Kerknieuws
Gereformeerde Gezindte
Openingspagina
Boekbespreking
Foto's
Persoonlijk
Kerkbodes
Spreuk van de week
Overig
Ware gebeurtenissen
Kerkelijk leven
Jongerenrubriek
Muzikale pagina + agenda
Columns
Links
Uw aandacht voor:
Gedichten
Krantenknipsels
Overdenking
Inleidingen
Overdenking

De prinses en de bedelaar (Ds. Lachlan Mackenzie (1754-1819) - Door de Geest Gods geleid XIV

'Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop.'
(Openb. 3:20a)

De volgende geschiedenis is het gevolg van een bezoek, hetwelk de bekende prediker uit de Schotse Hooglanden: Ds. Lachlan Mackenzie (1754-1819) eenmaal bracht aan de stad Aberdeen.

 

De predikant van de Schotse Hooglanden was gevraagd, om toch eens te komen preken in Aberdeen. Hij kwam en preekte in de oude St. Nicolaaskerk.
Tijdens de avonddienst was de kerk tot de laatste plaats toe bezet. Een ieder was zeer verlangend om de bekende prediker, die zoveel vrucht op zijn werk gezien had, op de Schotse eilanden, te horen. Het was zelfs zo, dat men van een "nieuwe uitstorting des Heiligen Geestes" sprak.
Maar toen Ds. Mackenzie de preekstoel beklom, konden velen hun lachen niet bedwingen en anderen waren geërgerd en teleurgesteld. De verschijning van Ds. Mackenzie was dan ook zo geheel verschillend van de predikanten, die anders de preekstoel van de parochiekerk van St. Nicolaas bestegen. Vanwege de armoede, die er in de Hooglanden heersten, had Ds. Mackenzie een preekjas aan, die hij zelf thuis geweven had. Verder was zijn haar lang en onverzorgd. Zijn verschijning was meer de verschijning van een schaapherder uit de Schotse Hooglanden, dan die van een predikant.
Maar als hij zijn tekst nam van Openbaringen 3:20: "Zie Ik sta aan de deur en Ik klop", en zijn hoorders met grote ernst en gaven schilderde, hoe vreselijk het zal zijn, om hier de Zone Gods buiten te laten staan, en eenmaal zelf op een gesloten deur te kloppen, om dan te horen: "Gaat weg van Mij, Ik heb u nooit gekend", toen verdween de glimlach van de gezichten. Velen waren tot tranen toe geroerd toen zij naast de aandrang van de Zone Gods, om het zondaarshart in te nemen, ook hoorden van de schrikkelijkheid van die dag, waarop allen, die nu hun hart voor Hem sloten, eenmaal voor eeuwig buiten zullen staan.
Met zijn bijzondere gaven, en kracht des Heiligen Geestes, tekende Ds. Mackenzie het vreselijke buitenstaan des zondaars, op die grote dag des oordeels. Hij wees erop, dat de zondaar nu niet zag en besefte, Wie hij buiten zijn hart en leven sloot, maar het op de dag des oordeels zien zou, dat hij de Heere der Heerlijkheid had buitengesloten.
In verband daarmede waarschuwde hij de hoorders, niet te oordelen naar de uiterlijke verschijning, zoals zij ook hem naar zijn uiterlijk geoordeeld hadden, en vertelde hen een ware geschiedenis, van een jonge Schotse prinses.
Op een dag, waarop de prinses 21 jaar werd, zei haar vader, die al weduwnaar was: "Mijn dochter, ik heb alle edele jonge mannen voor een week van een feestelijke aangelegenheid uitgenodigd, en ik wil dat jij in die week, je hand aan één van hen, ten huwelijk geven zal". Terwijl de jonge prinses zich aan het kleden was voor de eerste dag der feestelijkheden en met haar dienstboden in haar kleedkamer was, werd een luid kloppen op de achter deur van de hoftuin gehoord.
Toen één van de dienstknechten ging kijken, wie daar toch zo’n lawaai maakte, vond hij een bedelaar met krukken aan de deur, die ernstig en dringend verzocht om de prinses te spreken.
De bedelaar zei, dat hij niet eerder weg zou gaan, voor dat hij de prinses gesproken had. Maar de dienaar wierp de deur voor zijn neus dicht.
Hierop nam de bedelaar zijn krukken en sloeg er zo hard mee op de deur, dat de prinses het in haar kleedkamer hoorde en vroeg wat er toch gaande was.
Hierop hoorde hij, dat een arme kreupele bedelaar haar wilde spreken. "Zeer goed", antwoordde zij, "ik kom, zeg hem even te wachten".
Toen de prinses naar de deur ging gevolgd door een stoet dienstknechten en dienstmaagden, zag zij de bedelaar en vroeg hem vriendelijk wat hij wilde.
De bedelaar boog zich en nam haar hand zeggende: "Ik ben heden gekomen, om u ten huwelijk te vragen". De prinses keek hem een ogenblik diep in de ogen en zei: "Zeer goed, hier is mijn hand". Toen zei de bedelaar: "En wanneer zal ons huwelijk gesloten worden?" Hierop antwoordde de prinses: "Vandaag over een jaar". Daarna verdween de bedelaar en ieder amuseerde zich met wat de prinses gezegd had.
Maar gedurende de week van de feestelijkheden veranderde dit, want de prinses, hoewel menigmaal ten huwelijk gevraagd, wees alle aanzoeken af, met de woorden: "Ik heb mijn hand en hart al aan iemand gegeven".
Tenslotte kwam haar vader dit ter ore en vernam, dat zij haar hand aan een kreupele bedelaar had gegeven. Op een vraag, of dit alzo was, antwoordde zij heel beslist, dat dit zo was en dat zij niet meer wilde veranderen. Gedurende het hele jaar, smeekte haar vader, de gedachte uit haar hoofd te zetten, dat zij met haar woord aan de bedelaar gegeven, gebonden was, maar alles was tevergeefs. Haar antwoord was: "Ik heb hem mijn hand en hart gegeven en het zal alles in orde komen".
Het jaar ging voorbij. Er werden geen voorbereidingen voor een bruiloft getroffen, want de kasteelheer had besloten, dat zijn dochter nooit de bedelaar huwen zou.
Op een dag, precies een jaar na het wonderlijke gebeuren, zei de kasteelheer tot zijn dochter: "Je ziet mijn kind, er is niemand gekomen. Maak mij gelukkig en vergeet je vreemde gelofte". Zij antwoordde hem echter: "Vader, hij zal komen!"
En niet lang daarna, werd een grote stoet gezien, die de laan naar het kasteel opkwam. Het was een schare ridders, op schitterende paarden, omringd door voetvolk en muzikanten. Voorop reed een koninklijk figuur. Toen de stoet de trappen van het kasteel bereikt had, sprong deze van zijn paard, en nam de prinses in zijn armen. En de omstanders riepen verbaasd: "Het is de zoon van de koning!!" Ja, het was de kroonprins. Hij had zich twaalf maanden geleden als bedelaar verkleed en om de hand van de prinses gevraagd. Niemand had hem herkend, behalve de prinses. Ondanks zijn krukken en lompen, had zij in hem, de zoon des konings herkend, en hem haar jawoord gegeven.
Ds. Mackenzie herhaalde toen zijn tekst: "Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop".
Hij vervolgde: "Geliefde hoorders. Wie staat vanavond aan de deur van uw hart en klopt om binnen gelaten te worden? 'Een bedelaar' zegt gij. Een van Wie staat geschreven: "De vossen hebben holen en de vogelen des hemels nesten, maar de Zoon des mensen heeft niet, waar Hij het hoofd nederlegge".
Ja, Die is het, die aan uw hart klopt. Een versmade en verachte Christus zoekt toegang in uw hart en leven. Geef Hem uw hand en hart en gij zult leven, ja Hij zal u tot een koningin maken, want Hij is de Koning der koningen en de HEERE der heren. Maar wat zal de schrik groot zijn van hen, die hier dachten niemand afgewezen te hebben dan een arme bedelaar, en straks zullen ontdekken de Zone Gods verworpen te hebben!!"
Aan het einde van de preek was de gemeente te Aberdeen zo bewogen, dat er gezegd werd dat er die avond 600 zielen tot bekering waren gekomen!!