verborgen in het diepe hart leeft? Soms gaat er leven schuil achter een onverschillige houding. Soms gaat er onbekeerlijkheid schuil achter een vrome houding. Wij hoeven het ook niet uit te maken. God kent de harten en oordeelt ze.

Het zaad der kerk

Nadrukkelijk vraagt ds. Tukker aandacht voor de kinderen en de jongeren van de gemeente, het zaad der kerk. Hoe vroeg, hoe teer kan daar genade ontluiken! Het Doopformulier zegt, dat de kleine kinderen der gelovigen in zonden ontvangen en geboren zijn en daarom kinderen des toorns zijn, zodat zij in het rijk Gods niet kunnen komen, tenzij dat zij van nieuws geboren worden. Zo dienen we tegen het zaad van de kerk aan te kijken. Maar dat formulier zegt ook: dat zij als lidmaten van Zijn gemeente behoren gedoopt te wezen. En dat zij in Christus geheiligd zijn. Zij worden vermaand en verplicht tot een nieuwe gehoorzaamheid. Ze dienen opgevoed te worden in de vreze en vermaning des Heeren. Christelijk en godzalig. Er dient voor hen gebeden te worden om de Heilige Geest. De kinderen en jongeren van de gemeente vragen aparte zorgzaamheid, herderlijke prediking!

Bekommerden en verzekerden

Tenslotte vraagt ds. Tukker aandacht voor de vraag of er onder de gelovigen wel zo eenvoudig onderscheid te maken is tussen bekommerden en verzekerden. Hij weet, hoeveel bekommering er kan zijn in een christenhart en wel tot aan het einde toe.

Hem is het genoeg, als iemand, met het Avondmaalsformulier, ziet dat hij midden in de dood ligt en zijn gerechtigheid en zaligheid buiten zichzelf in Christus zoekt.

Hem is het genoeg, als iemand met het Doopformulier geleerd heeft om zijn oude natuur te doden, de wereld te verlaten en in een nieuw godzalig leven te wandelen.

De toepassing in de prediking

Ook over de toepassing in de prediking heeft ds. Tukker behartenswaardige dingen te zeggen. Hij verwijst naar de predikers uit de tijd van de Nadere Reformatie. Als men ziet in welke verhouding exegese en toepassing bij hen voorkomen, dan zal men verbaasd staan over de omvang van het uitlegkundig deel. Bij mannen als Van Mastricht, Comrie, A Brakel en Van der Groe is de verhouding 2 of zelfs 3 staat tot 1. Bij de Engelse en Schotse godgeleerden liggen de dingen volgens hem anders. Die zijn in hun preken toepasselijker. Tukker geeft het volgende advies: Men houde zich voor alles aan een goede exegese. Van daaruit komt het tot een goede toepassing. En die toepassing bestaat uit een goede uitdeling van de genade in Christus aan hen die in Hem leren geloven en een eerlijke onthouding van de genade in Christus aan hen die volharden in hun ongeloof, vergelijk de Heidelbergse Catechismus, Zondag 31.

3.       Kanselruil? (ds. A.C. Rijken, Gameren): gelezen in Kerkblad Hersteld Hervormde Kerk van 13 april 2017

Het is met enige tegenzin dat ik mij achter mijn toetsenbord gezet heb en deze eerste woorden tik. Waaruit deze tegenzin voortkomt? Nee, niet uit het feit dat ik een hekel zou hebben aan het schrijven. Dat was vroeger wel zo, maar in de loop der jaren is onder andere door de wekelijkse gemeenteberichten een zekere – tenminste dat hoop ik – vaardigheid in het schrijven ontstaan. Wat is het dan wel dat het blijkbaar zo’n moeite geeft om erover te schrijven? Wel, als ik het in één woord moet samenvatten, dan is het het woord kanselruil of beter gezegd: het verband waarin dit woord door sommigen gebruikt wordt en wat hen daarbij voor ogen staat.

Terecht vraagt zich misschien iemand af, waarom wordt er nu door mij dan toch over geschreven? Als dit onderwerp zo moeilijk ligt, waarom er dan niet over gezwegen? Als antwoord op deze terechte vraag wil ik verwijzen naar het RD van zaterdag 1 april jl. Op pagina 2 van ‘Kerk en Godsdienst’ staat helemaal bovenaan met grote letters geschreven: ‘Stel de kansel open voor elkaar’. Het RD vindt dit blijkbaar zo’n belangrijk onderwerp dat ze er zelfs al in een apart blokje op de voorpagina naar verwijst. Wanneer we vervolgens die voorpagina omslaan, dan valt het desbetreffende artikel al direct op. Het staat – zoals gezegd – helemaal bovenaan de pagina en daarbij is het ook nog over vier kolommen verdeeld. Wanneer we nu het artikel zelf lezen, dan blijkt het echter te gaan om een boekpresentatie in de Oude Kerk te Katwijk aan Zee.

Op vrijdag 31 maart jl. was daar in de bekende, aan de apostel Andréas gewijde, Witte Kerk aan de zee een bijeenkomst belegd ter gelegenheid van de verschijning van een boek met als titel: ‘Nu het ouderdomt. Scheerlicht over het leven van ds. A. Beens’. Vanzelfsprekend werden bij deze gelegenheid vele herinneringen opgehaald over de al in 2005 met emeritaat gegane predikant ds. A. Beens, die binnen de oude hervormde kerk in totaal zo’n zeven gemeenten heeft mogen dienen. Bij al de herinneringen werd ook onder de aandacht gebracht hoezeer hij geleden heeft onder de kerkscheuring van 2004. Zelfs – zo lees ik in het artikel – werd zijn gezondheid hierdoor geschaad. Ik laat dit alles nu verder liggen, temeer daar ik ds. A. Beens persoonlijk nooit ontmoet heb en bovendien ook niet ken. Wel kan ik met hem meevoelen als het gaat over de pijn die deze scheuring heeft teweeggebracht. De pijn namelijk van het moeten loslaten en van het elkaar verliezen om ten slotte alleen komen te staan. Ja, juist toen op maandag 14 juni 2004 door de Generale Synode van de PKN een aangetekende brief verzonden werd met daarin een besluit dat door de kleine synode op woensdag 9 juni 2004 genomen was.

Hoe verleidelijk het ook is om deze brief van in totaal vier A4’tjes in haar geheel te citeren, ik wil hier omwille van de ruimte alleen maar datgene eruit lichten, waarin staat dat de predikanten die zich in die nieuwe fusiekerk niet wilden laten meenemen ontheven werden uit het ambt van predikant in de PKN en dat zij daarbij ook losgemaakt werden van de gemeenten die zij tot dan mochten dienen. Met nadruk werd er verder nog in deze aangetekende brief van de Generale Synode van de PKN gezegd wat dit betekende, namelijk – en ik citeer letterlijk – ‘De ontheffing van het ambt van predikant in de Protestantse Kerk in Nederland brengt mee dat u niet langer de bevoegdheid hebt tot het verrichten van ambtshandelingen in enige gemeente van de Protestantse Kerk in Nederland’ (cursief van mij).

In een begeleidend schrijven werd bovendien nog opgemerkt: ‘Mocht u tot de conclusie komen, dat u toch kunt en wilt functioneren als predikant van de Protestantse Kerk in Nederland (bij voorbeeld in een tot haar behorende hervormde gemeente) en terug wilt keren naar onze kerk, dan is het moderamen van de generale synode bereid te overwegen of en op welke wijze, de relatie tussen u en de Protestantse Kerk in Nederland kan worden hersteld’ (cursief opnieuw van mij).

De brief, die als een reactie op een eerder schrijven onzerzijds – dat we om principiële redenen niet mee konden in de PKN – beschouwd kan worden, was helder en zorgvuldig opgesteld. Daar was en is nog steeds geen speld tussen te krijgen. Ook leden van de kerkenraden kregen korte tijd daarna een soortgelijke brief, waarin zij als ouderling of diaken uit het ambt werden gezet, omdat ook zij het exclusieve recht van het gereformeerd belijden niet konden en daarom niet wilden loslaten. Het pijnlijke bij dit alles was de oorverdovende stilte. Ik heb – of het moet mij ontgaan zijn – van geen officieel bezwaar binnen de PKN gehoord, van – ik formuleer het maar neutraal – niemand! Ik kan me ook niet herinneren dat deze brief in de – ik formuleer het maar opnieuw neutraal – media besproken is. Daarom: Hoe kanselruil? Zonder dat deze brief ingetrokken is? Dat is alleen al kerkordelijk onmogelijk! Laten we in dit alles toch kerkelijk blijven denken, temeer daar dit veel verwarring voorkomt en principieel gezien het allerzuiverste is!