Kerknieuws
Gereformeerde Gezindte
Openingspagina
Boekbespreking
Foto's
Persoonlijk
Kerkbodes
Spreuk van de week
Overig
Ware gebeurtenissen
Kerkelijk leven
Jongerenrubriek
Muzikale pagina + agenda
Columns
Links
Uw aandacht voor:
Gedichten
Krantenknipsels
Overdenking
Inleidingen
Krantenknipsels

 



1.       Genade door recht (ds. P.J. Dorsman): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 9 maart 2018 onder de berichten van de Hersteld Hervormde gemeente van Doornspijk

Tekst Lukas 23 : 39-43

Heden nog in het paradijs met Hem, Die al zijn liefde waardig is.

‘Heden’.

Aan de morgen van deze dag was hij nog in de kerker, wachtend op zijn straf. Maar eer de avond gedaald is, zal hij zijn in het paradijs.

Heden zal zijn stervensure zijn de ure van zijn volkomen verlossing.

Zo kan een kind van God het niet bezien, dat in het sterven het leven ligt, in het verlies de winst, in het omkomen de eeuwige behoudenis. Hij kan er niet door en niet achter kijken. Maar als hij met al het zijne eens aan het einde mag gebracht worden, en alle hoop hen gans ontviel, en niemand zorgde voor zijn ziel, zal hij ervaren, dat achter de dood het leven ligt. Dan ervaart de Kerk, dat zalig worden een wonder Gods is. Laat los en gij zult losgelaten worden.

En van zichzelf laat hij nooit los, kan hij niet loslaten, want daar is de dood aan verbonden. Het is een heilgeheim, dat God aan Zijn vrienden naar Zijn vreeverbond betoond.

‘Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn’.

Gij die de dood en de hel verdiend hebt, die alle weldaden verzondigd hebt, gij zult met Mij in het paradijs zijn.

Wanneer hij deze woorden, ja zaken beluistert, want in zijn ziel ervaart hij iets van de zoete, zalige gemeenschap, hangt Christus buiten het paradijs. Daar wordt Hem door de Vader voorgezet wat de Kerk zich heeft waardig gemaakt. Hij vindt een gesloten hemelpoort en een geopende helledeur. Dat zet de Rechter Hem voor.

Hij heeft het paradijs verlaten, al de heerlijkheid, die Hij had bij de Vader, en op aarde heeft Hij geen plaats om het hoofd op neer te leggen, terwijl de vossen holen hebben en de vogelen des hemels nesten. Zo diep heeft Hij gebogen om Zijn kerk, de gegevenen Zijns Vaders, met God te verzoenen, om hun een plaats te beschikken in het paradijs, waarheen de Kerk gaat, zonder vagevuur en zonder louteringsproces. Het paradijs is de plaats, waar Adam leefde in Gods gemeenschap, waar hij deelde in Zijn zalige gunst. Hier is het de naam voor de derde hemel, waar het paradijs is. Christus noemt de plaats, waar Hij de moordenaar wacht, met deze naam, om voor de geest van de kruiseling op te roepen de hof, waar onze eerste ouders eenmaal woonden, maar die bewaakt werd door de engel met het vlammend zwaard. Dat zwaard heeft Christus in Zijn dierbaar Middelaarshart opgevangen, waarin Hij aan Gods gerechtigheid heeft voldaan. Hij heeft hun zonden verzoend, hun ongerechtigheden uitgedelgd. Zo heeft Hij voor Sion het paradijs herwonnen. In dat paradijs is meer dan in Eden werd verloren. Een leven dat niet meer zondigen kan, een vrede die niet meer kan worden verbroken, een gemeenschap Gods, eeuwig en onvergankelijk.

2.       Hart tegen hard (dhr. N. Verdouw): gelezen in ‘De Wachter Sions’; orgaan van de Gereformeerde Gemeenten in Nederland, van 6 oktober 2016

Jongen, meisje.

Een brief voor jou.

Ik ken jou niet, maar toch schrijf ik je.

Weet je wat signalen zijn?

Onze (jonge!) soldaten zagen die.

Vanaf de Grebbeberg richting het Oosten.

Lichtflitsen in de nacht.

Stralenbundels ook.

Een klap hier.

Een korte knal daar.

Door al die signalen merkten ze dat er iets ergs aan de hand was.

Ze wisten dat de oorlog begonnen was.

Maar nu kwamen de Duitsers dichterbij….

Signalen zeggen dat er iets ergs aan de hand is.

Dat zie ik ook. Juist de laatste tijd.

Ik wil ze niet geloven. Maar tóch schijnt het waar te zijn.

Vind je het goed dat ik ze eerlijk benoem?

Misschien gaat één zo’n signaal wel over jou.

Ik doe het zo kort mogelijk.

Korte flitsen in de nacht.

Je wilt niet meer mee naar de kerk.

Misschien dat het je ouder(s) lukt om je één keer erheen te krijgen. Maar liever ga je niet.

Even napraten over de preek? Iets goeds voorlezen op zondag? Samen zingen bij het orgel?

Je zegt: Onzin! Dat vrome gedoe!

Als je ouders het tóch doen, ga je hevig te keer. Misschien zijn ze voor jouw dreiging gezwicht. Het gebeurt niet meer. Jij hebt je zin.

Jij bent bezig met jouw smartphone. Volop contacten met anderen. Je kijkt en doet daarop wat jij wilt. Heel erge dingen soms. Ook op zondag. De dag van God en voor God.

Liever wil ik stoppen nu. Maar ik heb hierboven beloofd het eerlijk te zeggen.

Je komt ’s nachts thuis wanneer jij wilt.

Je gaat naar plekken toe die jijzelf goed vindt.

Jij stoort je niet aan wat je ouders zeggen of vinden.

De Bijbel? Gods Wet? Mijn gedoopt voorhoofd? Daar denk ik (bijna) niet aan.

Mijn geweten? Volgens mij hoor ik dat stemmetje van binnen niet meer. Of wil ik het niet horen?

Hard ben ik. Van binnen. En vaak ook van buiten. Keihard.

Zelf bidden? Dat doe ik heel af en toe, of helemaal niet meer.

’s Morgens heb ik geen tijd.

’s Avonds is het te laat.

En bidden helpt toch niet, fluistert iemand mij in.

Verder ga ik niet.

De bladzij is zwart genoeg.

O ja, zeg je. En nu weet ik wat er komt.

Het opgeheven vingertje.

Een paar godsdienstige opmerkingen erbij.

U bent goed en ik ben slecht.

Dus niet.

Ik vraag je maar één ding.

Zou je eens naar je moeder willen kijken, als dat nog kan?

Nee, niet eerst naar haar ogen. Ook al staan daar tranen in.

Kijk naar het plekje onder haar hart.

Daar ben jij geweest.

Daar was jouw eerste begin.

Een gevolg van de liefde tussen jouw vader en moeder.

Daar liet de Heere jou groeien. Op een wonderlijke manier.

Het bloed van je moeder ging door jou heen.

Jij voelde haar hart kloppen en zij voelde jou.

Tóen al hielden je ouders van jou.

Ze keken naar je uit.

En toe je geboren was?

Ze omringden jou met intense liefde en zorg. Niets was hun teveel. Ook later niet.

Als je ziek was, kwamen ze bij je. Al was het midden in de nacht. Ze deden en doen alles voor je wat maar nodig is.

Dat hebben ze allemaal voor jou over.

Omdat ze van jou houden.

Ze probeerden je op te voeden zoals de Heere dat in Zijn Woord aangeeft.

Ze hebben dat bij de doop aan de Heere beloofd.

Ze doen het graag, ook al is het moeilijk. Ze weten dat het gaat over het ene nodige. Dat gunnen ze jou zó!

Ze maakten en maken ook fouten. Zéker weten.

Ze moesten je ook wel eens straffen. Maar altijd hielden ze van je.

Ook nu.

Ook nu?

Nu ik zo hard tegen hen doe?

Nu ik mijn eigen gang ga, ondanks de tranen in de ogen van mijn moeder?

Ja, ook nu!

Maar ze voelen zich zo machteloos.

Ze staan als tegen een muur.

Ze weten niet hoe het verder moet.

Ze denken ook aan de andere kinderen.

Aan de vele verleidingen.

Aan de toekomst.

Dan doen ze iets wat jij niet ziet.

Dan bidden ze in hun hart tot God:

‘O Heere, red mijn kind. Houdt U hem, houd U haar vast. Wij kunnen het écht niet. Help ons, Heere. Vergeef wat wij fout deden. Bekeer ons, én ons kind’.

NB: Ik weet dat er ook ándere situaties zijn. Waarbij de liefde van (één van) de ouders niet merkbaar is. Of als er erge dingen gebeurd zijn. Of….

Des te meer denk ik aan jou.

Des te meer heb je kracht van de Heere nodig om staande te blijven.

 

3.       Dordtse Leerregels, moeilijk maar leerzaam (ds. M. van Kooten, Elspeet): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 9 maart 2018 onder de berichten van de Hervormde gemeente (PKN) van Elspeet

‘k Begreep dat heel wat mensen de prediking over de Dordtse Leerregels moeilijke stof vinden, hoewel dat bij anderen als zeer leerzaam ervaren werd. Het is daarom goed om de artikelen die behandeld staan te worden van te voren door te lezen. De voorlaatste keer merkte ik bij de prediking over de Dordtse Leerregels op dat de Engelsen de bestrijding van de leer der remonstranten met een ezelsbruggetje onthouden, namelijk aan de hand van tulip (het Engels woordje voor tulp). Het ging daarbij om Total depravity (totale verlorenheid van de mens), Unconditional election (onvoorwaardelijke verkiezing), Limited atonement (beperkte verzoening), Irresistible grace (onweerstaanbare genade) en Perseverance of the saints (volharding der heiligen). Ik legde toen met name de nadruk op het eerste, namelijk de totale verdorvenheid van de mens en daartegenover de totaliteit van Gods vergevende liefde in Christus. Ik begreep inmiddels dat iemand moeite had om een bosje tulpen te kopen vanwege de T van totaal verdorven. Doet u dat echter gerust en geniet er van en laat het een herinnering zijn dat voor een totaal verloren zondaar de Heere Jezus Christus in de wereld is gekomen om de totaal verloren zondaar totaal te zaligen. Denk dan bij die veelkleurigheid van de tulpen ook maar aan de veelkleurigheid van Gods genade.

4.       Dementerend….? (ds. M.C. Schreur, Harskamp): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 9 maart 2018 onder de berichten van de Hervormde gemeente (PKN) van Harskamp

Onderstaand verhaal is waar gebeurd en ontving ik eens van de vrouw die dit als verpleegster meemaakte en in de kerk zat in een dorp waar ik eens preken moest.

‘Miss Feathorston was 80 jaar en volkomen dement. Ze praatte enkel onzin. Niemand begreep haar. Maar als ze contact met de Heere God had, was ze bijzonder helder en sprak ze normaal, net als iemand met een gezond verstand. Ik verpleegde mevrouw Feathorston al een aantal maanden. In haar archief op de ziekenzaal waren enkele gegevens opgenomen, waaronder ook ‘Religion: ‘baptist’.

Op een dag, tijdens één van de eerste maanden dat ik haar verpleegde, vond ik bij het opruimen van haar nachtkastje een heel oude en naar ’t leek veel gebruikte Engelse King James Bijbel onder een hoop rommel en in een hoekje geduwd. Ik was blij verrast en liet hem haar zien. Toen ik zei: ‘Kijk eens hier, uw Bijbel!’, keek ze ernaar met grote verwonderde ogen en ze reageerde kinderlijk blij. Ze was opeens niet meer in de war. Al die maanden dat ik haar verpleegd had – en anderen met mij – kwam er nooit één verstandig woord over haar lippen. Ze werd steeds beschouwd als volkomen dement. Toen ik haar vroeg of ik haar voor mocht lezen uit haar Bijbel, werden haar ogen plotseling heel levendig. Haar lieve gezicht glansde en ze begon gewoon te praten. Ze was op dat moment niet dement. Ik las haar een bekende psalm voor die ze zelf uit het hoofd zonder fouten mee opzegde. Toen ik hardop met haar bad, bad ze mee. Geen wartaal. En steeds zei ze: ‘Yes, Lord’.

Van toen af aan heb ik dagelijks even de tijd genomen om haar uit haar Bijbel voor te lezen en met haar te bidden. Soms zongen we, voordat ik naar huis ging, een voor haar bekende oude hymne. Gedurende die dagelijkse korte ‘fellowship’ was ze heel helder en naar ’t leek bij haar volle verstand. Maar direct erna was ze weer volkomen kinds en in de war.

Op zekere dag ontmoette ik haar neef (ze had verder geen familie). Ik vertelde hem van zijn tante en haar oplevingen uit haar dementie als we uit de Bijbel lazen en samen baden. Toen vertelde hij mij dat hij door zijn tante was opgevoed met de Bijbel, maar dat hij er niets meer van moest hebben. Ook vertelde hij dat zijn tante haar hele leven bij de Bijbel had geleefd en altijd trouw kerkte bij een baptistengemeente waar ze stond ingeschreven.

Het was stil op de zaal van de vrouwenafdeling Geriatrie. Het was ook bijna tijd dat de laatste bus naar Sydney (in Australië) langs zou komen. Omdat ik om elf uur die avond afgelost zou worden door de nachtdienst, kon ik na een vlugge overdracht aan de ‘nightstaff’ nog net deze laatste bus halen.

Anders moest ik een taxi nemen naar mijn huis in Petersham.

Na een vluchtig ‘Goede nacht, dames’ liep ik de gang op, toen ik met luide stem miss Feathorston hoorde roepen: ‘Zuster, u hebt nog niet met mij gebeden!’

Ze riep mij keihard tot de orde, terwijl ik probeerde er stilletjes en ongemerkt vandoor te gaan, omdat het al zo laat was. Het was alsof de Heere Zelf mij staande hield en ik kon niet anders dan toegeven aan de door haar zeer begeerde verbondenheid met haar Heiland. Het zou bovendien de allerlaatste keer zijn, maar dat wist ik toen nog niet.

Die avond was ze helderder dan ooit te voren. Haar ogen schitterden en ze kwam half overeind, keek mij diep ernstig aan en riep met luide stem: ‘Zuster, u hebt nog niet met mij gebeden!’

Zo helder had ik haar nog niet eerder meegemaakt. Ik schrok van haar ernstige uitroep en durfde niet weg te gaan, ondanks dat ik de laatste bus zou missen. Dan maar liever met een taxi naar huis.

Dus ging ik, net als iedere dag, aan het einde van mijn diensttijd bij haar bed zitten om met haar te lezen en te bidden uit haar oude Bijbel. Daarna ging ze rustig slapen.

Toen ik uiteindelijk laat na middernacht thuiskwam, moest ik steeds aan haar denken. Ik kon haar met geen mogelijkheid uit mijn gedachten verdringen. Het was ook zo’n wonderlijke ervaring geweest.

De volgende dag had ik weer late dienst op de zaal waar Miss Feathorston verpleegd werd. Ik had een vreemd voorgevoel en liep daarom rechtstreeks door naar haar bed. Maar….het was leeg. Wat was er gebeurd? Hadden ze haar op een andere zaal gelegd? Opeens wist ik het: ‘De Heere had Zijn lief kind thuisgehaald om Hem eeuwig te loven en te aanbidden in Zijn Heiligdom, waar ze nooit meer dement zou zijn’.

5.       De tijd vliegt (ds. M.C. Schreur, Harskamp): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 9 maart 2018 onder de berichten van de Hervormde gemeente (PKN) van Harskamp

En in Zijn Naam gepredikt worden bekering en vergeving der zonden, onder alle volken, beginnende van Jeruzalem.

Geeft de HEERE de hand en komt tot Zijn heiligdom….

Een nieuw levensjaar.

Schep mij een rein hart, o God! en vernieuw in het binnenste van mij een vasten geest.

Er zijn twee dingen die me verbazen:

1). De tijd….dat die zo hard gaat!

2). De genade en de trouw van God….dat die zo groot is!

Gemeente, u herinnert zich dat praktisch advies nog wel van mijn bevestiger, ds. C. Stelwagen, over als u langs de pastorie komt?

Ik wist toen al wel dat ik dat hard nodig had, alsook mijn vrouw en onze kinderen, maar nu besef ik dat ik toen nog niet besefte hoe hard ik dat nodig had én dat ik dat alleen maar harder nodig heb, naarmate de tijd verstrijkt.

‘Och’, zegt iemand, ‘vind u ons zo’n moeilijke gemeente?’

Nee, dat is het niet, maar met eerbied gezegd is het wel een heel karwei voor de Heilige Geest om mij in het spoor te houden. Hopelijk zijn niet alle dominees zo hardleers en dwaalziek van hart, en toch verlies ik de moed niet gemeente!

‘Nou’, zeg je, ‘u durft!’….

Ja, dat komt omdat ik in de afgelopen jaren me nog weer meer heb leren verbazen en verwonderen over Zijn trouw en geduld. Nee, dat is geen zwaar-doenerij. Mijn moeder zegt dat ze vroeger zeiden: ‘God vraagt niet naar zwaarheid, maar naar klaarheid. Het gaat om klaarheid en helderheid.

En één ding is zeker: God is trouw! De Naam van de Heere zij geprezen. Het is mijn vurige wens Zijn bloed, Zijn offer aan te prijzen en Koning Jezus te eren en u en jou te blijven toeroepen deze Heere de hand te geven en Hem aan te roepen.

Maar als alle boemerangs van oproepen tot gebed in mijn eigen nek terugkeren, dan lig ik vast al wel bedolven onder de boemerangs. Daarom gemeente, bid dat ik een bidder zal zijn: een pastor, met liefde, met wijsheid en liefde voor degenen die God aan mijn zorgen heeft toevertrouwd; een voorganger en prediker met eeuwigheids-ernst; dat de liefde van Christus mij zal dringen, wetende de schrik des Heeren. Laten we samen schuilen in dat machtige slotakkoord van Hebr. 13 : 20,21:

De God nu des vredes, Die den grote Herder der schapen, door het bloed des eeuwigen testaments, uit de doden heeft wedergebracht, namelijk onze Heere Jezus Christus, Die volmake u in alle goed werk, opdat gij Zijn wil moogt doen; werkende in u, hetgeen voor Hem welbehaaglijk is, door Jezus Christus; Denwelken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid.

Tenslotte nog een prachtig stukje van de voor ons bekende Roemeense prediker Richard Wurmbrand:

Hij vertelde eens over een jongeman die een misdaad op zijn geweten had. Daarvoor had hij lange tijd in de gevangenis gezeten. Voordat hij naar huis ging, schreef hij zijn vader een brief waarin hij vroeg of hij hem zijn misdaad vergeven wilde. Zijn vader gaf een merkwaardig antwoord. Die vader schreef: ‘Je komt maar met de trein. Die komt langs ons huis; en als je wilt weten, of ik het je vergeef, kijk dan maar of er een witte zakdoek in een boom in de tuin hangt’.

De jongen nam de trein naar zijn ouderlijk huis. Onderweg kon hij niet stil blijven zitten. Hij liep telkens heen en weer. ‘Waarom ben je zo zenuwachtig?’, vroeg een medereiziger. Toen de jongeman vertelde waarom hij zo gespannen was, zei die medepassagier: ‘Ga maar zitten, ik zal wel voor je kijken’.

Even later reed de trein langs het ouderlijk huis van de jongen. En wat zag hij? De hele boomgaard hing vol met witte lakens….

Net als de vader van die jongen verlangt de hemelse Vader ernaar om zondaren te vergeven. Dat is Zijn hart.

‘Want Gij, HEERE! zijt goed, en gaarne vergevende, en van grote goedertierenheid allen, die U aanroepen, HEERE!’

Gods vergeving is diep en grondig. Hij komt er later niet meer op terug en haalt geen ‘oude koeien uit de sloot’. U zult al hun zonden werpen in de diepten van de zee’.

Corrie ten Boom schreef hierover: ‘Als je genade ontvangen hebt, dan gooit God al je zonden in het meer van vergetelheid en zet Hij er een bordje bij: ‘Verboden te vissen’.

De Heere God kan niet zomaar onze zonden vergeven. Hij is namelijk volmaakt rechtvaardig en heeft een hartgrondige afkeer van elke vorm van leugen, onrecht en zonde.

‘Wie den goddeloze rechtvaardigt, en den rechtvaardige verdoemt, zijn den HEERE een gruwel, ja, die beiden’.

Iemand moet de prijs betalen voor onze rebellie, hypocrisie en vijandigheid naar onze Schepper. Daarvoor moest een onschuldige boeten, een vlekkeloos lam worden geslacht. Want zonder bloedstorting geschiedt er geen vergeving. Het wonder van het Evangelie is dat God Zelf de vloek van de zonde gedragen heeft in Jezus Christus. Alleen door Zijn offer is er vergeving mogelijk.

De Heere Jezus Zelf heeft ons geleerd om de hemelse Vader te vragen om vergeving: ‘En vergeef ons onze schulden, zoals ook wij onze schuldenaren vergeven’.

De Bijbel moedigt ons aan om steeds weer terug te gaan tot de Vader als wij gezondigd hebben. Als wij onze zonden eerlijk belijden, is Hij getrouw om die te vergeven. Het is heel gevaarlijk om te denken dat jouw zonde te groot is om mee naar God te gaan. Of dat je te vaak gezondigd hebt. De prediker Robert Murray M’Cheyne zei: ‘Als ik een zonde bega dan moet ik gelijk naar de troon van Gods genade. Maar ik voel wel duizend bezwaren opkomen in mijn hart. Je kunt toch niet zomaar van het varkenshok naar de troon der genade gaan? Dat past niet! Maar al die bezwaren zijn leugens en ze komen uit de boezem van de hel om mij van Gods genadetroon af te houden’.

Tot zover het stukje van Wurmbrand.

6.       Mij dorst (ds. J. van Rijswijk, Wijk en Aalburg): gelezen in ‘De Saambinder’; orgaan van de Gereformeerde Gemeenten, van 10 maart 2016

Serie: De zeven kruiswoorden

Het vijfde kruiswoord: ‘Hierna Jezus wetende, dat nu alles volbracht was, opdat de Schrift zou vervuld worden, zeide: Mij dorst’. Johannes 19 : 28

Wie van ons weet wat dorst lijden is? Wij, die de kraan maar open behoeven te draaien en fris water stroomt ons tegemoet. Kunnen wij over dit woord wel iets zeggen: ‘Mij dorst?’

Het vijfde kruiswoord: ‘Mij dorst’…

Wie denkt bij deze woorden niet aan een stervende, wiens uitgedroogde lippen door de omstanders met water worden natgemaakt om het lijden te verzachten?

Wij verkeren in onze gedachten op een plaats waar elke dag mensen sterven van dorst. Maar de dorst waarvan het vijfde kruiswoord spreekt, is een zeer aangrijpende dorst. De Zaligmaker opende Zijn mond en riep met hoorbare en luide stem. De Heere Jezus, Die de geestelijke Rivier is van het Goddelijk Paradijs, Die de onuitsprekelijke Zee is van alle vreugde, Die de grote Schepper is van alle wateren en zeeën, klaagde hier over dorst.

Wat is dorst?

Dorst betekent dat door gebrek aan vocht de bloedvaten worden uitgedroogd en het hart zich als het ware samentrekt. Denkt u maar aan Simson. Wat had hij het benauwd na zijn overwinning op de Filistijnen. Hij, die met een ezelskinnebakken duizend man had verslagen, dreigde nu van dorst te sterven. Dorst is erg. Dorst wordt veroorzaakt door grote uitputting van het lichaam of door langdurig gebrek aan water. Soms ook door intens verdriet of grote benauwdheid. Ook Christus heeft dit moeten ondergaan. We moeten wel bedenken dat Hij niet riep als martelaar, maar als Middelaar.

We lezen in de tekst: Jezus nu wetende, dat alles volbracht was, opdat (we mogen ook vertalen: waardoor) de Schrift vervuld wordt. Hierbij denken we onder meer aan Psalm 22. Zegt het niet veel dat de Heere Jezus nu pas die klacht liet horen? Nu, pas na zes uur van intens lijden, lichaamslijden, zielenlijden? We weten dat de Heere Jezus aan het begin, toen Hij aan het kruis gehangen was, ook iets te drinken kreeg aangeboden: wijn met mirre gemengd. Een bittere drank, die een verdovend karakter had, met de bedoeling dat de gekruisigden niet zo intens de verschrikkelijke pijnen zouden voelen. Die drank heeft Jezus geweigerd. Hij wilde volkomen bewust neerdalen in het diepste lijden naar lichaam en ziel, opdat Hij zo de volle toorn van God bewust zou ondergaan. Nu is dan alles volbracht. Alles? Het sterven en de begrafenis volgen toch ook nog?

Het is waar. Maar toch wist de Heere Jezus dat het belangrijkste gebeurd was en dat Hij in het wegzinken in de diepte van Godverlatenheid het fundament had gelegd, waarop het gebouw der zaligheid dat naar Gods gemaakt bestek in eeuwigheid zou verrijzen, ook metterdaad kón verrijzen. Hij klaagde Zijn dorst als een roep om drinken, opdat Hij Zijn laatste krachten kon verzamelen om het allerlaatste te doen. Wat is dat? Om Gods heil te boodschappen, het zesde kruiswoord: ‘Het is volbracht’.

‘Mij dorst….’, een klacht door lichaamslijden.

Maar dat is niet het enige. Het is ook een gevolg, dat Hij is neergedaald in de diepte van de hel. Een gevolg van Jezus’ diepe zielenlijden, de helse pijnen, is dat Hij dorst had.

De Middelaar en Borg verlost Zijn Kerk naar lichaam en ziel. Hij zal zorgen voor Zijn Kerk, hun brood is zeker en hun water gewis. Die Kerk leert een druppel water verzondigd te hebben en waard te zijn om voor eeuwig te versmachten van dorst. Zie de Borg en Middelaar hier dorsten! Wat is Hij dierbaar in Zijn lijden, ook in Zijn dorsten. Hij, Die Zijn Kerk van de eeuwige honger en kommer zal verlossen, en vervullen met Zijn zegeningen.

Jezus dorst, opdat Hij een Fontein zou zijn van levend water. Opdat het voor zondaren werkelijkheid zal worden: ‘Maar zo wie gedronken zal hebben van het water, dat Ik hem geven zal, dien zal in eeuwigheid niet dorsten; maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven’ (Joh. 4 : 14).

Wat is het nodig ontdekt te worden aan ons Godsgemis, dat we leren dorsten naar de levende God. Dat we onze dorst niet meer kunnen lessen met alle dingen van deze wereld. Dat we zielsverzadigend mogen drinken uit de dierbare Fontein. Gods kinderen leren hongeren en dorsten. Eenmaal zal het waar worden: ‘Zij zullen niet meer hongeren en zullen niet meer dorsten, en de zon zal op hen niet vallen, noch enige hitte. Want het Lam, Dat in het midden des troons is, zal hun een Leidsman zijn tot levende fonteinen der wateren’ (Openb. 7 : 17).

De Heere Jezus dorst naar zondaren, ook nu!

Waar dorst u naar?

7.       Dordtse Leerregels (8; ds. W. Pieters, Garderen): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 9 maart onder de berichten van de Hersteld Hervormde gemeente van Garderen

Men beraadslaagde op dinsdagmiddag 20 november verder over een nieuwe vertaling:

“De predikanten en ouderlingen der Nederlandsche Kerken hebben ook hun gevoelen gezegd, op de voorgestelde vragen, en met alle eenstemmigheid is geoordeeld, dat een betere overzetting des Bijbels, uit de oorspronkelijke talen zelven in de Nederduitsche, niet alleenlijk voor onze Nederlandsche Kerken profijtelijk, maar ook gansch noodzakelijk zou zijn, en derhalve, gelijk in de voorgaande Nationale Synoden vroeger geoordeeld en gedaan was, dat men naarstigheid moest doen, dat dit werk van eene nieuwe overzetting, op zijn spoedigst, en op de bekwaamste en kortste wijze, begonnen mocht worden. Is ook bij stemmen der Synode raadzamer geoordeeld, van stonde aan eene nieuwe overzetting voor te nemen, dan de oude Nederlandsche te overzien of te verbeteren; nochtans zoo, dat men, om de ergernis, met het oog op al te groote verandering, te vermijden, uit de oude overzetting alles behouden zoude hetwelk, onverminderd de waarheid, zuiverheid en eigenschap der Nederlandsche taal, zal kunnen behouden worden; voornamelijk in de historische boeken des Ouden Testaments, en in alle boeken des Nieuwen, in welke zoo vele dingen, die verbetering waardig zijn, bij de oude overzetting niet gevonden worden. Is wijders goed geacht, dat deze vertaling uit de fonteinen of oorspronkelijke talen der H. Schriftuur, de Hebreeuwsche en Grieksche, geschieden moet, nochtans zoo, dat men daartoe tot een behulp gebruike en vergelijke de beste vertalingen, uitleggingen en korte verklaringen, en ook het oordeel van geleerde mannen in de zwaarste plaatsen. Eindelijk is goedgevonden, deze navolgende regelen, den overzetters, die daartoe zullen geordineerd worden, voor te schrijven.

I.                    Dat zij altijd bij den oorspronkelijken tekst zorgvuldiglijk blijven, en de manier van spreken der oorspronkelijke talen zoo veel de duidelijkheid en eigenschap der Nederlandsche spraken kan toelaten, behouden. Maar, indien ergens een Hebreeuwsche of Grieksche wijze van spreken voorden tekst gehouden zal kunnen worden, dat zij deze aan den kant naarstiglijk aanteekenen.

II.            Dat zij, om den zin van den tekst, die niet ten volle uitgedrukt is, te vervullen, zoo weinig woorden daarbij doen als mogelijk is, en deze in den tekst met eene andere letter, en tusschen haakjes besluiten, opdat ze van de woorden van den tekst mogen onderscheiden worden.

II.                  Dat zij voor ieder boek en hoofdstuk een korten en duidelijken inhoud stellen, en alleszins aan den kant de gelijkluidende plaatsen der H. Schriftuur aanteekenen.

IV. Dat zij eenige korte verklaringen er bij voegen, waarmede reden gegeven wordt van de overzetting in de duistere plaatsen; maar de waarnemingen der leerpunten daar bij te voegen, is geoordeeld noch noodig.”

8.       Biddag voor gewas, arbeid en geestelijk leven (ds. J.D. Heikamp, Staphorst): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 9 maart 2018 onder de berichten van de Hervormde evangelisatie van Vaassen

Vanmorgen las ik een brief van prins Willem de Eerste; die hij schreef aan de Staten van Zeeland, waarin hij aandrong om een biddag te houden. Ik geef een enkele zin weer. De brief is gedateerd 6 mei 1578.

‘Die Prince van Orangien, Grave van Nassau etc., heere ‘ende baron van  Brede van Diest etc, schrijft in deze brief alsvolgt:

Ten anderen opdat God almachtich die ogen Zijn der bermherticheyt op Zijne bedroefde kercke ende gemeente wil nederslagen, ende ons al tesamen in deze beswaarlicke ende periculose tijden met genaden aensien. Soo weet goed dat ghij door den geheelen Lande ende Graefschappe van Zeelant eenen gemeenen gebethdach doet publiceren ende houden, vastelick betrouwende dat die Heere Christus zinder litmaeten hunner gebeden zal aanhoren tot vermeering zijnder glorie’.

Tot zover.

Dit woord van Prins Willem heeft ook ons, zoveel eeuwen later, nogal wat te zeggen. Vooral zijn oproep tot gebed door de ware lidmaten van Christus. Kreeg Gods volk de ware nood der tijden eens op het hart gebonden, want de nood is groot, vooral op geestelijk terrein. Gebed tot de Heere om ontferming, zodat we niet worden overgegeven aan het goeddunken van ons eigen hart. Dat is een oordeel over ons: de verharding, de liefdeloosheid onder elkander. Als de Heere werkt, dan krijgen we een geschonken biddag, met een geschonken gebed, waarop Hij zal antwoorden. Waar de Heere verlossing geeft, daar geeft Hij die op het gebed. De Kerk wordt dan bediend uit de volheid van de biddende Christus, Die gegeven is alle macht in hemel en op aarde. Hij heeft de Geest der gebeden voor Zijn uitverkorenen verdiend en verworven, maar ook om Die aan hen te schenken. Er is alle reden om biddag te houden. Wie zal anders alles moeten laten groeien? We gevoelen de noodzakelijkheid om te trachten met alle ons gegeven en ons ten dienste staande middelen om deze dag af te zonderen van de andere dagen van de week. Niet omdat die dag heiliger is volgens de inzetting van Gods Woord, maar als een speciale dag om bezig te zijn in de dingen des Heeren, welke van groot belang zijn.

Hoe lankmoedig is de Heere nog over ons diep wegzinkend vaderland. Ondanks de grove uitgieting en uitleving der zonde, leven we nog in betrekkelijke welvaart. Of worden we vet gemest om ter slachting te worden geleid? Vele christenen die Gods Woord nog in huis hebben, leven als blinde heidenen voort naar de grote eeuwigheid. Hoeveel roepstemmen zijn er niet gekomen en toch gaan we door om de Heere te vertoornen vanwege een wereldgelijkvormig leven.

Biddag houden is erg belangrijk

Om eens stilgezet te worden bij de dingen die boven het dagelijks leven uitgaan. Ons dagelijks leven ligt onder Gods voorzienigheid. Hij regeert en zal Zijn almacht tonen, ook in het rijk der natuur. De Heilige Geest make ons rechteloos zodat deze dag, smekend en zuchtend om ons dagelijks brood, mocht worden doorgebracht. Daarbij niet vergetende het Woord Gods, dat de mens bij brood alleen niet zal leven, maar bij het Woord dat uit de mond van de Heere uitgaat. Alleen in deze weg ligt er ook een zegen voor onze gemeenten en gezinnen.

In land- en tuinbouw, in de veeteelt en visserij sectoren zijn veel zorgen.

Dat dan de aanleiding van de biddag, namelijk het dagelijks voedsel en onze arbeid, slechts een aansporing zij tot een ware verootmoediging waarin we kregen te smeken om ontferming, ziende op de nood van kerk en staat. Och, dat er een wederkeer tot de Heere mocht komen in ons land.

Wanneer we het bovenstaande verstaan mogen, zullen we alles in het werk stellen om te zorgen voor een vrije dag, om samen in Gods huis te mogen verkeren. Overbodig te schrijven dat we als gezinnen in Gods huis zullen zijn.

Ouders geef uw kinderen het goede voorbeeld.

Geef ons Uw heil en red door Uwe hand,

Uit vrije gunst, het zuchtend vaderland.

9.       ‘Ik had wel gedacht dat u dat zou zeggen’ (ds. W.J. op ’t Hof, Gameren): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 9 maart 2018 onder de berichten van de Hervormde gemeente van Driedorp

Er is een gezegde dat luidt: Prijst de dag niet voordat het avond is. Nu we nog maar een paar weken catechisatie voor de boeg hebben, denk ik dat ik wel mag stellen dat de avondstond van het kerkelijke onderwijs van deze winter is aangebroken. En ik kan niet anders zeggen dan dat ik wekelijks met zin mijn Opeltje instapte om mij door mijn oude trouwe kameraad naar Driedorp te laten vervoeren teneinde daar in de kerk met genoegen de jeugd de eerste beginselen van de leer die naar de godzaligheid is, bij te brengen. Of het aan mij lag weet ik niet, maar ik vond het met de gevreesde kou in de kerkruimte best meevallen. Natuurlijk zitten er in Driedorp ook pubers die met zichzelf geen raad weten en daarom een onverschillige houding aannemen. Maar die zijn mij toch even lief als de catechisanten die volop meedoen.

Tot mijn eigen verbazing kende ik de namen van de catechisanten voor mijn doen al vrij vlot, ook al zullen zij daar zelf wellicht iets anders over denken….

Zelfs de tweeling weet ik de meeste keren uit elkaar te houden en ik beloof de lezer dat dit voor mijn visuele vermogen een enorm moeilijke rekstokoefening is. Ik dank de catechisanten dat zij mijn haperende geheugen – ik ben nog steeds niet naar de geriater gegaan! – en mijn nimmer aflatende vragen goedgemutst verdragen hebben. Bovendien heeft niemand mij verweten dat ik als een oude schoolmeester iedere keer het één en ander dicteerde en dat een volgende keer overhoorde. Tevens moet ik de jongelui en hun ouders prijzen dat ik keurig  op de hoogte werd gesteld als iemand verhinderd was te komen. Harmonie maakt werken zo plezierig. Ook in een kerkelijke gemeente.

Als je ruim 45 jaar catechisatie hebt gegeven, kun je hele verhalen opdissen. Soms mooie en soms heel aangrijpende. Misschien dat ik in de toekomst nog wel eens meer een inkijkje in het catechisatielokaal in de kerkbode geef. Dit keer beperk ik mij tot de schildering van een moment van één van de recente keren dat ik de jeugd van de Driedorpse gemeente mocht bezighouden. De lezers zullen zo langzamerhand wel weten dat ik een ouderwetse voorganger en catechiseermeester ben. Dus ik geef de catechisanten bij binnenkomst en weggaan een hand. Niet lang geleden zeiden bij vertrek zussen tegen mij dat zij er de volgende keer niet zouden zijn. Dat vind ik uiteraard niet leuk om te horen, want elke catechisant die er niet is, mis ik echt. Om de pil voor mij te verzachten – wat aardig toch van de dames – zeiden zij tegen mij: ‘Maar….*(uit privacy-overwegingen geen naam) komt dan wel’. Toen viel mijn oog op hun broer die achter hen in de rij stond en ik zei: ‘Dan zal de vertegenwoordiger van het mannelijke geslacht de eer van jullie gezin hooghouden’. Daarop draaide degene die ik net een hand had gegeven zich om en voegde mij toe: ‘Ik had wel gedacht dat u dat zou zeggen’. Waarop ik repliceerde met: ‘Dan begin je mij een beetje te kennen’.

Later heb ik aan die woorden teruggedacht: ‘Ik had wel gedacht dat u dat zou zeggen’.

Een jongere die na zo’n 15 catechisatie lessen de catechiseermeester al zo goed kent. Geweldig. Mijn gedachten verdiepten zich.

Zou zo’n jongere nou ook de Heere goed mogen kennen: in Zijn recht en in Zijn oordeel, maar ook in Zijn ontferming in Christus?

Zouden de catechisanten reeds in hun jonge jaren de Heere mogen zoeken en Hem aan mogen lopen als een waterstroom?

Zouden zij alles van zichzelf om Christus’ wil schade en drek achten om de uitnemendheid van de kennis van Christus?

Zouden zij, zo jong als zij zijn, de Heere niet meer kunnen missen en vanuit dat leven Hem al maar meer mogen leren kennen?

Ik realiseer mij dat zij dat mij niet zullen zeggen, maar als het er maar mag zijn. Als de Heere er maar van af mag weten.

Wat zou het toch fijn zijn als jongeren de Heere zo goed zouden mogen kennen als die catechisant mij kent. Wat voor jongeren opgaat, geldt ook voor ouderen en ouders.

Vragen wij het ons weleens af hoe het met ons staat met betrekking tot de Heere? Kennen wij Hem in waarheid? Veel kerkmensen bedriegen zichzelf. Zij geloven en weten dat de Heere goed is. Nou, dan komt het toch met hen goed. Zij zijn bouwers die op het zand bouwen en eenmaal door de golven van het eindgericht weggespoeld zullen worden.

Zulke mensen kennen God niet. Zij weten niet van Zijn majesteit, heiligheid en recht. Om God te kunnen kennen is nodig dat wij Hem leren kennen. Als de Heilige Geest in Zijn zaligmakende bediening ons dat wil leren, leidt die kennis tot de grootste ellende. Immers, dan ga ik zien dat ik met al mijn bidden, Bijbellezen, kerkgang en (zogenaamde) nette leven niet voor de Heere kan bestaan. Hij heeft mij volmaakt geschapen, naar Zijn beeld en gelijkenis, en Hij eist dat beeld terug. Dat beeld ben ik echter totaal verloren door de zonde en zo kom ik dan met lege handen voor een rechtvaardig God te staan. En waren het dan nog maar lege handen, maar als ik op Gods bevel mijn handen uit mijn boezem steek, komen ze er melaats uit. Melaats wil zeggen dat er geen gemeenschap meer met de Heere mag zijn. Dan wordt de ziel bedroefd. Zij moet God missen en kan Hem niet missen. Naar recht buiten God, naar recht verloren! Hoe moet het dan?

Wel, er moet niets. Maar de Geest is de Trooster Die op zulke verslagen en ontstelde zielen de regendruppels van het evangelie laat vallen. Dan geeft Hij hen ogen om Hem te zien Die door de Vader als de enige Naam onder de hemel gegeven is tot zaligheid. Ze mogen in Hem leren zien alles wat zij zelf missen. Als zij dan in Zijn gewilligheid om Zich over zondaren te ontfermen ingeleid worden, krijgen zij zo’n betrekking op Hem en gaat Hij door de prediking van het evangelie zo trekken, dat zij met de melaatse het niet meer kunnen laten om aan Zijn voeten neer te zijgen, ook al mogen zij niet tot Hem uitgaan. En als het dan uit Zijn mond klinkt: Ik wil, word gereinigd en Hij raakt hen aan met Zijn goddelijke Middelaarsliefde, dan verdwijnt de melaatsheid als sneeuw voor de zon. Wie deze ervaring kent, mag de Heere kennen tot in Zijn diepste Wezen. Dan mag de ziel Hem in en om Christus leren kennen als een zondaarsminnend God, Die geen lust in de dood van de zondaar heeft gehad, maar wel in de dood van Zijn eniggeliefde Zoon. Wat worden God en Christus dan dierbaar voor de ziel. Dan krijgt een mens ook echte toekomst. In de tijd en door de tijd heen: zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest.

Wie de Heere zo mag kennen, krijgt ook alle lust om zijn leven in te richten naar Zijn wil. Velen maken misbruik van de vrijheid van de kinderen Gods. Zij zijn nu vrij van de wet en kennen nauwelijks meer geboden en inzettingen. Ten diepste is die vrijheid vijandschap tegen God, want zij permitteren zich van alles. Zij leven niet langer in afzondering van de wereld, nemen de heilsmiddelen niet nauwgezet waar. Zij kennen nu immers God. Dus komt het goed. Maar een echt door de Heere bekeerde ziel zal steeds meer aan Hem en aan Zijn Christus worden verbonden, zal steeds meer Zijn gemeenschap zoeken en zal Hem ook gedurig in al zijn levensuitingen willen bedoelen.

Het is voorts een kenmerk van de ware kennisse Gods als wij niet genoeg hebben aan wat Hij ons van Zichzelf en van Zijn Christus geleerd heeft, maar als wij gedurig ernaar haken om meer van hen te leren kennen. Toen de apostel Paulus de Heere al lang had leren kennen, riep hij als zijn zielehunkering uit: Dat ik Hem kenne in de kracht Zijner opstanding. De ware Gods- en Christuskennis smaakt altijd naar meer. Smaakt en ziet dat de Heere goed is.

In de ware kennis van God leert een mens dat het ten diepste niet gaat om zijn kennis van de Heere, maar om het feit dat de Heere ons wil kennen. Wie dat mag leren, wordt door de Heere al maar meer meegetrokken de eeuwigheid in. Dat de Heere de Zijnen al heeft willen kennen van vóór de grondlegging der wereld. Dan mag de ziel wegzinken in de bewondering van het eeuwige welbehagen van de drie-enige God.

Tientallen jaren geleden stond er eens op een perron van het treinstation van Vlaardingen een oud, gebogen vrouwtje. Zij was als weduwe in het zwart gekleed. Zij zag er zo teer uit, dat een grote man, gestoken in het uniform van een soldaat van het Leger des Heils, naar haar toekwam en haar vriendelijk vroeg: ‘Vrouwtje, ken jij Jezus?’

Toen de oude vrouw doorhad dat hij het tegen haar had, richtte zij zich uit haar gebogen houding op, keek de heilssoldaat recht in de ogen en vroeg met zachte stem: ‘Mijnheer, kent Jezus u?’

Wij kunnen menen God te kennen, zoals de kloppers op de deur: Heere, Heere, doe ons open; wij hebben in Uw tegenwoordigheid gegeten en gedronken. Maar als Hij niet van ons afweet, zal het klinken: IK ken u niet, vanwaar gij zijt; wijkt van Mij af. Daarentegen zal Hij tot iedereen die door Hem gekend wordt, zeggen: Komt in, gij gezegende Mijns Vaders en beërfd het Koninkrijk. Die weduwe mocht daar iets van kennen en zij gunde het die heilssoldaat ook zo.

Wanneer kennen wij God echt? Als wij door Hem gekend zijn!

10.   Een halve eeuw geleden (ds. J.T. Doornenbal): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 9 maart onder de algemene berichten

Vorige week woensdagavond was de jaarvergadering van de mannenvereniging ‘Wees een zegen’, en vrijdagavond vergaderde de ring van Mannenverenigingen in Epe. Ik heb er zelf de beste herinneringen aan. Beide avonden was het enkel het Woord waar het om ging. Misschien was het daarom zo goed! Ik zie de mannenverenigingen als kleine kernen in de gemeente en de kerk tot bewaring en verdieping van de kennis van het Woord des Heeren en daarin kunnen ze tot rijke zegen zijn. Zo is het met de vereniging hier, die nu alweer 20 jaar bestaat, en die ongestoord heeft mogen vergaderen, al die jaren door, in eendrachtige en broederlijke samenspreking en waaraan ik persoonlijk veel te danken heb. En zo is het ook met de samenkomsten in de ring, waar de broeders van beide zijden van de berg elkaar ontmoeten en moed mogen scheppen.

Op de ringvergadering in Epe werden we nog weer eens getrakteerd op chocolademelk (Oener melk nog wel!), en ik ben er zeker van, dat het tot het welslagen en de gezelligheid van de avond heel veel heeft bijgedragen. Koffie krijg je tenslotte overal, en nu ze ook ingevoerd is op de jaarvergaderingen van de verenigingen, vind ik die niet half zo gezellig meer. Overigens moet de Oener melkfabriek ook blijven draaien!

Ik heb gemerkt, dat mijn ‘reisverslag’ nu eindelijk afgedrukt is. Het heeft de nodige tijd geduurd! De ruimte, die mij in de kerkbode toegemeten wordt, is niet meer zo groot als vroeger, en ik zal daar ook voor het vervolg rekening mee moeten houden. Maar goed ook!

Er zouden inmiddels alweer heel wat nieuwe verslagen te leveren zijn, als ik nog dezelfde schrijfkramp had als vroeger, want ik heb deze winter weer heel wat heen en weer gezworven, al bleef het binnen de grenzen van het vaderland. Maar het wordt allemaal zulk oud nieuws!

Winteravonddiensten op de Veluwe en daarbuiten, meestal per auto, maar de laatste tijd toch ook weer meermalen met de trein. Over het algemeen heb ik er toch wel aangename herinneringen aan. Een begaafd en gevierd spreker ben ik nooit geweest, en de dagen van mijn jeugd zijn onherroepelijk voorbij (er waren gemeenten deze winter, waar ik drie- of vierendertig jaar geleden ook al heb gepreekt!), maar één ding heb ik toch altijd gehad, nl. dat ik niet over slechte opkomsten heb hoeven klagen. Dat is zeker Gods bijzondere goedheid in mijn leven, want vanaf mijn kinderjaren heb ik lege kerken iets verschrikkelijks gevonden, en dat is nooit veranderd. Ik zal mogelijk ook daaraan wennen moeten in de toekomst, maar het zal een moeilijke les van zelfverloochening worden, en ik hoop alleen maar, dat ze niet al te zwaar zal vallen.

Van mijn grote voorganger in Woubrugge, dr. Alexander Comrie, heb ik gelezen in het proefschrift van prof. Honig, dat zijn eens zo talrijk gehoor aan het eind van zijn bediening tot enkele tientallen was teruggelopen, en ik herinner mij het woord van mijn vroeggestorven vriend ds. Balke: Je zult gewoon moeten doorgaan, ook als er bijna niemand meer bij je in de kerk komt! Maar ik hoop toch maar, dat ik voor die beproeving gespaard mag blijven! Tot hiertoe heb ik reden tot blijdschap en dankbaarheid over de opkomsten, zowel in mijn eigen gemeente als elders. Daar waren diensten bij die ik niet licht zal vergeten, al stonden er ook andere tegenover, waar ik minder gelukkig mee was.

Voor het eerst was ik deze winter in de nieuwe kerk van Grafhorst, het stille dorp in het eindeloze polderland langs de Kamperzeedijk. Het bleek een verrassend mooie kerk, bijna helemaal vol, en licht en warmte en meeleven straalden je tegen. Ik heb het er werkelijk buitengewoon aangenaam gevonden! Het was niet de enige maal, dat de winteravondkerk, waar ik voorging, helemaal gevuld was, en dat kan dan zo echt goed doen, in een tijd als deze van vergaderingmoeheid, waarin de mensen liever thuis blijven zitten, dan naar een doordeweekse kerkdienst gaan.

Maar ik heb ook wel voor hele kleine groepjes mensen gesproken, zoals nog kort geleden in Zalk aan de IJsseldijk. Het was geen kerkdienst, maar een samenkomst van enkele mensen in een oud schoolgebouwtje, aan de voet van de kerktoren. De wind woei ijzig koud om de kerk en door de straatjes, maar binnen was het toch wel warm en aangenaam, ondanks het kleine aantal van de belangstellenden. We moesten zingen zonder orgel, soms ging het mis, en dan moesten we het over doen, maar dat hinderde allemaal niet, want hoe eenvoudiger hoe makkelijker, en het ging toch ook daar alleen om het Woord. We hebben koffie gedronken op een hofstee, wijdweg in de polder, in de richting van de Koelucht. Je zag geen levend wezen langs de dijk en de landwegen. Winteravond over het duistere land en het eenzame dorp. Vaak moet ik er nog aan terugdenken, en aan dat kleine groepje mensen in dat oude schooltje, vlak bij de donkere kerk met haar hoge toren, monument uit een ver verleden en herinnering aan waarschijnlijk betere dagen; er waren in dat kleine dorp nog minstens twee andere kerken, beide gereformeerd van diverse artikelen, en ik hoorde dat bovendien meerdere gezinnen op de rustdag hun heil zoeken in nog andere kerken in de omtrek. Het maakt je allemaal een beetje verdrietig en sterkt je heimwee naar de éne, algemene Kerk, de echte Oecumene, en dan blijft het nazingen in je hart, wat we die winteravond zongen in dat sobere samenzijn:

Herdenk de trouw, aan ons voorheen betoond,

Denk aan Uw volk, door U van ouds verkregen;

Denk aan Uw erv’, het voorwerp van Uw zegen,

Aan Sions berg, waar G’eertijds hebt gewoond.

11.   Van de duisternis naar het licht (ds. W.N. Middelkoop, Urk): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 9 maart onder de algemene berichten

Gewoonte, genot en verslaving

De Engelse prediker Charles Haddon Spurgeon kwam eens in gesprek met een alcoholist. Hij vroeg Spurgeon hem te helpen los te komen van zijn drankprobleem. Spurgeon antwoordde hem: dan moet je bidden.

‘Heere’, bad de dronkaard, ‘ik ben gisteravond met verkeerde vrienden uit geweest’.

‘U bidt verkeerd’, viel Spurgeon hem in de rede, ‘u moet het overdoen’.

‘Heere’, bad de dronkaard, ‘ik ben gisteravond naar een slechte gelegenheid geweest’.

‘Nee’, zei Spurgeon, ‘zo is het ook niet goed. U moet het overdoen’.

De man werd wanhopig en vroeg of de predikant voor hem wilde bidden. Die vouwde zijn handen en bad voor de man: ‘Heere, ik ben gisteravond dronken geweest, maar ik heb berouw. Wilt U mij helpen ervan af te komen?’

Het komt naar buiten. Meestal komt een verslaafde er niet uit zichzelf mee naar buiten. Vaak is het een ander, uit de omgeving van de verslaafde, die dat doet. Het is goed om te beseffen dat er voor hen, als deze mensen bij je aankloppen, vaak al een heel traject aan vooraf gegaan is. Eerst zagen ze de verslaving niet bij het familielid, later relativeerde men het ‘het is zo erg niet’ of ‘het komt wel weer goed’. Soms heeft men de kwalijke gevolgen van de verslaving reeds aan den lijve ervaren. Meestal komt men er pas mee naar buiten als men ervaart: zo kan het niet langer meer.

Bedenk dat het een worsteling is voor een echtgenoot om ermee voor de dag te komen dat je man of vrouw verslaafd is, of voor een ouder als het je kind betreft. Dat voelt vaak als verraad en dat verwijt zal de verslaafde ook maken als hij te weten komt dat het naar buiten is gebracht. Hoe belangrijk is het dan ook om hem of haar niet te bestoken met allerlei gedachten van ‘dat kan toch niet waar zijn’, ook al had je nooit van de betrokken persoon verwacht.

Voorbeeld

Op een studiedag over verslaving vertelde een vrouw het verhaal van haar man die verslaafd was geweest aan de drank. Het ging van kwaad tot erger en zo kwam het dat haar predikant zei: ‘Moet je niet bij je man weggaan?’

Dat was voor haar ondenkbaar. Wie moest er dan voor hem zorgen? Zo hield ze hem de hand boven het hoofd. Ze zei wel tegen haar man: ‘Als je hiermee doorgaat, ga ik weg’, maar hij dacht: ‘dat doet ze toch niet!’

Zo bleef de verslaving doorgaan, tot ze echt niet meer kon en scheidde van haar man. Dat werd na een tijd het keerpunt voor hem om zich te laten helpen en uiteindelijk zijn ze later hertrouwd. Ik zeg niet dat het altijd zo gaat, maar het voorbeeld spreekt wel duidelijk hoe we ander juist helpen door hem niet de hand boven het hoofd te houden. Ook al gaat dat tegen je gevoel van liefhebben in.

Les uit verhaal van Spurgeon

Waarom zei Spurgeon tegen die verslaafde steeds dat hij verkeerd bad? Omdat die verslaafde elke keer het probleem buiten zichzelf legde. Hij moest gaan erkennen: ik ben het zelf. Ook al heeft een verslaafde vaak allerlei problemen die de oorzaak van zijn verslaving kunnen zijn, hij moet tot de erkenning komen dat hij zelf het probleem is. Er moet een omkeer in zijn denken en zijn wil komen. Extra moeilijkheid daarbij kan voor een drankverslaafde zijn dat zijn omgeving het gewoon vindt om veel alcoholische drank te nuttigen. Vaak zijn vele gesprekken nodig. Dat vraagt geduld. Zolang een verslaafde zijn probleem minimaliseert (ik drink vaak een paar biertjes) of de schuld buiten zichzelf legt, is de weg van herstel er niet. Hij moet gaan inzien: Ik ben verantwoordelijk voor mijn gedrag en ik moet veranderen. En hij moet gaan erkennen: ik kan hier zelf niet uitkomen. Ik heb hulp nodig van buitenaf en van bovenaf. Dan komt er plaats voor echt berouw. En dat kan alleen God bewerken. Daarom is in het pastoraat aan verslaafden zo belangrijk dat de Bijbel opengaat. Alleen God kan met behulp van professionele hulp mensen weer terugbrengen op de goede weg. De gelijkenis van de verloren zoon mag daarbij wel in het bijzonder genoemd worden. Ze kunnen immers door alle afwijzende reacties uit de omgeving het gevoel hebben: God zal me ook wel afwijzen. De gelijkenis van de verloren zoon laat echter zien dat God juist met open armen klaarstaat om de verloren zoon te ontvangen!

12.   Happy-meal (ds. M.A.Kempeneers, Katwijk aan Zee): gelezen in ‘Bewaar het Pand’; orgaan binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken, van 7 november 2017

En Juda kwam met zijn broederen in Jozefs huis, want hij was nog zelf aldaar; en zij vielen voor zijn aangezicht neder ter aarde. Genesis 44 : 14

Een Happy-meal (=blijde maaltijd) hapt lekker en makkelijk weg. De Franse frietjes, hamburger en cola worden goed verkocht bij fastfood-keten McDonalds. Bovendien zitten er in de maaltijdbox altijd een speelgoedje voor de kinderen om het extra aantrekkelijk te maken. Maar in verband met de toenemende obesitas (vetzucht) bij kinderen is er in Amerika in 2010 afgesproken dat er alleen nog een speeltje mag worden toegevoegd als er groente en fruit bij de maaltijd wordt geserveerd. Als een zoethoudertje natuurlijk, want de kinderen eten liever frietjes en het gaat hen meer om het speelgoed dan om de sla.

Kom jij zo naar de kerk?

Om een happy-meal te krijgen?

De broers zijn helemaal in paniek.

Ze hadden niet verwacht dat de beker bij Benjamin gevonden zou worden. Ze scheuren hun kleren als teken van diepe rouw. Ze hebben immers zojuist hun eigen vonnis uitgesproken: ‘Bij wien van uw knechten hij gevonden zal worden, dat hij sterve; en ook zullen wij mijn heer tot slaven zijn!’

Als die broers nu  nog hetzelfde hart hadden gehad als 22 jaar geleden, dan zouden ze tegen Benjamin gezegd hebben dat het zijn eigen schuld was. En dan waren ze naar huis gegaan. Maar nu: ze dáchten er niet aan om Benjamin alleen te laten. Als één man gaan ze voor hun broer staan. Dat was nu het werk van Gods Geest in hun leven.

Ze gaan met Benjamin mee terug naar de onderkoning. En als ze Jozef zien, dan vallen ze plat voor hem op de grond. En ze hebben geen excuus meer. Maar we horen die ontroerende woorden uit de mond van Juda, namens zijn broers in vers 16: ‘Wat zullen wij tot mijn heer zeggen, wat zullen wij spreken, en wat zullen wij ons rechtvaardigen? God heeft de ongerechtigheid uwer knechten gevonden’.

Meer en meer gingen de broers van Jozef in alle dingen de hand van God zien. Ze geven niet elkaar de schuld, niet de omstandigheden, maar ze beseffen met Gód te doen te hebben. Ze krijgen hun leven terug. Ze krijgen hun zonde terug. Ze beseffen: dit is omdat we Jozef verkocht hebben. God bezoekt die zonde. En je ziet ze knielen en erkennen: wij hebben tegen God gezondigd.

Dat is nu één van de redenen waarom God mensen beproeft. Om ze diep te laten doorvoelen en doorleven wat zonde is en wat zonde teweegbrengt. Opdat ze die zonde gaan haten en er vandaan vluchten en verlagen krijgen om heilig te leven.

Want wie ooit in waarheid heeft gezegd: ‘Wee mij dat ik zo gezondigd heb’, die kan niet doorleven met de zonde.

En om dat te bewerken brengt God Zijn volk in de benauwdheid. Opdat ze het bloed van Christus nodig krijgen. En dat leer je door de aanvechting heen, zo zei Maarten Luther. Weet je het nog?

Oratio, meditatio, tentatio. Door gebed, overdenking van de Schrift en aanvechting wordt het christelijke geloof gevormd.

Wie denkt dat het geloof alleen een zaak van blijdschap is, die vergist zichzelf.

Wie denkt dat het geestelijke leven alleen bestaat uit dankbaarheid, die bedriegt zichzelf.

Jonge mensen, je mag gerust weten dat ik mijn grote zorgen heb over een godsdienst die zo snel bij de zekerheid is. Een godsdienst die over Jezus spreekt en van Jezus zingt, maar die geen weet heeft van de aanvechting.

Ik ken mensen die alleen naar de kerk komen om blij te worden. De preek moet bemoedigend zijn, zo zei iemand eens tegen mij. Zij kwam in de kerk in feite dus een happy-meal halen. Zulke mensen waren er in de tijd van de Bijbel ook. ‘Spreek tot ons zachte dingen’ (Jesaja 30 : 10). Zij weten het niet alleen beter dan de dominee wat er gepreekt moet worden, maar ze weten het kennelijk ook beter dan God! En natuurlijk hebben ze het soms wel over de zonde, maar dat is alleen een zoethoudertje, zoals de groente in de happy-meal. En de kinderen laten dat liggen, want ze willen frietjes en speelgoed. Het functioneert totaal niet.

Maar jonge mensen, de Heere serveert geen happy-meal. De Heere wil mensen niet altijd bemoedigen, integendeel zelfs. Ja, het geestelijke voedsel maakt wel blij. Maar dat voedsel is op  Golgotha bereid. Het gebroken lichaam en het vergoten bloed van Christus. En dat krijg je alleen nodig als je leert wat de broers hebben geleerd. Dat voedsel leer je alleen waarderen als je als een rechteloze zondaar gaat buigen onder het recht van God en door genade – genáde alléén – behouden kan worden.

13.   Ds. J. Pannekoek: Mijn omzwerven geteld (1; dhr. C. Dubbeld, Gouda): gelezen in ‘De Wachter Sions’; orgaan van de Gereformeerde Gemeenten in Nederland, van 6 oktober 2016

Er zal wel geen gemeente in ons kerkverband zijn, waar niet jaarlijks één of meer keren een preek van wijlen ds. J. Pannekoek wordt gelezen. Dat zal zeker ook gelden van onze Canadese gemeente Chiliwack, waar ds. Pannekoek de eerste eigen herder en leraar in haar bestaan is geweest. Onze jongere generatie heeft ds. Pannekoek niet gekend. Omdat het op 14 oktober 2016 100 geleden is dat ds. Pannekoek werd geboren, is het goed om aan hem een artikel te wijden. Trouwens, dat is ook een Bijbelse opdracht. Paulus schrijft in Hebr. 13 : 7: Gedenkt uw voorgangers, die u het Woord Gods gesproken hebben; en volgt hun geloof na, aanschouwende de uitkomst van hun wandel.

Die zegen ruste ook op de overdenking van het leven van ds. Pannekoek.

Geboren

Het stadje Zierikzee op het Zeeuwse eiland Schouwen-Duiveland is de plek waar Jan Pannekoek op 14 oktober 1916 geboren wordt. Jan wordt geboren in een familie, waar de Heere in de voorgeslachten heeft gewerkt. Van het leven uit God komt bij Jan echter op voorhand niets openbaar. Integendeel. Hij groeit op als een vechtersbaas en komt met de politie in aanraking. Er is zelfs enige tijd sprake van geweest dat hij in een opvoedingsgesticht zou worden opgenomen. Die opvoedingsgestichten waren bedoeld voor jongens onder de zestien jaar die te jong werden geacht voor gevangenisstraf, maar wel in een speciaal verbeterhuis moesten worden opgevoed. De Heere gaat de jonge Jan Pannekoek echter opnemen op de school van de Heilige Geest.

Wederom geboren

Als jongen van 10 jaar krijgt hij een ernstige nieraandoening. Dit is het middel tot zijn bekering. Zelf schrijft hij daarover: ‘Dit was een middel dat ik van Godswege niet meer door kon in de weg die ik bewandelde. De Heere deed de wereld voor ons vergaan. Toen hebben we ons bed doornat gemaakt met tranen. Wij dachten dat God zulk een monster niet langer verdragen kon. Als het dan morgen werd en het daglicht brak aan, keken we wel eens door de ruiten en zeiden: ‘Hoe is het mogelijk dat U het daglicht nog over zulk een mens doet opgaan’. Als het dan avond werd, zeiden wij wel eens: ‘Ach Heere, dat wij nog op ons bed mogen liggen, dat is nog een wonder, zo’n dorre, zulk een onvruchtbare vijgenboom, dat de aarde die nog kan dragen’.

In het gezin wordt de verandering opgemerkt. Hij merkt daarover later in een preek op: ‘Dacht u dat uw vader en moeder dat niet wisten? Smijtegelt zegt zo: ‘Weten de buren ook, dat God u bekeerd heeft?’ Als men jong is en in de kracht van het leven, dan zien we het, hoor mensen. Dan behoeft u niet veel te zeggen, want zij zien, dat de verborgen plaatsen opgezocht worden en dat men niet meer leven kan als voorheen’.

Enige jaren probeert Jan door levensverbetering de verhouding tot God goed te maken. Hij gebruikte in zijn preken wel eens het beeld van een boer, die met de schop aan het graven was. Hij sprak dan wel eens van ‘zeven schoften op een dag’. Als je dan bedenkt dat met ‘schoft’ (of ‘schaft’) oorspronkelijk een vierde deel van de dag werd bedoeld, kun je nagaan hoezeer hij zich heeft ingespannen om het bij God goed te maken.

In de loop van zijn veertiende levensjaar geeft de Heere Pannekoek nader onderwijs.

‘Het behaagde de Heere, dat ik met Gods heiligheid en rechtvaardigheid te doen kreeg en was in mijn schatting voor eeuwig verloren. Daar wordt zijn mond gesloten. Daar moet hij God billijken en daar wint Gods liefde hem in voor Gods recht en krijgt hij een welgevallen in de straf van zijn ongerechtigheid. Daar kan God hem geen kwaad meer doen en gaat hij afwachten wat God zal doen, niet anders verwachtende dan de hel. Doch toen het voor mij rechtvaardig niet meer kon, ontsloot de Heere een weg buiten mijzelf. O, zoete tijd! Door de beloften des evangelies wordt hem bekend gemaakt, dat er bij Hem alleen uitkomsten zijn, gerechtigheid en sterkte. Hij kan nog zalig worden met behoud van Gods deugden. Hij zou iedereen wel willen toeroepen: ‘Nu kan ik nog zalig worden en als dat voor mij nog kan, dan kunt u allemaal nog zalig worden!’

De Heere onderwijst hem al meer aangaande zijn eigen bestaan.

‘De Heere bracht mij bij Adams val. Ik was voor eeuwig verloren’.

Als hij zeventien jaar is openbaart Zich de Middelaar aan zijn ziel.

‘En toen, van achter het Goddelijk recht onkreukbaar, openbaarde Zich die dierbare Borg, als het Lam Gods, Dat de zonden der wereld wegneemt. Jesaja 53 werd het heiligdom waar God mij inleidde. In weken zag ik niets meer dan Jezus alleen. En wenste te mogen sterven’.

Daar openbaart Zich Jezus als de Borg en Middelaar, als een openbaring van des Vaders liefde. Het is een onbegrijpelijk wonder, dat Hij zo gepast, zo bereidwillig, zo dierbaar en zo lieflijk is. Dan valt de vreze des doods weg. Ja, dan valt de zonde weg in haar veroordelende kracht. Dan is de schuld bedekt en dan is er maar één Naam, Die waarde heeft. In vergelijking met Hem is alles schade en drek. Hij wordt het leven van het leven’.

In later dagen kan hij er niet meer in opgaan om zijn hele bekeringsweg uitvoerig te vertellen. In navolging van de oude ds. J.R. van Oordt zegt hij: ‘Mijn bekering is gauw uitverteld. Het was halt, rechtsomkeert, terug. Om eigen leven te verliezen, om het in die eeuwige Borg en Middelaar en Sions Koning te leren vinden’.

Rouw in de familie

Heel ingrijpend in het leven van de jonge Pannekoek is het ziek- en sterfbed van zijn broer Kees. Op 19-jarige leeftijd wordt Kees weggevoerd naar Duitsland. Daar moet hij onder uiterst ongezonde omstandigheden zijn werk doen en verzwakt hij door tekort aan eten. Hij loopt ook TBC op. Na vele maanden komt hij ziek thuis, en Pannekoek ziet gelijk dat hij thuis komt om te sterven. Aangrijpend is de weergave van de vele gesprekken die Pannekoek met zijn broer heeft gevoerd omtrent diens zieleheil. Na bange zielenstrijd breekt het licht in de ziel van Kees door en mag hij de eeuwige heerlijkheid ingaan. Opmerkelijk is de conclusie die Pannekoek aan het slot van het uitvoerige, door hem zelf geschreven document trekt: ‘Wij laten Kees voor God liggen, hoewel wij er een hoop voor hebben. De Heere heeft recht met hem gedaan’. Het is een uiting van zijn grote voorzichtigheid omtrent de eeuwige bestemming van een mens. Zelf heeft hij zijn leven lang veel innerlijke zielenstrijd en gemis gekend. Dat is terug te vinden in zijn preken, waar hij zo dikwijls aanhaalt dat de ziel bang is om als een Judas, een Kaïn, een Saul of een Ezau nog openbaar te komen.

In zijn ambtelijke bediening is hij later meer dan eens op dit sterven van zijn broer teruggekomen. Zo zei hij wel eens: ‘Ik kan een vader begraven. Ik kan een moeder begraven. Ik kan een broer begraven. Maar ik kan geen vrouw begraven’. Daarmee bedoelde hij, dat hij had meegemaakt, dat een vader, een moeder en een broer hem door de dood ontviel, maar dat hij niet had meegemaakt dat hij zijn vrouw moest verliezen. De broer waar hij over sprak, is dan Kees geweest.

Ambtsdrager

Toen Jan Pannekoek geboren werd, bracht zijn vader de boodschap van de geboorte bij een oude vrouw. Zij had reeds voor de geboorte werkzaamheden met het kind gehad. Ze mocht geloven, dat deze zoon geroepen zou worden tot de ambtelijke bediening. Als hij 22 jaar is, lijkt dit in vervulling te gaan, want hij wordt in de gemeente van Zierikzee tot ouderling verkozen. Hij kan echter niet de vrijmoedigheid vinden om zijn verkiezing te aanvaarden. Het zou nog negen jaar duren eer hij diaken werd, om een jaar later tot ouderling bevestigd te worden.

Gehuwd

Tijdens zijn ambtelijke werkzaamheden komt Pannekoek door een sterfgeval in contact met de familie Verhoek. Dat leidt uiteindelijk ertoe dat Pannekoek op 33-jarige leeftijd in het huwelijk treedt met de 24-jarige dochter Dingena. Zij zal zijn hele verdere leven als een zeer getrouwe echtgenote haar man tot steun zijn, ook als er ingrijpende wendingen in zijn levenslot zich zullen voordoen. Na het sterven van Pannekoek in 1971 in Chiliwack is zij met haar grote gezin in Chiliwack blijven wonen en heeft haar man 41 jaar overleefd. Als ze op 4 september 2012 overlijdt schrijft ds. Roos in de Wachter Sions: ‘We hebben mevrouw Pannekoek gekend als een serieuze, ietwat teruggetrokken en meelevende vrouw. We hebben altijd een goede band met haar gehad. Zij woonde vlakbij ons in Chiliwack en we hebben elkaar over en weer dikwijls bezocht. Haar kinderen hebben hun moeder tot het laatste toe bijgestaan en verzorgd’.

Op deze ingrijpende wendingen in zijn levenslot hopen we in een tweede artikel terug te komen.

 

14.   Ds. Guthrie (gelezen in zendingsblad Mbuma, juni 2017)

Ds. Guthrie, een voortreffelijk predikant in Schotland, welke destijds het bekende boek ‘Des Christens Groot Interest’ geschreven heeft, begaf zich op zekere avond laat huiswaarts. Daar hij in het moeras de weg kwijt geraakt was, legde hij de teugels op de hals van zijn paard en beval zichzelf aan de besturing der Voorzienigheid aan.

Na een lange tocht door greppels en velden, bracht het paard hem naar een boerderij waar hij naar binnen ging en vroeg toestemming om tot de morgen bij het vuur te mogen zitten.

Dit werd toegestaan.

De boerin was stervende en een priester diende haar het laatste oliesel toe. Totdat de priester weggegaan was, zei Guthrie niets, maar daarna begaf hij zich tot de stervende vrouw en vroeg haar of ze nu naar aanleiding van wat de priester had gezegd tot haar en gedaan aan haar, in het vooruitzicht van de dood, vrede had.

Zij antwoordde hierop ontkennend, waarop Guthrie tot haar sprak over de verlossing door het verzoenend bloed van de Zaligmaker. De Heere verlichtte haar verstand en deed haar de boodschap van genade geloven.

Zij stierf in Jezus Christus haar Zaligmaker.

Na getuige van dit wonderlijk gebeuren geweest te zijn, beklom de dominee zijn paard en reed naar huis.

Thuis gekomen zijnde vertelde hij aan zijn vrouw die afgelopen nacht een groot wonder gezien te hebben.

‘Ik kwam’, zo zei hij, ‘bij een boerderij waar ik een vrouw vond in de staat der natuur; ik zag haar in een staat van genade; en ik verliet haar in een staat van heerlijkheid’.

15.   Laat dezen heengaan (ds. R.P. van Rooijen, Oosterwolde): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 2 maart  2018 onder de berichten van de Hersteld Hervormde gemeente van Oosterwolde

We kozen in deze lijdenstijd voor u een stukje over Joh. 18 : 8: ‘Indien gij dan Mij zoekt, zo laat dezen heengaan’. Het is van de hand van de bekende ds. S. van Dorp.

‘Bij het overdenken van dit Schriftgedeelte hebben wij stil mogen staan bij de bereidwilligheid van de Verlosser om Zich over te geven, om te lijden en te sterven. Dat blijkt zonneklaar uit Zijn uitgaan tot de bende met lantaarnen en fakkelen en wapenen met de vraag: ‘Wien zoekt gij?’ En uit Zijn openhartig ‘Ik ben het’ in antwoord op hun onverschillig en vijandig: ‘Jezus de Nazarener’.

Zijn ure is gekomen, en nu is Hij volkomen bereid om de weg te gaan, die nodig is, om zondaren te redden, om verlorenen zalig te maken, om goddelozen te rechtvaardigen voor de heilige en rechtvaardige God. Hij is het, Wiens spijze het is te doen de wil Zijns Vaders, Die Hem gezonden heeft, en dus is het in Zijn hart en op Zijn lippen: ‘Zie, Ik kom, om Uw wil te doen, o God!’- Zulk een Verlosser hebben wij nodig, omdat wij van nature zo onbereidwillig zijn om ons te laten zaligmaken, omdat wij zo afkerig zijn van God en Zijn dienst. Hij kan onbereidwilligen bereidwillig maken, zodat zij moeten getuigen: ‘Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad’.

Maar het voorafgaande heeft ons niet alleen bepaald bij de bereidwilligheid van de Heere Jezus om te lijden en te sterven, om volkomen genoeg te doen aan het recht Gods, bij Zijn bereidwilligheid ook om zondaren met God te verzoenen.

In het voorafgaande worden wij ook gewezen op de almacht van de  Verlosser. Met één enkel machtwoord, met Zijn ‘Ik ben het’, werpt Hij een gehele bende neer. Wel is er dus reden voor ons om ’s Heeren macht te vrezen en uit te roepen: ‘Zo Gij, Heere, de ongerechtigheden gadeslaat, Heere, wie zal bestaan?’

Maar, Gode zij dank! Hij gebruikt Zijn macht niet alleen om neer te werpen, maar ook om op te richten, om te helpen, om te redden uit alle nood en dood. Wie in ’t stof lag neergebogen, wordt door Hem weer opgericht.

Dat zien wij in een Zacheüs, in de moordenaar aan het kruis, in de gevallen Petrus, in de ongelovige Thomas, in de wenende Maria Magdalena.

Dat zien wij tot op onze tijd toe in neergebogenen, diep neergebogen, die door Hem weer worden opgericht.

En dat zal gezien worden tot de voleinding der wereld telkens weer, als er zondaren uit het geweld van de duivel verlost worden, totdat de laatste van de gegevenen des Vaders zal zijn toegedaan tot de gemeente die zalig wordt.

Toen de Heere Jezus Zich aan de bende, gekomen om Hem gevangen te nemen, openbaarde met Zijn machtig: ‘Ik ben het!’ gingen zij achterwaarts en vielen ter aarde. Als zij daarna echter zijn opgestaan en de Heere Jezus hun wederom vraagt: ‘Wien zoekt gij?, dan komt over hun lippen hetzelfde koude, afkerige antwoord: ‘Jezus de Nazarener’.

Welk een hardnekkigheid! Welk een vijandig doorgaan op de weg van de Zaligmaker af!

Zij hebben nog niets geleerd, al was er zeer veel te leren geweest.

Zij zijn opgestaan.

Zij hebben zich hersteld.

En zij blijven, in vijandschap tegen Hem ontstoken, Jezus de Nazarener zoeken.

Zij gaan door met te roepen: ‘Wij willen niet, dat deze Koning over ons zij’.

Hier vinden wij ons beeld getekend. Hardnekkig en wederspannig is ons hart. De grote Ontfermer laat het aan bearbeiding, aan roepstemmen, niet ontbreken. Hij werpt ons misschien neer onder de tegenspoed, op een ernstig ziekbed, in een ons plotseling treffend ongeluk. Even is er angst, een indruk, misschien wel een roepen in de nood. Maar ach, als wij weer zijn opgestaan, dan blijkt het, dat wij nog dezelfde zijn. Ook wij herstellen ons zo spoedig en zo gemakkelijk. Wij zijn de oude weer. Het was een harde les. Veel was er te leren. En – gij hebt misschien niets geleerd. Is het zo wellicht ook gegaan in uw leven, na een ongeluk, na een ziekbed, na een moeilijke tijd van tegenspoed en van teleurstelling? Och, dat gij de breuken bij u eens recht te zien mocht krijgen, en in oprechte droefheid belijden.

Mijn lezer, leer toch de knieën te buigen, en als een arme smekeling te roepen: ‘Heere, bearbeid mij door Uw Woord en door Uw Geest alzo, dat ik acht geven op Uw lessen in mijn leven, en dat ik er iets uit moge leren’.

Tot degenen, die zich hersteld hadden in de hof van Gethsémané, en die Jezus de Nazarener blijven zoeken in vijandschap, zegt Hij nu: ‘Ik heb u gezegd dat Ik het ben. Indien gij dan Mij zoekt, zo laat dezen heengaan. Opdat het woord vervuld zou worden, dat Hij gezegd had: Uit degenen, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik niemand verloren’. Dat is tedere zorg voor de Zijnen: Hij weet, hoe zwak van moed, hoe klein zij zijn van krachten, en dat zij stof van jongsaf zijn geweest. Hij laat ze niet verzocht worden boven vermogen. Hij bewaart ze naar het lichaam en naar de ziel, beide in het leven en in het sterven. Hij geeft Zichzelf over, maar voor Zijn jongeren beding de Zaligmaker een vrijgeleide: “Indien gij dan Mij zoekt, zo laat dezen heengaan”. Hij stelt Zich in de plaats der Zijnen. Hier worden wij zo bemoedigend en vertroostend bepaald bij het wonder van de plaatsbekleding in Zijn Borgtochtelijk lijden en sterven. Welk een liefde is hier op te merken! Hij, de Zone Gods, in de plaats van die Hem verlaten, aan Hem geërgerd worden, Hem verloochenen.

Hij, in hún banden.

Hij, onder hun schuld.

Wel mag de Kerk van alle tijden en van alle plaatsen in eerbiedige, ootmoedige verwondering belijden: ‘Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden. Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijn weg; doch de Heere heeft ons aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen’.

‘Indien gij dan Mij zoekt, zo laat dezen heengaan’, zo spreekt de Verlosser tot de duivel en zijn trawanten. Hij bindt de strijd aan met de macht der duisternis voor al de gegevenen des Vaders, die Hem in de raad des vredes gegeven zijn. Hij is op aarde gekomen, om de werken des duivels te verbreken. En het is zo volkomen vervuld, dat woord van waarheid en van trouw, dat uit Zijn mond is uitgegaan: ‘Uit degenen, die Gij Mij gegeven hebt in Uw eeuwige zondaarsliefde, heb Ik niemand verloren’. Geen klauw zal achterblijven in de macht van de helse wolf. Al de gegevenen des Vaders worden verlost, al gaat het ook door zware strijd en bitter lijden heen, al worden ook de Zoon des mensen de verzenen vermorzeld. Tenslotte wordt de duivel toch de kop vermorzeld. En het geldt van de ganse Kerk van Christus, de groten en de kleinen: ‘In Christus zijn wij meer dan overwinnaars’.

En dus kunt gij, o bezwaarde, aangevochten strijder, die uzelf niet kunt bevrijden, dus kunt gij uw zaken veilig overgeven in de handen van Hem, Die heeft gezegd, en ook nu nog zegt: ‘Indien gij dan Mij zoekt, zo laat dezen heengaan’.

De Heere zal voor u strijden, en gij zult stille zijn. Daarop rustende, en daarop pleitende moogt gij bidden: Twist Heere, met mijn twisters, strijd met mijn bestrijders’.

‘Indien gij dan Mij zoekt, zo laat dezen heengaan’, zo mag de Verlosser spreken ook tot de dood. Hij laat Zich van de dood vinden. Wij lezen immers, nadat Hij met grote stem had uitgeroepen: Het is volbracht: ‘En het hoofd buigende, gaf de geest’.

Hij geeft Zichzelf vrijwillig over in de dood.

Hij geeft, het hoofd buigende, de dood verlof, om op Hem toe te treden.

Hij gaat als Plaatsbekleder voor zondaren de dood in, om al de Zijnen van de dood te verlossen. Hij heeft macht, om Zijn leven af te leggen, sprekend met macht ook over de dood: o dood! Indien gij dan Mij zoekt, zo laat dezen heengaan’.

En als vrucht daarvan zullen nu allen, die in Hem leren geloven, die voor Zijn rekening liggen, gekocht met Zijn dierbaar bloed, vrij uitgaan, verlost van de geestelijke dood, waarin wij van nature neerliggen, bewaard voor de eeuwige dood, die wij zonder in de Heere Jezus te geloven, tegemoet reizen, om eens op de jongste dag op te staan uit de lichamelijke dood in de zalige wederopstanding des vleses. Als Gods volk daarin ingeleid mag worden, dan valt ook de vrees voor de dood weg, dan is het in de blijmoedigheid des geloofs: Dood! Waar is uw prikkel! Hel, waar is uw overwinning? De prikkel nu des doods is de zonde; en de kracht der zonde is de wet. Maar Gode zij dank, Die ons de overwinning geeft door onze Heere Jezus Christus’.

Welk een heerlijk, troostrijk woord is toch het woord onzer overdenking: ‘Indien gij dan Mij zoekt, zo laat dezen heengaan!’, zo spreekt de Middelaar Gods en der mensen ook tot Zijn  Vader. Als Borg, als Plaatsbekleder wordt Hij gezocht in de diepste zin ook door de Goddelijke gerechtigheid.

‘Doch de Heere heeft ons aller ongerechtigheid, zo mag de Kerk spreken, op Hem doen aanlopen’. Hij stelt Zich onder het gericht van God om vrijspraak, om vrijgeleide voor de Zijnen te verwerven.

O, welk een vrijgeleide!

De Heere God zoekt de zondaar. Naar Zijn heilig recht staan wij schuldig. Zijn Wet heeft een eis op ons. Zijn wraakzwaard bedreigt ons. Er is geen ontkomen.

Maar, als gij dat krijgt te zien met schaamte, smart en beving, dan openbaart Zich aan uw benauwde ziel die Ene, Die is tussengetreden, Die Zichzelf heeft laten zoeken en vinden door het recht Gods. Hij is het, Die gezegd heeft, en zegt: “Indien Gij dan Mij zoekt, zo laat dezen heengaan”. Door het geloof in Hem is er voor een dood-en doemschuldig zondaar vrijspraak van schuld en straf, en een recht op het eeuwige leven. In Hem is de goddeloze rechtvaardig voor God, zonder vlek en zonder rimpel, als had hij zelf al de gehoorzaamheid volbracht, die Christus voor hem volbracht heeft.

Als gij, mijn lezer, in Hem leert geloven, dan ontvangt gij in Hem een volkomen, een overal geldend, een eeuwig vrijgeleide.

Zo gaan de poorten van de gevangenis voor u open. Hij gebonden, opdat Hij u zou ontbinden.

De poort van de dood gaat ook open, want wij mogen met Owen spreken over de dood van de dood in de dood van Christus.

De poort van de hemel ontsluit zich, want de Doorbreker is voor de Zijnen nedergedaald ter helle, maar ook weer uit die diepte opgekomen, en opgevaren ten hemel, waarin Hij als de Voorloper van al de Zijnen is ingegaan.

‘Indien gij dan Mij zoekt, zo laat dezen heengaan’. Dat spreekt van de vrijheid, waarmee Christus Zijn onderdanen heeft vrijgemaakt.

‘Vrij, voor eeuwig vrij!’, zo hoorde ik eens een tot ruimte gekomen ziel uitroepen vlak voor de poort van de dood. Heerlijk, rijke genade is het in dat vrijgeleide te mogen delen. Wat zal het voor u zijn: gebonden, voor eeuwig gebonden! Of: ‘Vrij, voor eeuwig vrij!’?

Eén van beide zeker. Een derde mogelijkheid is er niet.

Dus: haast u, spoed u om uws levens wil.