Kerknieuws
Gereformeerde Gezindte
Openingspagina
Boekbespreking
Foto's
Persoonlijk
Kerkbodes
Spreuk van de week
Overig
Ware gebeurtenissen
Kerkelijk leven
Jongerenrubriek
Muzikale pagina + agenda
Columns
Links
Uw aandacht voor:
Gedichten
Krantenknipsels
Overdenking
Inleidingen
Inleidingen

De roeping van Abram (dhr. M. van der Valk, Papendrecht)

We willen het deze keer met u hebben over de roeping van Abram, zoals we dat lezen in Genesis  12 : 1:  De HEERE nu had tot Abram gezegd: Ga gij uit uw land, en uit uw maagschap en uit uws vaders huis, naar het land dat Ik u wijzen zal.

Het is altijd belangrijk wie er iets tot ons zegt. We lezen zo veel dat mensen spreken, ook over Goddelijke zaken, terwijl de Heere er niets vanaf weet. Noemen mensen u een bekeerde man of vrouw, jongen of meisje of weet de Heere ervan af? Bij Abram lag het anders. De Heere spreekt tot Abram. En wie is de Heere?

Hij is Heilig en Rechtvaardig en Alwetend. Hij kan geen gemeenschap houden met onheilige mensen. Wie kan God zien en leven? En toch spreekt de Heere tot Abram.

Was Abram dan zo’n bijzondere persoon? O nee, Abram was een zondig mens.

Hij leefde in de zonde, hij woonde in Ur der Chaldeeën. Zijn vader heette Terah. Hij was uit het geslacht van Sem.

Sem was een godvrezende zoon van Noach. En zijn nageslacht? Wat was er van hen overgebleven? Ach, na de dood van Sem ging het al spoedig bergafwaarts met zijn kinderen. Al spoedig doet de zonde zijn intrede in het leven van Sems nageslacht. We zien dat ze de maangod Sin aanbidden. En in zo’n tijd leefde Abram nu. Dan had hij het zeker wel moeilijk? Dan was hij in zijn tijd toch zeker wel een eenling? O nee, hij had het best naar zijn zin in Ur, want hij diende ook de afgoden.

In onze gedachten zien we hem de toren van de tempel van de maangod beklimmen, hij gaat offers brengen en de afgoden aanbidden. Veel godsdienst, doch weinig Godsvreze.

Het is net of het geschreven is in onze tijd. Precies hetzelfde. Een vreselijke afval in kerk en maatschappij. We dienen volop de afgoden van deze tijd.

Ach, het is al begonnen in de hof van Eden. Toen zijn wij op de troon van God gaan zitten om zelf te gaan heersen en God van de troon af te stoten. We hebben toen de naam mensenkind gekregen en dat betekent: zoon van Adam. We zijn wetsovertreders geworden. En elke dag vermeerderen we onze schuld. Ook wij dienen de afgoden van deze tijd, al gaan we trouw naar de kerk.

De één dient de afgod van zijn eigen ik, een ander dient de geldgod, een derde dient de modegod, weer een ander dient de sportgod of de popgod en sommigen dienen ook de domineesgod. Maar wie van ons dient nu de ware God?

Want met al die afgoden van ons komen we voor eeuwig om. Er moet wat gebeuren in ons leven. We moeten van koning veranderen. We leven nu onder het vaandel van koning satan waar we het best hebben, we mogen alles van hem. Je mag van de duivel best naar de kerk gaan, als je maar niet gaat roepen om genade, als je maar niet gaat bidden: Heere, bekeer mij. We moeten overgezet worden naar het rijk van Koning Jezus. Ook daar mag je alles, behalve één ding, en dat ene dat doen we nu zo graag: Zondigen. Of hebt u, heb jij de schuldbrief thuis mogen krijgen en ween je bij dagen en bij nachten omdat je tegen zo’n goeddoend God gezondigd hebt?

Hoe werkt de Heere die verandering nu?

Gaan we dan netjes leven? Dat zal wel eens kunnen gebeuren.

Gaan we ons dan warm lopen voor allerlei reformatorische instellingen? Dat denk ik ook wel.

Pas las ik nog een boek van ds. M. Pronk waar hij schrijft over wat hij onder reformatorisch verstaat. Ik citeer: we bezoeken een reformatorische school, we lezen een reformatorische krant, alles reformatorisch. Toch zit er in al die dingen een groot gevaar. Want wat betekent reformatorisch? De letterlijke betekenis is: hervormen, verbeteren, opknappen. En dat is nu ons bestaan. We proberen ons op te knappen voor God. Einde citaat.

Maar ach, al die pogingen tot reformatie helpen niet als we niet naar de oorzaak geleid worden, en dat is onze diepe val in het Paradijs. Daar werd Abram heen geleid. Toen kon hij de afgoden niet meer dienen. Toen heeft hij zich zeer zeker ook wel proberen op te knappen. Maar ach, niets hielp. Totdat de HEERE kwam. De HEERE met vijf hoofdletters sprak. Die Naam HEERE betekent: Ik zal zijn die Ik zijn zal. Dat is Zijn verbondsnaam. Dat is heel wat anders dan de betekenis van Abrams naam. Die heeft ook een schone betekenis. Abram betekent namelijk: ‘verheven vader’. Zijn naam schiet echter in het niet bij de naam HEERE.

Het verbond met Abraham Zijn vrind, bevestigd Hij van kind tot kind. De Heere gaat dus spreken. Luister maar: De HEERE nu had tot Abram gezegd. De HEERE had, dus verleden tijd. Hoe komt dat? Wel, in het vorige hoofdstuk lezen we dat Terah zijn zoon Abram meenam. En dan zeggen de kanttekeningen op onze Statenvertaling: nadat hij door zijn zoon verstaan had, dat God hem geroepen had te gaan uit zijn vaderland. Straks kom ik er nog op terug. De Heere spreekt verder: Ga gij uit uw land, uit uw maagschap en uit uws vaders huis.

Het is dus een bevel. Ga. Direct. GA. En dan dat tweede: Gij.

Wat is dat persoonlijk. Er staat niet: jullie. Nee, gij, en als ik het letterlijk neem staat er in het Hebreeuws: Gij voor u. Ga gij voor u uit uw land. Het is een persoonlijke roeping. Krachtdadig, onwederstandelijk. Het kan er zelfs zo staan: Gij, ga gij uit uw land, dus een dubbel bevel.

Hier is sprake van een inwendige roeping. Wat wil dit zeggen? Twee dingen.

Het is een voorrecht dat wij mogen leven op het erf van de kerk. Dat wij elke zondag naar Gods huis mogen gaan. Dat betekent dat God u, jouw en mij roept.

We noemen dat de uitwendige of algemene roeping. De Heere houdt niet op ons na te wandelen. De Heere liet ons geboren worden in dit land. Een voorrecht. We mochten naar de zondagsschool en naar de catechisatie gaan, en op de jeugdvereniging samenkomen rondom het Goddelijke Woord. De Heere kan ons ook anders roepen. Hij kan ons op een ziekbed werpen, of ons plotseling met de dood confronteren. Dan zegt de Heere: Mijn zoon, Mijn dochter, denkt er toch aan, het wordt eeuwigheid. Geef Mij toch je hart! Nog steeds is dit de uitwendige roeping. God roept ons altijd door Zijn Woord en wel vooral door het Evangelie. Nooit door de Wet. Natuurlijk, Gods volk komt wel in aanraking met die Wet. Maar die Wet moet hen verdoemen. En het Evangelie is er tot hun behoudenis.

De Wet, zegt Paulus, is een tuchtmeester tot het Evangelie, Christus.

Denk er toch om jeugd, ouderen, dat de Heere geen lust in jouw en uw dood heeft, maar wel in je bekering. Hoelang roept God ons al?

Bedenk het wel, als u voor de Heere moet verschijnen kunt u nooit tot Hem zeggen: Heere, ik heb het niet geweten, U heeft mij niet gewaarschuwd. Want weet je wat de Heere dan zal zeggen? Gij hebt niet gewild dat Ik Koning over u zijn zou. En dan roept Hij Zijn dienaren en zegt: Breng ze hier en sla ze voor Mijn voeten dood. Zult u, zul jij dat ook ondergaan? Van nature vraagt er niemand naar God. We zijn doof voor de roepstemmen des Heeren. We hebben geen zelfkennis, geen Godskennis en geen Christuskennis. We verstaan de diepte van de val in Adam niet en we verstaan ook de diepte van Gods eeuwige liefde niet. Weet u wat er in ons hart leeft? Briesende vijandschap tegen die lieve God. We spreken het misschien nog niet uit dat we niet willen dat God Koning over ons zijn zal, maar we leven er wel naar. Anders zouden we de plaatsen der ijdelheid niet opzoeken. Dan ziet de wereld ons op de zaterdagavond niet meer in café’s en disco’s, maar dan zien ze je op de knieën liggen voor de Heere. En dan is er het geschreeuw vanuit het diepste van je hart of de Heere je nog bekeren wil. De Heere roept ons allemaal, dat is dus uitwendig. Nu roept Hij ook nog een volk inwendig. Kijk naar Abram. Was Abram dan een beter mens dan ieder ander? O nee, we zagen het hoe hij voor de maangod zijn knieën boog. Abram is ook van God afgevallen. Maar dan dat wonder dat de Heere tot Abram zegt: Gij.

Dan wordt het een persoonlijke zaak. Heeft de Heere u en jou al geroepen? Inwendig? Dat u last kreeg van uw bedreven zonden? Dat u vroeg om genade? Want er zijn vele roepstemmen in ons leven. Maar wat doen we nu met al die roepstemmen? Het is God in Christus, Die roept tot het heil, tot de zaligheid. Wat betekent ook al weer dat woordje zalig? Zalig betekent: vol zijn van iets. Als iets vol wordt gemaakt, dan is er iets aan voorafgegaan. Wat dan? Dan is het eerst leeg geweest. Hoe kun je nu een glas vullen als het vol is? Dan moet het toch eerst leeg gemaakt worden?

Zo is het ook geestelijk. Willen we zalig kunnen worden, moeten we eerst leeg gemaakt worden. Want we hebben onze zakken misschien wel vol met godsdienst, we menen zo de hemel binnen te kunnen komen met wat teksten en versjes, met wat zwarigheid of narigheid, maar het moet ons alles ontnomen worden, we moeten als een naakte zondaar uitgeschud worden. Abram moest eerst van zijn afgoden afgebracht worden wilde de Heere met hem beginnen. En toen hij van die afgoden afgebracht was ging hij zelf aan de gang met reformeren en opknappen. Want wanneer begint Jezus te werken? Als een mens het verloren heeft. Ik ben gekomen, zegt Hij, om te zoeken en zalig te maken wat verloren is. Daar zat het bij Abram en bij ons op vast. In het Paradijs zijn wij op de troon gaan zitten. En weet je wat wij niet willen? Wij willen niet afdalen in de dood en in de verlorenheid. Een mens wil liever oneerlijk in de hemel komen (door Jezus Zelf te pakken met zijn lange grijpvingers) dan eerlijk in te stemmen met een zeker dichter: Zijt Gij met mijn doem gediend? Zoek Uw eer, ik heb het verdiend!

De Heere zegt dus tot Abram: Gij. Dat gaat dieper dan het verstand, dat raakt zijn hart. Want het verstand laat na de ware grond van het weldoen op te merken, maar als de Heere het hart aanraakt, dan gebeurt het wonder! Dan worden we bedorven voor de wereld. Dan wordt de brug naar die wereld opgehaald, dan begeren we nooit meer te zondigen! Hoe kan dat dan? Wel, daar komt de Heilige Geest als de Derde Persoon aan te pas. En Die komt krachtdadig en onwederstandelijk. Niets staat Hem in de weg. Die Geest breekt Abrams verstand open, breekt zijn hart open en legt dat Woord in zijn hart. Waarom was het op mij gemunt, daar zovelen gaan verloren die Gij geen ontferming gunt? En dat is nu die vrije gunst die eeuwig God bewoog. Velen hebben in onze dagen een hekel en afkeer van die Goddelijke verkiezing. U en jullie ook? Want de Heere verkiest geen brave kerkmensen (farizeeën), maar Hij verzoent goddeloze tollenaars en zondaars met Zichzelf. Goddelozen worden met God verzoend. De Heere zegt nu tegen Abram: Gij – Gij moet Ik hebben.

Ga gij uit uw land. Dus hij moest dat goddeloze Ur verlaten. Al die afgoden moest hij achterlaten. Hij moest ook zijn maagschap en zijns vaders huis verlaten. Nou, dat was wat voor een oosterling. Want die zijn sterk verbonden aan hun geboortegrond en aan hun familie. Wat zegt nu de Heere?

De kring wordt steeds nauwer. Hij moet niet alleen zijn land verlaten, maar ga gij ook uit uw maagschap, die grote familie moet je achterlaten, ja zelfs uit het huis van je vader. U moet radicaal breken met het verleden.

Waar woonde Abram? In Ur. In de tegenwoordige boze wereld.

Hij woonde temidden van zijn maagschap.

Wat was dat voor een familie? Een familie die de afgoden diende.

Hij moet zijns vaders huis verlaten.

Wat was dat voor een huis? Een huis dat de vader der leugenen was toegevallen, en daar moet hij nu vandaan. En nu het wonder.

Hij gaat! Zonder tegenspreken.

Nou, nou, wat was hij gehoorzaam. Ja, want de Heere had gesproken. De Heere had hem geroepen. Die roeping was het begin van de waarachtige bekering. We noemen dit wel de eerste bekering. Abram wordt uit de zonde gehaald. Er is verder ook nodig de dagelijkse bekering, om er dagelijks opnieuw weer uit gehaald te worden. En er is ook wel eens nodig een vernieuwde bekering. Als de Kerk wederom uit zwakheid in zonde valt, moet ze er weer uit gehaald worden. Denk maar aan David.

En daar gaat Abram uit zijn land en uit zijn maagschap, maar niet uit zijns vaders huis. Want zijn vader gaat mee en nog een neef van Abram, Lot. En de Heere had hem persoonlijk geroepen: Gij.

En notabene neemt Terah aanvankelijk de touwtjes nog in handen ook. Zie hoofdstuk 11. Vreest Terah de Heere dan ook? Ja, in uitwendige zin. Calvijn zegt: Toen hij (Terah) begreep dat de plaats waaruit zijn zoon bevolen werd weg te gaan, vervloekt was, wilde hij daar niet omkomen, maar sloot hij toch als tochtgenoot aan bij hem, Abram, die de Heere daaruit voerde. Maar reisgenoten zijn nog geen bondgenoten. Want we lezen van Orpa ook dat zij meereisde uit Moab naar Kanaan, maar bij de grens nam zij met tranen afscheid van Naomi.

Jeugd, ouderen, denk erom. U kunt met tranen uw belijdenis verloochenen. Wat is het resultaat van Terahs meegaan? Houdt hij het lang vol? Ja, wel 1000 km. is hij meegegaan, tot Haran toe. En daar sterft hij. En Lot? Dat was ook een kind des Heeren. En toch mocht hij niet mee met Abram. Alles moest hij achterlaten had de Heere bevolen. Wat gebeurt er? Wel, de herders van Lot krijgen ruzie met de herders van Abram, en dan kiest Lot die mooie vlakte van Sodom en Gomorra en Abram gaat de andere kant uit. Hij moet gaan naar het land dat de Heere hem wijzen zal.

Een onbekend land. Ach, dan gaat ook Abram zijn eigen weg als hij in Egypte is. Maar als hij dan weer teruggeleid wordt door God, dan mag hij zich helemaal toevertrouwen aan de Heere.

Er zou nog meer te zeggen zijn over de roeping van Abram. Hoe hij veel beproefd is geweest. Eerst kreeg hij geen kinderen terwijl de Heere hem een groot nageslacht beloofd heeft. Dan gaat hij ook weer een eigen weg met Hagar. En als hij dan eindelijk een kind krijgt, moet hij die offeren op de bergen van Moria.

Maar hoevele zonden er ook waren in Abrams leven, één ding is zeker: hij juicht nu al eeuwen voor de troon van God, hij is eeuwig de zonden te boven.

Kennen wij nu ook zo’n roeping? Een inwendige roeping? Misschien heeft de Heere wel eens tot u, tot jouw gesproken. Dat las ik vele jaren geleden nog in een blad. Een man die vertelde dat hij in zijn jonge jaren een diepe indruk kreeg van Gods grootheid, majesteit en heiligheid. Hij mocht een zoete gemeenschap smaken met de Heere.

Hij schrijft dan: In die jaren kende ik een zeer nauw gebedsleven, mijn ziel hunkerde naar Zijn Woord, Zijn dag en volk, en toen kon ik soms zo maar sterven, tot op een dag dat ik last kreeg van mijn zonden, zodat ik de Borg nodig kreeg. Ik ging aan het Avondmaal, want het verlangen naar Hem was zeer groot. Ik dacht dat het waar werk van de Heere was, maar met dit alles wat ik niet van mijn schuld verlost, ik was een groot beest bij God. En nu is het zo donker. Ik kende Christus nog niet als mijn schuldovernemende Borg en Middelaar.

Klemt dat bij u, bij jou ook wel eens? Want als je Hem niet kent dan kun je veel genoten hebben van Gods liefde in uitwendige zin, maar dan is het nog te kort voor de eeuwigheid. Want we hebben tegen God gezondigd en wil het nu wel zijn voor de eeuwigheid, dan zullen we met God verzoend moeten worden. Maar zelf hebben we geen penning om te betalen. Waar dan heen? Tot Hem alleen. Vlucht tot de Heere Jezus Christus Wiens bloed reinigt van alle zonden. God heeft de zonden van al Zijn kinderen gelegd op Zijn Zoon Die het op het vloekhout der schande heeft uitgeroepen: Het is volbracht! Volbracht voor allen Die Hem van de Vader gegeven zijn! God vergeeft de zonden door ze te straffen aan Zijn Zoon, las ik pas nog ergens. Het gaat om Jezus en om Jezus alleen. Jezus, Uw verzoenend sterven blijft het rustpunt van mijn hart. Maar het begint niet met Jezus.

Eén van Gods kinderen zei het wel eens zo: Het begint tegenwoordig met Jezus, maar het zal eindigen in de hel. Want Gods kind wil eerlijk zalig worden en op goede gronden kunnen zeggen: Ik ben door genade het eigendom van mijn getrouwe Borg en Zaligmaker.

Geen zondaar zal ’t gewis verderf ontkomen als in het gericht door God wordt wraak genomen.

We leven in een bange tijd, met veel gearriveerde christenen. Die hoor je nooit over zonde en schuld, maar die kunnen altijd zingen en juichen: God heb ik lief. Het 2e vers van Psalm 116 over het gekneld liggen in banden van de dood, kennen ze echter niet. Die mensen ergeren zich verschrikkelijk aan die zwarigheid in de kerk.

O geliefden, doorzoekt uzelf nauw, ja zeer nauw met de dichter van Psalm 139: Doorgrond Gij mij en ken mij en zie of er bij mij een schadelijke weg zij, en leidt mij op de eeuwige weg.

O zoek toch Hem te kennen als het allerhoogst en eeuwig goed. Volg Hem niet na omdat Hij een voorbeeld is voor anderen. Zoals ooit een vrouw tegen me zei: Er is een hogere macht die ze god noemen, en Jezus is maar een mens, als je Hem navolgt komt het wel goed met je.

Nee, Hij is net zo heilig, maar ook net zo rechtvaardig en goed als Zijn Vader. Haast je toch om tot Hem bekeerd te worden.

Nu kan het nog, nu is het nog het heden der genade. Val Hem toch vandaag nog te voet.

Buig toch niet voor de afgoden van deze tijd. Want de duivel zoekt u en jouw ondergang, maar Jezus zoekt uw/jouw behoud!

Bent u/jij al geroepen door de Heere met die inwendige, krachtdadige roeping? Als je daar door genade ja op mag antwoorden, als Hij je geroepen heeft uit de duisternis tot Zijn wonderbare licht, dan ben je voor tijd en eeuwigheid gelukkig. Want de dood kan je niets meer doen, Jezus is dan voor dezulken de dood ingegaan om voor u en voor jou het leven te verwerven. De helledeur is dan voor u, voor jou dicht gegaan en de deur des hemels is open gegaan.

Als het dan sterven wordt, dan zult u voor eeuwig bij Hem zijn.

Wat betekent dat woordje eeuwig ook al weer? O ja, voor altijd. Er komt aan de eeuwigheid nooit geen einde. Dus u zult nooit geen zonde meer doen, nooit geen verdriet meer hebben om mislukte verwachtingen of om onbeantwoorde liefde. Maar u zult voor altijd bij de Heere zijn en zingen van Zijn goedertierenheid.

Ik hoop dat ik u jaloers maak. Dat u dat wel zou willen.

En als u Hem niet kent, nooit zult leren kennen omdat u er eenvoudig geen zin in hebt, dan komt er ook een eeuwigheid. Daar komt ook nooit geen einde aan, dat is de buitenste duisternis, de hel. Wie zullen daar komen? Ook zogenaamde bekeerde mensen liggen er in die plaats waar de worm niet sterft en het vuur niet uitgeblust wordt. Mensen boven wiens rouwbrief geschreven stond: heden nam de Heere tot Zich……en de Heere wist niet van hen af en moest ze verwijzen naar die gruwelijke plaats.

O jeugd en ouderen, hoort des Heeren Woord. Haast je voor het te laat is, stel niet uit tot morgen.

Gedenk aan uw Schepper in de dagen van je jeugd, want de mens gaat naar zijn eeuwig huis.

En dan kunt u gepreekt hebben als Demas, dan kunt u geprofeteerd hebben als koning Saul, dan kunt u gehuild hebben als Orpa, maar als er meer niet is…….o, vreselijk, dan zal de Heere zeggen: Ga weg, en dan staat er in Spreuken: De Heere zal lachen in hun verderf.

Nog één vraag: Wat is uw roeping? Hoe is uw roeping? Uitwendig? Dan leef je nog voor eigen rekening. Of inwendig? Dan bent u de gelukkigste mens met een uitzicht over dood en graf heen.

Smeek Hem om waarachtige bekering en vernieuwing, want de Heere laat geen bidder staan die het in waarheid om Hem te doen is!