Kerknieuws
Gereformeerde Gezindte
Openingspagina
Boekbespreking
Foto's
Persoonlijk
Kerkbodes
Spreuk van de week
Overig
Ware gebeurtenissen
Kerkelijk leven
Jongerenrubriek
Muzikale pagina + agenda
Columns
Links
Uw aandacht voor:
Veluwse Kerkbode
De Vijgeboom
Kerknieuws Gereformeerde Gemeenten
Kerknieuws Gereformeerde Gemeenten

 

1.      Synode van GKV vergadert in Elspeet (ds. M. van Kooten, Elspeet): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 23 juni 2017 onder de berichten van de Hervormde Gemeente (PKN) van Elspeet. 3

Deze keer wat meer actueel kerkelijk nieuws wat deze weken onder de aandacht kwam in landelijke dag- en weekbladen. Te beginnen met de synode van de GKV waar een droevig besluit genomen werd. Ds. M. van Kooten schrijft erover

2.      Loopjongens van God (ds. M.A. Kempeneers, Katwijk aan Zee): gelezen in ‘Bewaar het Pand’; orgaan binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken, van 4 oktober 2016. 4

We vervolgen de serie voor onze jeugd over het leven van Jozef zoals ds. M.A. Kempeneers dit beschrijft in 'Bewaar het Pand'

3.      Het aangezicht der schapen (ds. P. Roos, Damwoude): gelezen in ‘Bewaar het Pand’; orgaan binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken, van 7 februari 2017. 6'

Ds. P. Roos schrijft een artikel vanaf de kansel. Meestal gaat het over de vraag hoe een kerkganger een voorganger op de kansel ziet, maar nu eens de andere kant belicht: hoe ziet een voorganger 'zijn' gemeente?

4.      Gevulde stilte (dr. J. van Eck, Ede): gelezen in ‘de Waarheidsvriend’; orgaan van de Gereformeerde Bond binnen de PKN, van 13 november 2015. 7

We vervolgen de serie over hervormd-gereformeerde voorgangers en dr. J. van Eck schrijft over dr. A. van Brummelen. Dit ontbrekende artikel is mij toegestuurd door een lezeres, waarvoor hartelijk dank

5.      Psalm 147  (ds. G.J. Jansen): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 2 juni 2017 onder de berichten van de Hervormde gemeente (PKN) van Voorthuizen. 10

We vervolgen de serie over de Psalmen zoals ds. G.J. Jansen die bijna 40 jaar geleden in de Veluwse Kerkbode verzorgde

6.      Een christen leeft van het licht (ds. J. Koppelaar, Katwijk aan Zee): gelezen in de Kerkbode van de Hersteld Hervormde gemeente van Katwijk aan Zee van 19 mei 2017. 10

Ds. J. Koppelaar mediteert wat over het leven van een christen die niet alleen lichtdrager is (als het goed ligt!), maar ook leeft van het licht (Licht!)

7.      Die niet laat varen de werken Zijner handen (ds. W. Pieters, Garderen): ontvangen van genoemd predikant ter overdenking. 12

Ds. W. Pieters schrijft over de bekende woorden uit het votum zoals we dit elke zondag (2x?) horen: Die niet of nooit laat varen de werken Zijner handen

8.      Catechisantenvragen (11; ds. W. Pieters, Garderen): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 9 juni 2017 onder de berichten van de Hersteld Hervormde gemeente van Garderen....... 14

Ds. W. Pieters gaat verder met het beantwoorden van de vragen die catechisanten hem stelden op de laatste avond van het afgelopen seizoen en dit gaat over een teer onderwerp waar ook sommigen van onze lezers mee te maken hebben: wanneer mag men scheiden en hoe moeten kinderen dan het vijfde gebod zien?

9.      Uit de herdershut: wee en wel (ds. M. van Reenen, Oldebroek): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 23 juni 2017 onder de berichten van de Hersteld Hervormde gemeente van Oosterwolde. 15

Ook ds. M. van Reenen schrijft over wee en wel, ja in die volgorde. En dan heeft hij het over de wonderlijke gang in Gods schepping, maar ook over de droevige zaken in ons kerkelijke leven

10.    De koninklijke bruiloft (ds. R.P. van Rooijen, Oosterwolde): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 16 juni 2017 onder de berichten van de Hersteld Hervormde gemeente van Oosterwolde. 16

Ds. R.P. van Rooijen geeft ter overdenking iets door uit een preek van wijlen ds. J. van der Haar

11.    Pastoraat in de praktijk (7;ds. H. Hofman, Kalamazoo): gelezen in ‘de Saambinder’; orgaan van de Gereformeerde Gemeenten, van 10 november 2016. 20

Ds. H. Hofman vervolgt de serie over Pastoraat in de praktijk en staat nu in enkele artikelen stil bij pastoraat verzorgen aan iemand die weinig pastoraat ontvangt meestal: de pastor

12.    Geschiedenis van een scheuring (3; ds. P. Mulder, Geldermalsen): gelezen in ‘de Saambinder’; orgaan van de Gereformeerde Gemeenten, van 24 november 2016. 21

Ds. P. Mulder vervolgt de bespreking van het laatste boek van dr. M. Golverdingen die de droevige scheuring beschrijft tussen GG en GGiN. Wie zou niet wenen?

13.    Evangelisatie-ervaringen (evangelisatiecommissie Putten): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 9 juni 2017 onder de berichten van de Hersteld Hervormde gemeente van Putten. 22

Vanuit Putten weer een verslag van een dag evangeliseren in Arnhem

14.    Oud en toch nieuw (kerkenraad Wapenveld/Wezep): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 16 juni 2017 onder de berichten van de Hersteld Hervormde gemeente van Wapenveld/Wezep. 23

Onder de gemeenteberichten van Wapenveld/Wezep trof ik enkele citaten aan die ik graag met u/jou wil delen

15.    Hervormd gebleven voorbij 2004 (6, slot; ds. C.J.P. van der Bas, Malawi): gelezen in Kerkblad Hersteld Hervormde Kerk van 8 juni 2017. 24

Ds. C.J.P. van der Bas besluit de serie over: Hervormd gebleven voorbij 2004

1.       Synode van GKV vergadert in Elspeet (ds. M. van Kooten, Elspeet): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 23 juni 2017 onder de berichten van de Hervormde Gemeente (PKN) van Elspeet

Hoewel de kerken van Elspeet zich vooral oriënteren op de synode-uitspraken van Dordrecht in 1619; de catechismus van Heidelberg en de Nederlandse Geloofsbelijdenis die ook door Guido de Bres over de muur van het kasteel van het Belgische Doornik zijn geworpen, zijn er heel wat synodevergaderingen daarna gehouden her en der in het land.

Vaak gebeurde dat in gerenommeerde steden zoals Amsterdam, Den Haag, Utrecht en Middelburg. Plaatsen die goed te bereiken waren. Nog weer later werden er conferentieoorden daarvoor gebruikt zoals Doorn, Lunteren en zelfs in ons dorp Elspeet. Dit laatste geschiedt regelmatig door de Hersteld Hervormde Kerk en recent ook door de Gereformeerden Vrijgemaakt in het conferentiecentrum Mennorode. Op deze synode te Elspeet is door de Vrijgemaakten geschiedenis geschreven want aldaar is vorige week besloten de ambten open te stellen voor de vrouw. Dat betekent concreet dat ook de kansel voor de vrouw openstaat.

De socioloog Dekker moet eens gezegd hebben dat de Gereformeerde kerken vrijgemaakt de Gereformeerden – die inmiddels opgegaan zijn in de PKN maar toch ook her en der nog zelfstandig opereren onder die paraplu – volgen, alleen dertig jaar later. In het tijdpad heeft Dekker zich vergist, maar verder heeft hij gelijk gehad. Wat de tegenstanders van dit synodebesluit gaan doen is nog niet duidelijk. In deze kringen weet men dienaangaande niet van ophouden als het over scheuren en scheiden gaat. Inmiddels is het wel bedroevend dat bij de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt, waar men zich zo pal stelde achter Schrift en belijdenis en eens iemand zich liet ontvallen dat wanneer Adam leefde hij zeker Gereformeerd Vrijgemaakt zou zijn, door de knieën is gegaan voor een Schriftinterpretatie die cultureel bepaald is. Eerlijk is eerlijk, wanneer het gaat over bevinding en doorleving en levensstijl heb ik me nooit zo aangesproken geweten door de vrijgemaakten. Desondanks zijn er uit hun midden gedegen Bijbelse en kerkhistorische studies voortgekomen die het lezen meer dan waard zijn. Ondertussen constateer ik met leedwezen – ik meen het – met een variant op Salomo: ‘Wat voordeel heeft de mens van al het kerkscheuren dat hij scheurt onder de zon’. Overigens is reeds besloten met bekrachtiging daarvan door het zingen van ‘Samen in de Naam van Jezus’ de breuk met de Nederlands Gereformeerden die precies een eeuw geleden plaatsvond te helen omdat men daar al enige tijd de vrouw heeft toegelaten tot het ambt. Me dunkt dat de vrijage met de Christelijke Gereformeerden beëindigd zal worden omdat daar de vrouw in het ambt tot op heden geen groen licht heeft gekregen. Tenzij men ook aldaar een breuk durft te riskeren. Binnen onze kerken waar reeds sedert 1816 een grote tolerantie heerst rondom de Schriftbeschouwing is al sedert 1957 – een jaar voor mijn geboorte – de vrouw in het ambt de gewoonste zaak van de wereld. Zelfs de preses van de synode is een vrouw. Geen gemeente wordt echter verplicht een vrouwelijke diaken of ouderling te bevestigen of een predikante te laten voorgaan.

Men zegt dat ds. W.L. Tukker zijn kussen nat gehuild heeft toen het er destijds door kwam. Ook blijken er predikanten geweest te zijn die om die reden geen classicale of ringvergadering meer bijwoonden. Inmiddels is het de gewoonste zaak van de kerkelijke wereld geworden. Bij mijn colloquium – het toelatingsgesprek om te komen tot beroepbaarstelling – was ook een predikante aanwezig die mede groen licht gaf dat ik beroepbaar gesteld kon worden. Ik heb me nooit door de aanwezigheid van vrouwelijke ambtsdragers weerhouden om op een classisvergadering te komen. Op het seminarie heb ik destijds met ze op moeten trekken in discussiegroepen, bij preekbesprekingen tot zelfs corvee toe. Echter in dat laatste geval is het voorgekomen dat ik er alleen voorstond en de dames – die letterlijk en figuurlijk de broek aan hadden – gevlogen waren. Een vaat met meer dan honderd borden en evenzoveel soepkommen, kopjes en schotels en bestek alleen afdrogen….

Het kookte van binnen in me en de ene zwijgtekst over de vrouw na de andere bruiste op in mijn binnenste zoals deze uit 1 Korinthe 15 : 34-35: ‘Dat de vrouwen in de gemeente zwijgen; want het is haar niet toegelaten te spreken maar bevolen onderworpen te zijn, gelijk ook de Wet zegt. En zo zij iets willen leren, laat haar te huis haar eigen mannen vragen, want het staat lelijk voor de vrouwen dat zij in de gemeente spreken’. Maar ook een tekst als: ‘Vrouwkens die altijd leren en nimmermeer tot kennis der waarheid kunnen komen’ (2 Tim. 3 : 7). Volgens Bart Jan Spruyt moet ene Samuel Johnson eens beweerd hebben dat een prekende vrouw gelijk is aan een hond die op zijn achterpoten loopt. Ds. J.T. Doornenbal moet eens gezegd hebben: ‘Een vrouwelijke ambtsdraagster heeft twee fouten. Zij vermeerdert het aantal preken, en vermindert het aantal vrouwen’. Hij schreef toen de vrouw in het ambt toegelaten werd: ‘Ik ben er van overtuigd dat het besluit tot toelating van de vrouw tot het ambt één van de noodlottigste is geweest die het synodale bedrijf ooit heeft kunnen nemen. In enkele tientallen jaren is het er door gejaagd. Een zaak, die de Kerk van alle eeuwen nooit aanvaard heeft. Een beetje man wordt ‘hels’ als hij door een vrouw tot de orde en tot bekering wordt geroepen’.

William Huntington zei eens dat je beter een bekeerde vrouw kunt laten preken dan een onbekeerde dominee. De godzalige Huntington had wel meer van die eigenzinnige uitspraken. Ik dacht niet dat een vrouw die van God geleerd en bekeerd is staat naar het predikambt. Ondertussen kunnen ze wel van grote betekenis zijn voor de gemeente. We denken dan aan de moeders in Israël als Deborah, Anna, Dorcas, Priscilla, Maria Magdalena en noem ze maar op. Ook in de kerkgeschiedenis zijn er heel wat vrouwen geweest die op de achtergrond van grote betekenis zijn geweest voor de dienst des Heeren, waarvan hun versiersel was een zachtmoedige en stille geest, die kostelijk is voor God (1 Petr. 3 : 4).

In de dagen der Reformatie was er in Straatsburg ene Katharina Zell die graag wilde preken. Calvijn wees haar op grond van de Schrift er op dat dit voor de vrouw niet toegestaan was. Ze schreef hem terug: ‘U wijst mij er op dat de apostel Paulus heeft gezegd dat vrouwen in de kerk moeten zwijgen. Ik zou u wel willen wijzen op het woord van dezelfde apostel, dat er in Christus niet langer mannelijk of vrouwelijk bestaat, en op de profeet Joël: ‘Ik zal Mijn Geest uitstorten over alle vlees en uw zonen en uw dochters zullen profeteren’.

Ik pretendeer niet Johannes de Doper te zijn die de farizeeërs de les leest,

Ik beweer niet Nathan te zijn die David de waarheid zegt.

Ik wil alleen de ezel van Bileam zijn die zijn meester verwijten maakt’.

 

2.       Loopjongens van God (ds. M.A. Kempeneers, Katwijk aan Zee): gelezen in ‘Bewaar het Pand’; orgaan binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken, van 4 oktober 2016

Toen zond Farao en riep Jozef en zij deden hem haastelijk uit den kuil komen; en men schoor hem, en men veranderde zijn klederen; en hij kwam tot Farao. Genesis 41 : 14

Ramses II, Nebukadnezar, Julius Caesar, Karel de Grote, Napoleon Bonaparte, George Washington, Vladimir Poetin. De machtigste mensen op deze wereld.

Maar Luther zegt: ‘De groten der aarde en de machtigen van deze wereld zijn slechts loopjongens van God’. Het zijn bedienden van God; boodschappenjongens en koeriers van Hem, Die hemel en aarde regeert. Hij schakelt ze in om Zijn Koninkrijk te doen komen. De ene keer houdt Hij een koning uit zijn slaap (Ahasveros) en een andere keer brengt Hij een koning in slaap (Farao). Maar allebei worden ze gebruikt om Gods plan uit te voeren.

Genesis 41 begint met te zeggen: En het geschiedde ten einde van twee volle jaren…

Dat laat iets zien van het lange van die jaren. Jozef heeft de dagen geteld en met smart uitgezien naar het einde van zijn gevangenschap. Maar terwijl Jozef zo aan het worstelen is, gaat God werken. Niet in de gevangenis, maar in het paleis. Hij laat Farao slapen en dromen over de rivier de Nijl. Dat was niet zomaar een rivier. De Nijl was de belangrijkste rivier voor de Egyptenaren. Eén keer per jaar, in augustus, steeg het waterpeil zo’n 8 meter en trad de Nijl buiten de oevers. Na enkele weken zakte het water weer en liet dan heel vruchtbaar slib achter op de oevers. De Egyptenaren waren afhankelijk van de Nijl en ze aanbaden Hapy, de god van die rivier. Hapy was de god van de vruchtbaarheid geworden. En Farao was ervan overtuigd dat de Nijlgod hem in die dromen een boodschap had gegeven. Hij zag zeven vette koeien uit de Nijl opkomen. Maar daarna kwamen er zeven magere koeien. En, wat alleen maar in een droom kan gebeuren: die zeven magere aten die zeven vette koeien op. Maar dat was aan die magere niet te zien. Ze bleven even mager en afzichtelijk als daarvoor.

En dan is de droom weg. Farao schrikt wakker, diep onder de indruk. Maar even later valt hij toch weer in slaap en opnieuw droomt hij. Het is een droom met dezelfde strekking, nu met zeven vette en zeven magere tarwe-aren. Badend in het zweet wordt Farao wakker. Hij weet zich geen raad, zo lezen we in vers 8: En het geschiedde in den morgenstond, dat zijn geest verslagen was.

En dan roept hij al de tovenaars en wijzen van Egypte en hij vertelt hen zijn dromen. Die raadplegen vervolgens hun eeuwenoude boeken, waarin allerlei dromen worden uitgelegd. Maar hoe ze ook zoeken, ze komen niet tot een uitleg. Dan komt de schenker naar voren. Hij vertelt hoe hij twee jaar geleden in de gevangenis heeft gezeten en daar ook gedroomd heeft. En dat er toen een medegevangene, een Hebreeuwse jongen, een knecht van Potifar, die dromen verklaard heeft. En dat de uitkomst precies was, zoals hij had gezegd. En als Farao dat hoort, laat hij Jozef uit de gevangenis halen.

Jonge mensen, dat is wel voldoende om even bij stil te staan. We zien hier dat deze machtige mannen gebruikt worden in het Koninkrijk van God. De schenker wijst op Jozef. Hij wijst hem aan en prijst hem aan. En Farao haalt Jozef uit de gevangenis.

En zo worden ze allebei gebruikt om Jozef te verhogen. Ze worden ook gebruikt om het volk Israël te redden van de hongersdood. En vooral worden ze daardoor gebruikt om eeuwen later de Heere Jezus geboren te laten worden uit het Joodse volk.

Zo werkt God nog. Hij gebruikt de machtigen van deze aarde als Zijn loopjongens. Daar weten ze zelf niets van en ze willen dat natuurlijk ook helemaal niet. Maar toch blijkt telkens weer dat ook zij slechts instrumenten in Gods hand zijn. Neem bijvoorbeeld de Russische leider Jozef Stalin. Die bepaalde in 1929 dat iedereen in de grote Sovjet-Unie Russisch moest leren. Alle landen die bij de USSR hoorden, moesten de taal van het communisme spreken. De Sovjet-Unie bestaat inmiddels niet meer. Maar in alle voormalige Sovjet-landen kent men nog steeds Russisch. In Siberië, in Mongolië, in Kazachstan, in Oekraïne enzovoorts. En laat dat nu heel makkelijk zijn in de verspreiding van het Evangelie! De evangelisten hoeven niet de talen van al die landen te kennen, maar zij kunnen overal in één taal de Bijbelse boodschap verkondigen! Stalin was tegen wil en dank een loopjongen van God, net zoals de Farao. Wat een wonder! Het is nog steeds waar: Mijn Raad zal bestaan en Ik zal al Mijn welbehagen doen (Jesaja 46 : 10).

3.       Het aangezicht der schapen (ds. P. Roos, Damwoude): gelezen in ‘Bewaar het Pand’; orgaan binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken, van 7 februari 2017

In een kerkdienst zijn alle ogen gericht op de voorganger. Allerlei aspecten van zijn preek komen ter sprake, als de kerk uit gaat. U begrijpt dat het voor de dominee niet altijd makkelijk is als hij zo in de schijnwerpers staat.

Maar hoe is dat eigenlijk omgekeerd? Hoe ziet de predikant de gemeente voor zich? Wat ziet hij zo al? Ook daarover is heel veel te vertellen. Wordt de prediker geïnspireerd door de luisterhouding van de kerkgangers? Het is misschien wel nuttig om daar ook iets over op te merken. Er zou veel meer nodig zijn dan de nu beschikbare ruimte in ons blad.

Ik verwonder me er vaak over dat mensen zo kunnen luisteren. Ds. Brons liet onlangs weten dat hij weer had geleerd te luisteren. Wij, predikanten, zijn dat niet gewend. Hopelijk gebeurt het wel tijdens de bezoeken aan huis. Er zijn allerlei redenen waarom dominees slechte luisteraars kunnen zijn. Goede en minder goede.

Wat ik allereerst dus zie is de luisterende gemeente. In vroeger dagen ging het er soms ordeloos en oneerbiedig toe. De hoorders stonden, liepen in en uit en de dominee preekte door, ook als er honden tussen de mensen doorliepen. Dat is nu heel anders. U bent als kerkganger gewend in alle stilte en rust te luisteren naar de preek. Ik noem allereerst dus de aandacht waarmee bijna iedereen de woorden volgt. Dat is ook waar te nemen vanaf de preekstoel. Het is een grote stimulans voor de spreker om het Woord te bedienen. Hij heeft de leiding van de Heilige Geest nodig, maar hij is ook afhankelijk van de kerkgangers. Is er contact, is er begrip voor hetgeen gezegd wordt? Er kan oogcontact zijn met degenen die voorin de kerk zitten.

Menig prediker zal dat contact ook zoeken. Hij zal de gezichten bezien of het Woord verstaan en begrepen wordt. Dit is voor mij een punt van veel waardering. Het kan nog in deze tijd.

Er zijn immers geluiden die zeggen dat de moderne mens maar heel kort geconcentreerd kan luisteren. Er zijn verder veel klachten over de verstaanbaarheid en de begrijpelijkheid van de preek. Er worden veel pogingen ondernomen om het Woord te versimpelen. Je bent dan dankbaar dat er nog elke zondag een gemeente is die aandacht heeft voor het Woord. Verder merk je ook dat het niet alleen maar een houding is. Soms geven hoorders ook blijk van meedenken en mee’preken’. Er zijn meerdere Bijbels met verklarende aantekeningen in omloop die ook worden meegenomen naar de kerk. Dat vergemakkelijkt het meedenken. Over schrijvende gemeenteleden hoor ik verschillend spreken, maar ik zie er toch eveneens een teken in dat iemand poogt de lijn vast te houden en de preek mee naar huis te nemen. Naast deze betrokkenheid die een gemeente uitstraalt, zijn er natuurlijk ook minder inspirerende signalen. Iemand kan er zijn maar zijn blik verraadt een bepaalde afwezigheid. Dat kan kenbaar worden op verschillende manieren. Maar je ziet het soms duidelijk dat iemand elders vertoeft met zijn gedachten. Het kan nog erger: iemand kan soms ongeïnteresseerd zijn plaats bezetten, al komt dat niet vaak voor. Maar je kunt er last van hebben als iemand bij momenten wegdut en er dus niet bij is. Een gemeente beseft nauwelijks hoeveel hinder de predikant ondervindt van allerlei signalen die afleiden of die een zekere desinteresse verraden. Het kan af te lezen zijn van iemands gelaat als hij met vraagtekens een zekere ongenaakbaarheid vertoont.

Dat kan dan allemaal zo zijn, maar dat doet niets af van het feit dat een gemeente op veel plaatsen ons lankmoediglijk hoort.

Een heel andere vraag is wat er nu werkelijk overkomt van de preek. Is er werkelijk heilbegeerte en is er ook honger in de bank naar het Woord? Komen de kerkgangers met zielsvragen, waarop zij een antwoord verwachten? Zijn er die leven bij de gedachte van de psalmist die zei: ‘Zeg Gij tot mijn ziel: ‘Ik ben uw Heil?’

Dat is minder makkelijk waar te nemen. Je ziet soms een kerkganger met genoegen luisteren, maar dat zijn er niet zichtbaar veel. De emotie lijkt zich te verschuilen achter een masker. Ik las laatst de typering van een maskerade. Er is heel veel schijn in de kerk. We houden allemaal voor onszelf onze stand op, maar we zouden ons niet graag blootgeven in ons gemis of onze onverschilligheid of onze verlegenheid. Dat zou wel erg zijn. Maar er ligt een kern van waarheid in. We zitten er dan allemaal wel correct en keurig bij, maar de werkelijke nood of het ontbreken van die nood wordt verhuld. Deze vragen moeten ons wel bezig houden. Ook ons als predikanten.

Ze houden je ook bezig aan het einde van de preekzondag als je weer naar huis rijdt. Wie heeft onze prediking geloofd? We kunnen er toch niet genoeg aan hebben als alles weer goed gegaan is en de diensten weer voorbij zijn? Ik heb er geen idee van hoe deze percentages liggen, mede ook omdat een emeritus geen eigen gemeente heeft en dus ook minder feedback krijgt.

En dan is er tenslotte nog het onbestemde gevoel dat je op de kansel kunt hebben. Dat kan positief of negatief uitpakken. Er kunnen onzichtbare geestelijke lijnen lopen vanuit de bank naar de kansel en omgekeerd. Je kunt echt aanvoelen en waarnemen als er echt geestelijk contact is. Dat is de mooiste stimulans die je kunt waarnemen. Het kan ook zijn dat er een sfeer hangt van de sleur en van ruis op de lijn. Dat is soms tijdens diensten op de Kerstdagen het sterkst: je voelt dan dat de mensen allemaal wat meer leven bij de sfeer van de dag.

Tenslotte: ook de engelen zijn in de kerk aanwezig. Hoe zullen zij de preek en de ontvangst beoordelen? Kan er blijdschap in de hemel zijn? Moge de Heere Zelf het antwoord geven op deze vragen tot bemoediging van spreker en hoorders.

4.       Gevulde stilte (dr. J. van Eck, Ede): gelezen in ‘de Waarheidsvriend’; orgaan van de Gereformeerde Bond binnen de PKN, van 13 november 2015

Hervormd-gereformeerde theologen (3, dr. A. van Brummelen)

Anthonius van Brummelen (1928) overleed plotseling op 1 december 1999. Hij was predikant van de hervormde gemeenten te Schoonrewoerd (1957), Giessendam-Neder-Hardinxveld (1962), Hierden (1966) en Huizen (1974). In 1993 ging hij met emeritaat. In 1980 promoveerde hij bij prof.dr. H. Jonker op ‘Het praktisch-theologisch onderwijs van J.J. van Oosterzee’. Bijna dertig jaar maakte hij deel uit van het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond, waarvan drie jaar als voorzitter.

Het is alweer sinds 1999 dat dr. A. van Brummelen niet meer in ons midden is. De erfenis die deze markante hervormd-gereformeerde predikant naliet, verdient het te worden doorgegeven. Misschien is er nu meer dan ooit behoefte aan.

Toen ik enige tijd geleden voor mijn boekenkast stond, viel mijn oog op een deeltje uit de Reformatiereeks met de titel Een goed fundament. Ik pakte het van de plank en wist het weer: het is een verzameling artikelen uit De Waarheidsvriend van dr. A. van Brummelen, die in het najaar van 1979 mijn mentor was en die ik altijd als mijn leermeester ben blijven beschouwen. Voor ik het wist, was ik begonnen het eerste artikel te lezen: ‘Wij zaten in een stille voorkamer, waar het rumoer van de straat nauwelijks doordrong’- zo begon het. Het vertelde het verhaal van een christen die ooit precies dacht te weten hoe het moest, totdat het tot hem doordrong hoe weinig liefde hij eigenlijk had en dat hij enkel van Gods liefde in Christus leefde.

Intieme kanten

Een verslag van een gesprek zoals hij dat met velen – mannen en vrouwen, ouderen en jongeren – voerde en dat over de intieme kanten van het geloofsleven ging. Op één of andere manier lokte hij dit soort gesprekken uit. Niet door nu eens een stevig gesprek over geloofszaken te beginnen. Nee, eerder andersom. Het bijzondere lag in de stilte die hij in een gesprek wist te scheppen, precies die stilte waarin het over de intiemste dingen kon gaan. Dingen die je niet zomaar met een ander deelde, of waarvan je misschien niet eens wist dat je ze in je had.

Toen de christen uit het artikel zijn eerste bekentenis gedaan had ‘bleef het lange tijd stil’, lezen we, waarna de man gaat vertellen over de tijd dat hij pas tot geloof gekomen is, de ‘tijd van de eerste liefde. Alles geurde en bloesemde. Zelfs de wereld om mij heen zag er voor mijn besef anders uit. Er zijn tijden geweest dat ik aan de kant van het korenveld neerknielde om de Heere te danken voor Zijn genade. Wat een verschil met hoe het nu is’.

Na deze bekentenis is er opnieuw stilte.

‘Alleen de tik van de Friese klok klonk plechtig door de ruimte heen’. Dan volgt er een laatste klacht hoe weinig wij in staat zijn ons hart tot Jezus te verheffen ‘om Zijn schoonheid en liefelijkheid te zien en ons te verblijden in Zijn werken’.

Gebedscentrale

Een voorbije wereld? Ja, de voorkamers met de zware tikkende klokken, de kleine boerderij aan de zandweg, waar sommige van de weergegeven gesprekken zich afspelen, roepen voorbije tijden op. Maar ze roepen ook een tijd op waarin er nog veel stilte was, een stilte die in onze tijd met zijn vele geluid bewust gezocht moet worden.

Hoewel, in een ander boek, De bevinding in de prediking, horen we van een zakenman die een groot bedrijf met veel personeel leidde. ‘Midden in dat bedrijf was zijn kamer. Daar kwam hij iedere dag een uur eerder dan het personeel om in de vroege stilte van het bedrijf de Bijbel te lezen en te bidden. Daar bracht hij zijn personeel voor Gods aangezicht, daar besprak hij met God de zorgen en de moeite van allen die hem toevertrouwd waren’. De gebedscentrale van het bedrijf. Niets ouderwets aan, zou ik zeggen. Heel actueel zelfs in een tijd dat opgejaagde managers meditatiecursussen volgen om een beetje tot rust te kunnen komen: dagelijks je werk vanuit de stilte beginnen, een stilte die zich vult met de liefde van Christus.

Stem van God

Zelf ken ik iemand die leiding geeft aan een grote vrijwilligersorganisatie, met alle verantwoordelijkheden van dien. Toen ik hem vertelde dat ik de boeken van mijn mentor aan het herlezen was, zei hij verrast: ‘Is dat jouw mentor geweest? Weet je dat ik zijn boekje Meditatief leven altijd bij mij heb? Wat hij daarin over roeping schrijft gaat helemaal over mij’. Hij las het me voor: ‘Deze roeping komt veelal tot ons in de vorm van een diepe behoefte dit of dat te mogen doen. Een gedurige heilige prikkel zich aan het één of ander te mogen geven. Deze behoefte wordt de prikkel met de grootste werkkracht. Wie in gelovig luisteren naar de God van zijn leven zichzelf onderzoekt en zijn innerlijke roeping aanvaardt, ontvangt een wezenlijke vrijheid om met vreugde te mogen werken op de plaats hem aangewezen’.

Wat zou je ze het toewensen: politici, bedrijfsleiders, mensen ook die geroepen zijn kerkelijke leiding te geven, maar ook de jongeren die opgroeien in een wereld waarin ze zich voortdurend moeten bewijzen en ondertussen via oordopjes blootgesteld worden aan een voortdurend geluidsbombardement. Wat zou je ze het gunnen: die stilte waarin de Schrift tot spreken komt en waarin het diepste kan worden blootgelegd in het licht van de liefde van Christus.

Jongeren

Ook met jongeren had dr. Van Brummelen veel contact. Ze leken het contact met hem te zoeken. Niet omdat hij zich zo modern en jong mogelijk probeerde te gedragen. Integendeel, hij vond dat hij ook in zijn kleding als dominee herkenbaar moest zijn. Het was iets anders dat hen aantrok en dat het vertrouwen schiep waarin zijn hun ziel voor hem blootlegden. Ook zij zagen het geheim dat de kern van zijn leven vormde : stilte die vol is van de liefde van Christus.

Geestelijke nalatenschap

Met dankbaarheid denk ik terug aan zijn mentorschap, aan het plezier dat ik met het echtpaar van Brummelen in de pastorie van Huizen meemaakte, aan de lof die we aan ‘mensen kijken’ konden beleven, waarin ook altijd iets van verwondering over de Schepper zat, hoe Hij dat allemaal heeft kunnen verzinnen. Ook de verbijstering over hoe het kan misgaan in de wereld en in een menselijk leven en daar dan niet verontwaardigd over doen met het in stilte neerleggen voor God.

Die stilte is het grote geschenk dat ik uit mijn leerperiode in Huizen heb meegenomen, het leger in, waar ik zelf predikant mocht zijn. Ook alweer zo’n hectische en soms zelfs gewelddadige organisatie. Voor een drukke lesdag een ogenblik van stilte met een Bijbelwoord en een gebed, of als het laat geworden was nog even over de stil geworden kazerne dwalen, denkend aan de mensen achter de ramen van de legeringsgebouwen, jonge mensen, vaak met een niet zo’n heel gelukkige achtergrond, denkend ook aan degenen die hen moesten leidinggeven, soms in gevaarlijke situaties en dan op de terugweg in de auto dit alles nog eens overdenken en brengen voor God in de stilte die gevuld is met de liefde van Christus. Die stilte gaat dan de volgende dag weer mee om zich als vanzelf met gesprekken te vullen, én met die liefde die van elders komt en die soms beide gesprekspartners weet te verrassen.

Nagelaten

Wie de stem van dr. Van Brummelen nog eens wil horen, vindt op downloadpreken.nl een toespraak met de titel ‘Disciplina arcana’ (verborgen discipline), over het ambt als levenswijze. (Aan de toespraak gaat een Schriftlezing gevolgd door een korte meditatie van een andere, niet genoemde spreker, vooraf). Behalve in zijn proefschrift heeft dr. Van Brummelen een aantal boeken nagelaten: De bevinding in de prediking (1982), Meditatief leven (1987), Een goed fundament (1991), Overdenkingen in stilte (2001). Van de meditatieve boeken zijn op de sites antiqbook.nl en boekwinkeltjes.nl enkele exemplaren te vinden. Meditatief leven zou mijns inziens een herdruk verdienen. Artikelen van zijn hand, onder andere voor ‘De Waarheidsvriend’, zijn via digibron.nl nog te lezen. Het stuk waarui aan het begin van dit artikel wordt geciteerd, heet ‘Gebrek aan liefde’.

 

5.       Psalm 147  (ds. G.J. Jansen): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 2 juni 2017 onder de berichten van de Hervormde gemeente (PKN) van Voorthuizen

De laatste liederen uit onze psalmbundel zijn vol lof van God. Ook psalm 147 heeft dat heel bijzonder, dat de dichter alleen maar lof zingt, zonder klacht of gesteun. Vijanden, ziekte en leed worden niet genoemd als een bedreiging, waar men niet onderuit kan komen. Dat kan daarom, omdat men weet, hoe de almachtige God alles in Zijn hand heeft: de Heere bouwt Jeruzalem, Hij heelt gebrokenen van hart, Hij geeft wasdom en vruchtbaarheid, Hij beheerst de hele schepping. En aan Israël geeft Hij Zijn wetten. Er ligt een oneindige alzijdigheid in deze psalm. Het persoonlijk leven komt aan de orde. Maar ook het gemeenschappelijke. De psalm is zeer actueel. De Heere bouwt Jeruzalem. Het is tegenwoordige tijd. Jeruzalem in de branding van de tijd. Jeruzalem dat nederdaalt van God uit de hemel (Openbaring 21). Hij heelt gebrokenen van hart. We hoeven daar niet veel over te zeggen. Wanneer het Avondmaal klaar staat, is dat een preek met een bijzondere inhoud. We denken aan Jezus Christus. Die juist daar wilde zijn waar het een afgesneden zaak was waar niets van verwacht kon worden. De Heere geneest een hart….Dan komt er ruimte….dan wil Hij de weg wijzen in het grote Licht van Zijn geboden. En vanuit de allesomvattende gave: Jezus Christus, wordt het ons aangereikt: Ik ben de weg, de waarheid en het leven.

Psalm 148

Het is een psalm die helemaal is opgebouwd om de lof van God te bezingen. Het gaat hier niet om een bekende psalm. Komt dat door de melodie of de berijming? Terwijl de laatste psalm van onze bundel meer benadrukt waarmee we de Heere moeten loven, zegt psalm 148 wie de Heere moeten loven. Opvallend is dan, dat alles en allen, heel de schepping wordt opgeroepen om de lof van God te bezingen.

In het eerste deel wordt gezegd, dat de hemel en wat boven ons is, de Heere groot moeten maken. We vinden dat in vers 1 en 2 van onze berijming. De engelen worden evenzeer genoemd als de sterren, de zon en de maan. De Heere is de Heere der heirscharen, dat wil zeggen dat Hij heerst over de legerscharen van de engelen. Maar ook de menigte van sterren, die als grote legers gezien worden. In vers 3 (onberijmd vers 7) wordt de blik naar de aarde gericht. In grote veelzijdigheid wordt dan genoemd wie er allemaal moeten deelnemen aan het loven van God. De natuurkrachten, de bergen en de bomen en ook het kleine beestje dat over de aarde kruipt. Ook de mensen worden in alle verscheidenheid van hun bestaan geroepen om mee te doen: koningen en rechters, ouden en jongen, allen te samen. Aan het eind van de psalm wordt ineens de gunstgenoot van God, Israël, genoemd. Is dat omdat de schepping en de volkeren niet meer zingen zoals ze eenmaal in de begintijd gezongen hebben? Als God Zelf in Jezus Christus de kloof overbrugt, gaat de zuivere lof weer klinken!

Geschreven voor de Veluwse Kerkbode van 12 en 26 september 1980

6.       Een christen leeft van het licht (ds. J. Koppelaar, Katwijk aan Zee): gelezen in de Kerkbode van de Hersteld Hervormde gemeente van Katwijk aan Zee van 19 mei 2017

Licht is belangrijk in ons leven. Velen van ons zullen ervaren hebben, hoe na een slapeloze, lange, bange, donkere nacht het morgenlicht ons oplucht. Paulus schrijft in 2 Korinthe 3 en 4 over het licht. Allereerst gaat het over Mozes, die een verbijsterende en verblijdende ontmoeting met God had op de berg Sinaï. Hij overleefde deze ontmoeting, want God Die omringd is door een ontoegankelijk licht was hem genadig en barmhartig. Toen hij van de berg afdaalde en bij het volk aankwam bleek dat zijn gezicht zo fel oplichtte, dat hij het moest bedekken. De mensen konden het stralend oplichten van Mozes’ gezicht niet verdragen. Daarna gaat Paulus het hebben over het aangezicht van Christus, dat destijds voor hem zo fel oplichtte op de weg naar Damascus. Zo erg, dat het hem compleet verblindde. Daarom mogen we de bekering van Paulus nooit als een soort standaard zien voor onze bekering. Wat hem overkwam was uniek. Hij kreeg een zeer bijzonder bekering omdat hij een zeer bijzondere taak kreeg. Maar hoe worden wij dan in 2017 bekeerd? De apostel legt dat helder uit. Hij zegt dat als Christus gepredikt wordt, de mensen bestraald worden met het Evangelie van de heerlijkheid van Christus (vers 4 en 5). Het woord ‘heerlijkheid’ betekent ook lichtglans. Maar zal iemand zeggen: als we in de kerk zitten, zien wij toch geen lichtglans? Hoe kunnen we dit licht dan waarnemen? Het schijnt in ons hart, zegt Paulus (vers 6). Het verlicht ons van nature duistere hart. Maar hoe komt het dan dat niet iedereen bekeerd wordt als Christus gepredikt wordt? Daar geeft hij een eenvoudige maar ernstige reden voor: de god van deze eeuw, de satan, verblindt de gedachten van de mensen (vers 4). U herkent dat wel: mensen die met hun gedachten altijd ergens anders zijn en daarom het Woord niet aannemen. Dat gebeurt met name als ze ‘vast zitten’ aan de afgoden van onze tijd, zoals geld, seks, macht, autonomie (als je ego de enige wet is die je gehoorzaamt). Iemand zei eens dat een afgod iets is, dat tussen de Heere en ons hart wordt ingeschoven, waardoor Christus bedekt blijft. Christus Zelf is niet verborgen, maar wij zélf laten satan toe dat hij Christus voor ons bedekt. Als deze bedekking niet wordt weggenomen gaan we verloren (vers 3). Vreselijke werkelijkheid! De weg der bekering die Paulus preekte was dus niet een ervaringsweg die je moet doorlopen hebben, voordat Christus aan je geopenbaard wordt. De weg der bekering is blijkbaar Christus Zelf. En inderdaad, de Heere Jezus had dat Zelf al uitdrukkelijk gezegd: ‘Ik ben de weg’ (Joh. 14:6). Als Christus wordt gepreekt, wordt Hij aan ons onthuld. Maar als we dat niet kunnen zien, dan zijn wij zelf nog verhuld.  Hoe merkt een mens dan, dat de Heilige Geest zijn hart verlicht? Wel, we krijgen dan kennis van de heerlijkheid van God in het aangezicht van Jezus Christus (vers 6). Nu kunt u zich afvragen, wat hij bedoelt met deze kennis, want wij zien immers niet letterlijk het aangezicht van Christus onder de preek, laat staan dat we de lichtglans van Zijn aangezicht zien. Het antwoord vinden we in 1 Kor. 2:2 waar Paulus vertelt dat hij daarom de gekruisigde Christus preekt. Als hij het over Jezus heeft, dan gebruikt hij de Bijbelteksten die over de Man van smarten spreken om Hem als het ware uit te schilderen (Galaten 3:1). Ziet u wat er gebeurt? Tijdens het preken over de Heere Jezus gebruikt de Heilige Geest het beeld van de Heere Jezus, dat al prekend opgeroepen wordt om ons op Hem te laten zien! Opmerkelijk is, dat dit geen stralend beeld is, in tegendeel. Jesaja 52:14 en 53:2 beschrijft dit beeld op aangrijpende wijze als een verdorven (geschonden) gezicht en een  geschonden gestalte; er was geen heerlijkheid (glorie) aan deze gestalte te zien: ‘Als we hem aanzagen, zo was er geen gestalte, dat we Hem zouden begeerd hebben.’ Waarom dan moet de Heere zo ontluisterd en zo verminkt gepreekt worden? Omdat we alleen zo een helder beeld krijgen van de liefde van God die in Hem onthuld wordt: Hij is helemaal gelijk geworden aan ons mensen. Hij heeft Zijn Goddelijke heerlijkheid afgelegd (Filipp. 2:7-8)! Hij is daarom de vriend en metgezel van lichamelijk en psychisch geschonden mensen, van mensen die geschonden zijn door de zonde, van mensen van wie het verdriet en de zorgen op hun gezicht te lezen is. Welk een vriend is onze Jezus, Die in onze plaats wil staan! Als je in zo’n Jezus dan ook het Licht der wereld ziet, dan moet dat wel door de Heilige Geest in je hart gewerkt zijn! Als je dan ook in zo’n Jezus Gods onmetelijke liefde voor ons ellendige zondaren ziet, dan is dat blijkbaar van Boven gegeven. Want de wereld ziet in Hem gedaante noch heerlijkheid. De wereld kijkt liever naar de ‘sterren’ die deze weken als goden en godinnen verheerlijkt worden. Oh, de liefde van deze Jezus verbreekt ons hart, voordat ons oog breekt. Dit liefdelicht ontdekt ons aan zonde, omdat ik nu pas besef hoe groot mijn schuld was, toen ik nog niet in Hem geloofde (Joh. 16:8-9). Dit licht verlicht mijn levenslast en geeft me weer levenslust. Want deze Jezus is ook opgestaan en ten hemel gegaan, waar Hij aan ’s Vaders rechterhand zit en ook voor ons bidt. Gelooft u in deze Heere Jezus Christus? Dan mag u zingen: ‘Want nu de HEER’ is opgestaan, nu vangt het nieuwe leven aan, een leven in Zijn dood bereid, een leven in Zijn heerlijkheid!’

7.       Die niet laat varen de werken Zijner handen (ds. W. Pieters, Garderen): ontvangen van genoemd predikant ter overdenking

De vraagsteller heeft nog een vraag:

Nu gaat mijn volgende vraag in dit verband over wat er in het votum bij het begin van de dienst gezegd wordt, namelijk Die niet zal laten varen de werken Zijner handen. Mijn vraag is: kun je dit zo wel zeggen, aangezien er ook geesteswerkingen zijn die nooit tot de zaligheid brengen?

Waar komt het votum vandaan? Het votum is ontleend aan drie gedeelten uit het boek de Psalmen.

(1)    Psalm 124 vers 8: “Onze hulp is in de Naam des HEEREN, Die hemel en aarde gemaakt heeft.”

(2)    Psalm 146 vers 6: “Die trouwe houdt in der eeuwigheid.”

(3)    Psalm 138 vers 8: “Laat niet varen de werken Uwer handen.”

De kanttekening hierbij is:

Hij bidt dat God het goede werk, dat Hij in hem was begonnen, niet wil nalaten, maar voltrekken / voltooien tot de dag van Jezus Christus.

Hierbij verwijzen zij naar Filippenzen 1 vers 6, waar Paulus schrijft: “Ik vertrouw, dat Hij, Die in u een goed werk begonnen heeft, dat voleindigen zal tot op de dag van Jezus Christus.” Wanneer in de kerkdienst het votum wordt uitgesproken, is dat een geloofsbelijdenis. David bidt om Gods trouw, dat Hij Zijn werk aan hem niet zal loslaten. En hij vertrouwt dat God het ook werkelijk niet doen zal. Zo is het ook bedoeld in het votum. Dus dát werk waarover het gaat in Psalm 138, dat zal God niet laten varen.

Voor ons is de voorname vraag: is er werk van Gods Geest in mij? En zo ja, wat voor werk: algemeen of zaligmakend? Als u werkingen van de Heilige Geest in u gewaar wordt, zijn deze werkingen dan van zaligmakende aard of niet?

De Heidelbergse Catechismus zegt hierover, dat Christus ons door Zijn Heilige Geest verzekert van het eeuwige leven (antwoord 1). Dat betekent dus dat we kunnen weten de zaligmakende werkingen van Gods Geest te bezitten. Zo ook in antwoord 53. Daar wordt beleden dat de Heilige Geest ons persoonlijk is gegeven om ons door een waar geloof Christus deelachtig te maken met al Zijn weldaden. Dat deze Geest ons troost en eeuwig bij ons zal blijven. Zo lezen we ook in antwoord 54, met betrekking tot de heilige algemene christelijke kerk, dat wij daarvan een levend lidmaat zijn en eeuwig zullen blijven. Ook op andere plaatsen komt hetzelfde getuigenis naar ons toe: we kunnen zeker weten dat we zaligmakende genade ontvingen.

Hoe kunnen we dit dan weten? Ik wil u iets doorgeven van wat zegt de Bijbel over het onderscheid tussen de beide werkingen van de Geest geeft, met de uitleg van onze statenvertalers én van Matthew Henry. Het gaat over 2 Korinthiërs 7 vers 10: “De droefheid naar God werkt een onberouwelijke bekering tot zaligheid, maar de droefheid der wereld werkt de dood.”

De kanttekening bij ‘droefheid naar God’ luidt:

Dat is, die van God komt, aan God aangenaam is en de zondaar tot God brengt.

Wat is een droefheid die aangenaam is aan God? We lezen in de kanttekening:

Wanneer namelijk het hart van de zondaar daarover recht bedroefd is dat hij God, zijn Vader, door zijn zonde vertoornd heeft; met een vertrouwen van de vergeving daarvan door Christus Jezus, vergezelschapt met een vast voornemen om de zonde te ontvluchten; zoals de voorbeelden van David, de verloren zoon, de zondares, Petrus en anderen uitwijzen.

Zaligmakende werkingen van de Geest hebben als kenmerk dat we er recht bedroefd over zijn dat we God, onze Vader, hebben vertoornd. Dit kunnen we onderzoeken bij onszelf: ben ik er bedroefd over dat ik God door mijn zonde heb vertoornd, verdriet heb gedaan, heb onteerd? Of heb ik alleen angst voor de straf op mijn zonden?

En dan vervolgt onze kanttekening met de volgende uitleg van wat nu een aan God aangename droefheid is:

        Met een vertrouwen van de vergeving der zonde door Christus Jezus.

Kenmerkend voor de visie van onze vaderen is, dat zij de droefheid over de zonde niet losmaken van de hoop op vergeving. Wat een verschil met Judas. Die had wel berouw, maar hij had geen vertrouwen in de vergevingsgezindheid van God. Zijn berouw was dus geen berouw tot zaligheid. Het door de statenvertalers genoemde vertrouwen in de vergeving van de zonde is dus van het grootste belang om deze droefheid zaligmakend te kunnen noemen.

Is dit vertrouwen er, dan komt er bij deze droefheid nog iets bij:

        Vergezelschapt met een vast voornemen om de zonde te ontvluchten.

Vertrouwt iemand in Gods vergevingsgezindheid, dan blijkt dit uit een vast voornemen om de zonde niet meer te doen, maar om ze te ontvluchten.

Iemand die dit vaste voornemen of dit ernstige besluit niet heeft om de zonden te haten en te laten, vergist zich als hij denkt het vertrouwen in Gods vergevende genade te hebben. Hij vergist zich als hij meent de droefheid te hebben die door de kanttekening aan God aangenaam wordt genoemd, en door Paulus in de tekst een droefheid die bekering tot zaligheid werkt.

Deze droefheid tot zaligheid is er, als in uw hart vertrouwen leeft (hoe zwak ook en hoe aangevochten ook) dat God graag en mild vergeeft, én als dit vertrouwen vergezelschapt is met een besluit om niet meer te zondigen (al struikelen we dagelijks in de zonde en al vallen we onszelf nóg zo tegen).

In 2 Korinthiërs 7 vers 10 staat ook iets over de droefheid der wereld. Wat is dat? Volgens de kanttekening:

Die in wereldse mensen is, om het verlies van wereldse zaken, of die uit vrees voor Gods straf alleen wordt veroorzaakt, waarop verharding in de zonde, wanhoop en eindelijk de verdoemenis zelf volgt, zoals in Kaïn, Achitofel, Achab, Judas en dergelijken te zien is.

Het gaat hierbij over een droefheid die misschien wel over de zonde is, maar niet omdat we God hebben beledigd en vertoornd of bedroefd, maar omdat er straf volgt op onze overtreding. Het betekent dat we ons verharden in de zonde. Iemand die geen vertrouwen heeft in de vergeving van zijn zonde door God, zal zich in zijn zonde verharden. Ook raakt hij tot wanhoop.

Denk aan de zeer onderwijzende woorden van Calvijn over Psalm 130 vers 4: “Bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt.”

Als iemand ontwaakt tot een levend besef van het oordeel Gods, kan het niet anders, of hij zal onder het gevoel van schaamte en vrees verootmoedigd worden. Maar deze verfoeiing van zichzelf zal toch niet volstaan, tenzij er geloof mee gepaard gaat, waardoor het verslagen hart weer moed vat en de vrijmoedigheid verkrijgt om  vergeving te vragen. David handelt dus zeer gepast, als hij, om door een oprecht berouw te worden aangedaan, zich in de eerste plaats voor de rechterstoel Gods stelt, maar om niet weg te zinken van schaamte, en te bezwijken door vrees, voegt hij er te gelijkertijd de hoop aan toe om genade te verkrijgen.

Wij zien dan ook dat zij die niet verder komen dan te erkennen dat zij de dood verdiend hebben, zich als wanhopigen tegen God verzetten. Om nu zichzelf en anderen des te meer te bevestigen, verklaart de profeet, dat God niet gescheiden kan worden van Zijn goedheid. Alsof hij zei: “Zodra ik aan U denk, komt ook Uw goedertierenheid mij voor, zodat ik er niet aan twijfel of U zult mij genadig zijn, omdat U Uw aard niet kunt verloochenen. En ik ben er stellig van overtuigd, dat U Zich over mij zult ontfermen, omdat U God bent.”

En laten we goed weten, dat hij hier niet spreekt over vage, verwarde kennis van Gods genade, maar van zulke kennis waardoor de zondaar tot de vaste overtuiging komt, dat hij, zodra hij God zal zoeken, ongetwijfeld met Hem verzoend zal worden.

Daarom is het niet te verwonderen dal er onder de roomsen geen vaste aanroeping van God is, omdat zij aan Zijn genade hun eigen verdiensten voegen, en dus altijd in onzekerheid blijven over hun verzoening met God. Daarom doen zij met hun bidden niets dan hun smart en kwelling vermeerderen, evenals wanneer men in een brandend vuur hout werpt.

Wie nu echter met vrucht wil bidden, moet dus beginnen met de vrije vergeving van de zonde.

Kortom, als de bewustheid van Gods oordeel niet gepaard gaat met de hoop om genade te zullen krijgen, brengt ze niets dan schrik en angst te weeg, waar uit dan noodzakelijkerwijs haat moet voortkomen. Hieruit volgt dus dat God nooit recht gediend wordt zonder de kennis van Zijn genade.

Uiteindelijk wil ik u, wanneer u twijfelt: “Heb ik wel oprecht berouw? Heb ik wel zaligmakende genade of is bij mij alles allen nog maar algemene geesteswerking?” de volgende raad geven: smeek de Heere om nú Zijn zaligmakende genade te mogen ontvangen. Of, om het met de woorden van Hugh Binning te zeggen: geloof dan nu in Jezus Christus – dan is het probleem opgelost…

Zoals William Gurnall eens schreef: “Of u er al eerder in deelde of niet…, smeek de Heere om er nú in te mogen delen. Als u er nog niet eerder in deelde, maar u zich misschien wel vreselijk vergiste, o dan is het nu niet te laat om er nú in te delen. En als u er wel eerder al in deelde, moet het toch steeds weer vernieuwd worden!”

Daarom blijft er voor u en mij één weg over, namelijk die Hebreeën 4 vers 16 ons wijst: “Laten wij met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid verkrijgen en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwame tijd.” En van deze barmhartigheid en genade geldt: God zal nooit deze werken van Zijn handen loslaten!

8.       Catechisantenvragen (11; ds. W. Pieters, Garderen): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 9 juni 2017 onder de berichten van de Hersteld Hervormde gemeente van Garderen

De elfde vraag luidde: Wanneer mag men scheiden? Hoe moeten kinderen in dat geval het vijfde gebod in praktijk brengen?

De Bijbel leert ons dat Gods bedoeling met het huwelijk is om levenslang in liefde en trouw bij elkaar te blijven – en dus nooit te scheiden. Als helaas door de vreselijke zondigheid van een getrouwde man of getrouwde vrouw het huwelijk wordt gebroken door overspel of hoererij, dan nog hoeven deze getrouwde mensen niet te scheiden. Als het ook maar enigszins mogelijk is, dienen ze zich met elkaar te verzoenen en (al dan niet met goede hulp van een stichting als De Vluchtheuvel) eraan werken om hun huwelijk door Gods genade te herstellen.

Als echter iemand toch de huwelijksband verbreekt en tot scheiding overgaat, komen kinderen in een heel moeilijke, ja ten diepste onmogelijke situatie, namelijk dat ze moeten kiezen tussen vader en moeder. Dit kan een kind niet. Daarom is het – alleen al om de kinderen – zo belangrijk om alle middelen te gebruiken om niet te scheiden.

Wat betreft het vijfde gebod: een kind van gescheiden ouders moet beide ouders eren en hun, voor zover het overeenstemt met de Bijbel, gehoorzamen. Dit kan grote spanningen geven, maar wat goed is van vader en wat goed is van moeder, moet een kind van gescheiden ouders volgen, en wat zondig is van vader en wat zondig is van moeder, moet een kind van gescheiden ouders niet volgen.

Dit geldt natuurlijk ook voor alle andere kinderen, ook afgezien van een scheiding. Maar ik schrijf dit in het bijzonder voor kinderen van gescheiden ouders, omdat zij het hiermee nog al eens extra moeilijk kunnen hebben.

Laten we – als gemeente, en als kinderen in de gezinnen – de H eere bidden dat Hij, in een tijd dat scheiden meer en meer aanvaardbaar lijkt te zijn, de band van liefde en trouw in de huwelijken sterk en hecht maakt, zodat ze niet stuk gaan, maar een fijn en zegenrijk ‘home’ vormen voor jullie, de kinderen!

9.       Uit de herdershut: wee en wel (ds. M. van Reenen, Oldebroek): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 23 juni 2017 onder de berichten van de Hersteld Hervormde gemeente van Oosterwolde

We leven op de grens van lente en zomer. Aardbeientijd. Over de aardbeien had ik een net gespannen. Ik houd van merels, maar niet als ze te gretig onze teelt verorberen. De vrouwtjesmerel die er al aan begonnen was, was echter niet voor één gat te vangen. Ze plantte zich stevig op het net, zorgde dat het zo op de grond terecht kwam en kon met haar snavel alsnog bij de (nog net niet rijpe) vruchten. Nu, dat kunstje wilde haar jong, nog niet zo lang uitgevlogen, wel nadoen. Maar bij gebrek aan ervaring kwam het vast te zitten in het net. Het is een warnet (ik koop het nooit meer….), dus raakte steeds vaster. Er restte slechts één optie: uitknippen. Een heel gepriegel, onder een dreigende snavel, maar het ging. Bijna was ik klaar, maar ineens….hing het kopje slap. Ik had blijkbaar het jong al te stevig in bedwang gehouden en daarbij het nekje gebroken. Met een verdrietig hart wierp ik het in de groene container. Daar hadden vader en moeder merel nu zo veel weken zich voor in het zweet gewerkt. Ik had de moeder best nog een paar aardbeien gegund, eerlijk gezegd.

Dit verdriet werd al spoedig gecompenseerd. Eén van onze kipjes was een paar weken daarvoor broeds, maar omdat wij geen haan hebben kon ze op de eieren blijven zitten totdat ze een ons zou wegen zonder resultaat. Daarom destijds (bij een andere predikant!) een achttal bevruchte eieren gekocht en deze onder de kip gelegd. Ontzettend trouw bleef het beestje zitten.

Wat heb ik me vaak verwonderd over Gods scheppingswijsheid. Het instinct van zo’n kip is exact goed. Op 18 juni waren de eieren ‘uitgerekend’. Van de 8 eieren kwamen er 7 uit. Wat een geweldig gezicht! Zeven kuikentjes die eerst nog opgevouwen in een ei zaten droogden op en konden lopen. Ze klitten om hun moeder heen. De moeder die zo haar ‘beloning’ kreeg voor al die weken trouwe zit. Onze vier kinderen hebben er van genoten. En wat een onderwijs kregen we samen. De Schepper heeft hier iets van Zichzelf ingelegd: ‘hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens bijeenvergadert onder de vleugels’. Zo was er in één week teleurstelling over het ene jonge leven maar verwondering over het andere.

Dat is maar klein vergeleken met het nieuwe leven in het rijk van Gods genade. Je kunt betrokken zijn op het wel en wee van de natuur in het klein of in het groot, maar nog intenser op het wel en wee van de kerk. En laten we eerlijk zijn: wee is er genoeg, op allerlei manier. De afgelopen dagen werd ik bijzonder getroffen door de besluitvorming binnen de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt. Een kerkverband waarin de prediking wel altijd wat anders was dan bij ons (er werd bijvoorbeeld weinig onderscheid gemaakt tussen bekeerden en onbekeerden in de gemeente), maar dat wel gekenmerkt werd door stevige fundering in Schrift en belijdenis. De laatste jaren is daar echter veel veranderd. Al enige jaren worden er pogingen gedaan om de vrouw in het ambt te krijgen. En vrijdag was het zover: alle ambten worden voor vrouwen opengesteld. Menselijkerwijs gesproken was het te verwachten; alleen als er echte bekering kwam zou dit besluit nog worden afgewend. Maar toch, als het dan zo ver is, raakt het diep. Het geeft verslagenheid: hoe kan het in zo korte tijd zo ver komen? De Gereformeerde Kerken vrijgemaakt zijn het grootste gereformeerde kerkverband van Nederland. Het is een ernstige zaak als hier zulke forse verschuivingen plaatsvinden (niet alleen op dit punt, maar op veel meer punten). Het verzwakt het getuigenis van de kerk in ons land. Het is tegelijk een belangrijk signaal. Kennelijk is het mogelijk om in korte tijd grondig van mening te veranderen; niet alleen dichter naar de Schrift toe (bekering) maar ook verder daar vandaan. ‘Wie meent te staan, zie toe dat hij niet valle’.

Zomaar wat overwegingen bij het kerkelijke verdriet dat mij deze dagen bezet. Maar tegenover het ‘wee’ staat ook het ‘wel’. Wat er ook in het kerkelijke leven gebeurt, de Kerk is van Christus. En Hij zorgt beter voor haar dan een hen voor haar kuikens zorgen kan. Afgelopen zondag preekte ik in Groenekan; daar was Zondag 19 aan de beurt, over Christus aan Gods rechterhand. Hij is daar als het Hoofd van Zijn Kerk. Hij zorgt voor haar, Hij geeft haar Zijn hemelse gaven, Hij beschermt haar. Dat mag je dan bovenmate vertroosten. De Kerk wordt niet afgebroken, maar opgebouwd; ze wordt niet kleiner maar alsmaar groter. Hij voegt immers dagelijks mensen aan de gemeente toe die zalig worden! Pinksteren is daar de garantie voor. Dat mogen we geloven, maar bij tijden ook zien.

Ik hoop dat u – vanuit liefde tot Gods eer en de zaligheid van uw naaste – wél denkt, dat het er veel te weinig zijn. Het is altijd te weinig zolang er nog onbekeerden in de gemeente zijn.

Maar toch, de Heere werkt, en Hij geeft leven en Hij vernieuwt leven.

Het is niet alles wee, maar Hij maakt het wél!

10.   De koninklijke bruiloft (ds. R.P. van Rooijen, Oosterwolde): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 16 juni 2017 onder de berichten van de Hersteld Hervormde gemeente van Oosterwolde

We kozen voor u in aansluiting op de stof van afgelopen zondag een stukje van wijlen ds. J. van der Haar (1917-2001) over de gelijkenis van de koninklijke bruiloft. Dit keer uit het parallelle gedeelte in Lukas 14 : 15-24.

Zou het feestmaal nu niet doorgang hebben? Maar alle dingen staan toch voor consumptie gereed? Het móet! Geen wonder, dat de gastheer in gerechtvaardigde toorn ontstoken, zint hoe zijn maaltijd kan doorgaan. Het eerste gerecht was intussen al opgediend. Ga haastiglijk – zo zegt hij tot zijn knecht – in de straten (de brede) en wijken (de smalle straten) der stad, en breng de armen en verminkten, de kreupelen hier in. Het zijn dezelfde soorten van mensen, die men, naar Jezus’ recept in vs. 13, behoorde te nodigen aan een feestmaal, omdat deze allerarmsten van de menselijke samenleving nu eenmaal niet over de middelen beschikken, om ook maar ooit hun gastheer aan een door hén aan te richten maaltijd te inviteren.

De wereldstad is groot. Blijken de Joden onwillig, keuren zij zichzelf het eeuwige leven onwaardig, vanwege de verwerping van de Christus Gods, de Zaligmaker uit hun eigen volk geboren, welnu, gaat dan heen in de gehele wereld, en predikt dit Evangelie aan alle creaturen. Hier komt de arbeid van zending en evangelisatie binnen de gezichtskring.

De maaltijd stroomt niet vanzelf vol. Gods verkiezende liefde verwerkelijkt zich door de toepassende daad van Gods Heilige Geest, maar Hij wil er mensen voor gebruiken. Zijn dienstknecht, en gezant, is wel in de eerste plaats: de Heere Jezus Christus, maar Hijzelf heeft weer de beschikking gekregen van Zijn Vader over apostelen, herders en leraars; altemaal gezanten van Christus’ wege, alsof God door hen bade: wij bidden u, laat u met Gód verzoenen!

Gaat uit! En de eeuwen door stroomden ze uit, de geroepen dienstknechten van Koning Jezus.

Naar de wildste heidenvolken; naar alle werelddelen, omdat Hij wil, dat het feestmaal doorgaat. Want God had  Zijn Zoon een bruiloftsmaal beschikt. De bruid is Zijn Kerk in haar geheelheid, de bruiloftsgasten dienen voorzien te zijn van een bruiloftskleed, te verkrijgen uit de kleedkameren van hun Koning, om niet. Zónder bruiloftskleed zal het niet gaan (vgl. Matth. 22 : 11,12).

Armen….Ze hebben alles verloren in Adam, in het paradijs. Hun armoede is vaak ook uitwendig, maar bij de ware armen (van geest) steeds inwendig tevens. Vaak ook uitwendig dus. Want God heeft het arme, en verachte van deze wereld uitverkoren, om het rijke te beschamen. ‘Zalig, gij armen; wee u, gij rijken’. Arm in de wereld, maar als een Lazarus, behoeftig aan God.

Schoon ik arm ben en ellendig, denkt God aan mij bestendig. O, de armen kunnen het haast niet geloven. Zij genodigd aan een heerlijk koninklijk maal? Ze schamen zich weg vanwege hun povere en schamele kledij. Bovenal bevinden zij zich ten enenmale onwaardig, die heerlijke Koning onder het oog te komen. Maar ze worden, als een Mefiboseth, gebracht aan ’s Konings tafel. Arm in zichzelf, maar alles verwachtend van Hem, Die waar Hij rijk was, arm is geworden, om armen met Zijn heilsgoederen te vervullen. Zalige armoede, in die zin, dat alleen aan de ware armen deze toebrenging te beurt valt. Voor hen wordt het eeuwig bruiloft.

Want ’t is de HEER’, Die het recht der armen,

Der verdrukten gelden doet;

Die uit liefderijk erbarmen

Hongerigen mildelijk voedt;

Die gevangenen vrijheid schenkt,

En aan hun ellende denkt!

De armen van geest heffen wel eens, bédelend aan de troon van Gods genade, de handen omhoog om een gave; maar wat zal het eenmaal zijn, wanneer zij gebracht worden uit hun armoede en verlorenheid tot hun rijke Zaligmaker, Die voor hen arm wilde worden. Zijn broeders in alles gelijk geworden, uitgenomen de zonde. Geen eigen huis, geen eigen bed. De vossen hadden immers holen, en de vogelen des hemels nesten, maar Hij had geen plaats om Zijn hoofd neer te leggen.

Aan Israëls kerk werd Hij gelijk. Als een Luther later, bracht Hij de nachten door sub caelo (=onder Gods open hemel). Ja, dat is het deel der armen. Voor Hém sloten zich de hemelen eenmaal; gehangen als Hij was, aan het kruis der schande. Om Zijnentwil wordt hun bede nu nimmer afgewezen. Het voorhangsel scheurde, juist toen.

Armen van geest, treurt niet voor altoos: er is een open toegang met vertrouwen tot de troon van Gods genade. Naar recht er buiten, maar uit genade erbinnen gebracht.

Krachtdadige roeping,

Daadwerkelijke wedergeboorte,

Innerlijke bekering,

En waar, zaligmakend geloof,

Rechtvaardigmaking,

Heiligmaking,

Heerlijkmaking, ziedaar in vogelvlucht genoemd enkele genade-voorrechten van de armen van geest. Hier wordt dat alles samengevat in het gebracht worden aan die heerlijke maaltijd. Wonderlijk maal! Armen er omheen. Met hongerige zielen, hongerend en dorstend naar Christus, en naar Zijn gerechtigheid! Ze horen er niet, in die koninklijke, hemelse zalen, en al evenmin op die nieuwe aarde, voor zover zij letten op zichzelf, maar ze behoren er wel, want ze zijn er niet binnengedrongen; maar binnengebracht door de Deur van de stal der schapen. Onder de roede der ontdekking, ja, maar ook geleid onder de band des Verbonds. De schoonste plaats mag Gij met ruime snoeren; O, heerlijk erf, gij kunt mijn ziel vervoeren!

Heerlijke maaltijd, want de Koning zit er aan. Hij zit die maaltijd voor; Hij biedt er Zichzelf aan als een levensbrood, en als levend water, om niet. De armen kunnen er bij, want Hij begaafd ze met Zijn Geest, om te eten en te drinken, ja om dronken te worden uit de beek Zijner wellusten (Psalm 36). Durven ze niet wel toe te tasten,  Hij staat op, buigt Zich tot zulke aarzelende zielen neer, en moedigt aan: eet, vrienden, drinkt, en wordt dronken, o liefsten (Hoogl. 5 : 1).

Het maal is eerlijk verdiend, voor de kostbare prijs van ’s Konings hartebloed. Hij gaf Zijn ziel tot een rantsoen voor velen. In het geschonken geloof weten de armen van geest: Hij is mij van den Vader tot een Zaligmaker geschonken; o, al wat aan Hém is, is gans begeerlijk.

Maar niet alleen armen, maar ook verminkten, ja kreupelen worden aangevoerd.

Hinkende Jakobs-kinderen,

Verloren zonen en dochteren van het huis Israëls,

Een wenende Simon Petrus,

Een gevallen zondares, die op eigen benen niet meer staan of gaan kan.

Ze mogen leunen op hun Liefste; ja, de kleine lammeren der kudde wil Hij zachtkens leiden.

Daar ziet ge een Maria Magdalena, uit wie zeven onreine geesten uitgeworpen werden.

Verminkten….niet uitwendig, maar innerlijk.

De littekenen der zonde verliezen ze op aarde nooit. De doorn in het vlees blijft pijn doen, opdat zij steeds weer gedreven zullen worden tot de algenoegzame genade van God, die hun toegebracht wordt in de Heere Jezus Christus. Hij balsemt de wonden; Hij heelt alle smart! Want door Zijn striemen is hun genezing geworden! (Jesaja 53). Hij is de Heelmeester, Zijn genadezalf kan de diepste wonden genezen. Zijn bloed reinigt immers van alle zonden.

Verminkten en kreupelen….! Hier is uw God, uw Behouder, uw Goël! Ziet ge Hem nog niet; zijt ge nog blind voor Hem? Ziet ge alleen op uw zonde en onbetaalbare schuld? O, er is ogenzalf om den Koning, den HEERE der heirscharen in Zijn vernedering, en in Zijn verhoging, in al Zijn schoonheid te zien (Jesaja 6 en 33). Luistert naar Zijn stem! Hoort aandachtig naar Hem, en uw ziel zal léven (Jesaja 55). Hier in Lukas 14 : 21 klopt het hart van het Evangelie. Het is alles vrije, soevereine, reddende, verlossende genade, die hier roemt tegen het welverdiende oordeel. Hier past de vertroosting uit Ps. 69 : 13:

Gij, die God zoekt in al uw zielsverdriet.

Houdt aan, grijpt moed, uw hart zal vrolijk leven;

Nooddruftigen, veracht Zijn goedheid niet;

Nooit zal Hij Zijn gevangenen begeven.

En de dienstknecht zeide: Heere, het is geschied, gelijk gij bevolen hebt, en nog is daar plaats! (vs. 22). Er is plaats bij God in het aangezicht van Christus Jezus, voor allen, die het leven in eigen hand niet meer kunnen vinden. Die onder Gods toegepaste recht, hun eigen doodvonnis hebben leren billijken en goedkeuren, zeggende: Uw doen is rein; Uw vonnis gans rechtvaardig. Want ze weten zich met de gehele wereld verdoemelijk voor God, en aan dezulken wil het Evangelie gepredikt zijn, en over hen de vrije genade Gods heersen, waardoor goddelozen worden gerechtvaardigd, uit enkele genade, alleen om de verdiensten van Christus’ wil!

Nog is daar plaats!! Die plaats is ruim; denk aan psalm 16, boven aangehaald. De rivier Gods is vol water. En uit Zijn volheid hebben wij ook ontvangen genade voor genade (Joh. 1). God wordt van geven niet armer! En Koning Jezus wil verheerlijkt worden in de veelheid van onderdanen! Neen, de HEERE is niet moede noch mag om te verlossen (Jes. 40 : 28). Er is geen doorgronding van Zijn verstand. Als ge dit wonder vatten wil, staat uw verstand eerbiedig stil. In ménsen een welbehagen..! En dan, in wat voor mensen!

Onreine hondekens, melaatsen, afzichtelijk, van hoofd tot voetzool.

Verminkten, kreupelen, lammen, doven, blinden, stommen….wat een optocht naar die koninklijke bruilofszaal. Want het feest moet doorgaan. Want God heeft het zo gewild; Hij heeft Zijn Zoon een bruiloft bereid.

En nog is daar plaats!

Nu zegt die heer tot zijn knecht: Ga uit in de wegen en heggen, en dwing ze in te komen, opdat mijn huis vol wordt! In de wegen en heggen. Op zoek naar landlopers, vagebonden, ’t uitschot van de maatschappij, waar de fatsoenlijke burger zijn neus voor optrekt. Ja, waarlijk Jezus ontvangt zondaren, en eet met hen! Hij maakt alle dingen nieuw. Paulus weet er ook van: dit waart gij sommigen, maar gij zijt afgewassen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd in de Naam van de Heere Jezus, en door den Geest onzes Gods! (1 Corinthe 6 : 11).

Ook buiten de stad moeten ze worden gehaald. Van de wegen, uit de heggen, waar de mensen schuilgaan tussen de hagen, en zich neerleggen, zonder huisvesting onder de blote hemel. O, hebt kleine gedachten van uzelf, en grote van den Hemelkoning, die grote Schepper van het heelal!

Hij wil, dat Zijn huis vol zal worden!

Uit Joden en heidenen,

Grieken en barbaren,

Blanken en bruinen,

Slaven en vrijen,

Mannen en vrouwen,

Kinderen en grijsaards! God wil, dat alle mensen (=allerlei mensen), zelfs koningen en wereldgroten, zalig worden, en tot kennis der waarheid komen.

Gaat uit, gaat uit, de Bruidegom komt!

Wie is in vlam gezet voor die komende Koning?

Wie zoekt Zijn Koninkrijk?

Wie werft onbaatzuchtig onderdanen?

Wie weegt het heil van onsterfelijke zielen zwaar op het hart?

Wie is, als een luie dienstknecht, en verstopt zijn éne talent in een zweetdoek in de grond?

Wie is nog niet wakker-geroepen, wakker-geschud uit de gevaarlijke slaap van de geruste in Sion?

Wie gaat nog traag zijn gang, omdat het alles zo saai en vervelend is in de Kerk des Heeren?

Wie hoort niet in de verte de gerichtsklokken beieren: Hij kómt, Hij kómt, om d’aard’ te richten; de wereld in gerechtigheid!

In Christus zijn op Zijn Kerk de laatste tijden gekomen. De wereld-Rechter staat voor de deur!

Hebt ge de verse olie des Geestes in uw lampen?

Zal de Heere, bij Zijn wederkomst, u wakende vinden, de lendenen omgordt en de lampen brandende? O, zo niet, ontwaakt dan toch; want de tijd is voorts kort. De zaak des Konings heeft haast! Zijn Huis moet vól!

Hebt gij er al een plaats gevonden, meer dan der zonen en der dochteren? Niet?

En toch nog rustig bezig, met akkers, met ossen aan ’t ploegen, met vrouw en kinderen te vermaken? Laat toch de liefde-dwang u ervan overtuigen, dat ge in het allergrootste gevaar verkeert. Dat ge op dit moment geroepen, u onverwijld hebt te bekeren tot den HEERE met uw gehele hart! Het kan werkelijk geen uitstel meer verdragen.

Héden, heden!, zo gij Gods stemme hoort, verhard uw harten niet, maar laat u leiden’.

11.   Pastoraat in de praktijk (7;ds. H. Hofman, Kalamazoo): gelezen in ‘de Saambinder’; orgaan van de Gereformeerde Gemeenten, van 10 november 2016

Pastoraat bij de pastor (1)

Ditmaal houden we het onderwerp dichtbij huis. Misschien kent u de uitdrukking wel: wie zorgt er voor de dokter als de dokter ziek wordt? We voelen ons gedrongen om hier aandacht voor te vragen. Laten we proberen de beschouwing algemeen en zakelijk te houden. Niet zielig of emotioneel. Maar het gáát dimaal niet over de dokter, maar over de dominee. Of over de ouderling, of de pastoraal werker. Misschien wel de moeilijkste en ingewikkeldste gevallen!

Want wie peilt nu werkelijk de nood van die persoon die geacht wordt ‘het’ altijd te weten?

Wie doorgrondt de vragen en de worstelingen van hem die altijd de antwoorden paraat moet hebben? Wie is er in staat door te dringen tot de kern van het geestelijk leven met al zijn strijd, worstelingen, vragen, aanvallen en vertwijfelingen van hem die er altijd over preekt, altijd over spreekt, altijd over schrijft in de kerkbode?

Voorwaar geen geringe opgave. Ik zeg het maar eerlijk. Daar moet je wel heel kundig, voorzichtig, doortastend en vooral nuchter mee om weten te gaan. En vooral niet bang zijn. En je ook niet na het eerste – vakkundig geformuleerde – afwijzende of ontwijkende antwoord uit het veld laten slaan. Dit soort deskundigen is schaars en de pastor mag zichzelf bevoorrecht achten als hij er één kent. En ze staan niet in de rij te wachten. Maar ook niet de eerste de beste die zich aandient komt hiervoor in aanmerking. In ieder geval zij niet, die het antwoord altijd paraat hebben. Of die mijlenver in ambtelijke of levens-ervaring boven je staan. Of zij die in hun gebed de dominee nog eens helder vertellen hoe hij preken moet.

Wijsheid en tact

Toch zijn ze er die de kunst verstaan én de tact hebben om door te vragen. Soms een jongere die zo heerlijk onbevangen en eerlijk doorvraagt. Of een geoefend kind van God die wijsheid van God geleerd heeft.

Eén van de grootste belemmeringen kan zijn dat de noodzaak of urgentie van dit pastorale gesprek niet wordt ingezien of onderkend. Want wie gaat er nu aan een dominee of ouderling vragen hoe het met hém gaat? Precies, daar hebt u één aspect van een bepaalde eenzaamheid waarin een pastor zich kan bevinden. De eerlijkheid gebiedt wel te zeggen dat dit gesprek uitsluitend mogelijk is als er een (h)echte vertrouwensband is. En vertrouwen moet groeien. Vandaar dat dit soort ‘gesprekken’ nogal eens gevoerd worden tussen hen die hetzelfde ambt bekleden. Het is een groot voorrecht om zo’n medebroeder te hebben die precies hetzelfde voelt, dezelfde strijd kent, in precies dezelfde schoenen staat. Die op zijn beurt óók eens in zijn hart laat kijken. Wat kan het bemoedigend zijn om te horen wat anderen denken, meemaken, ontberen of missen. Daar hoef je echt geen ervaren ambtsdrager voor te zijn met zoveel dienstjaren. Een Joods slavinnetje bedreef pastoraat bij Naäman, en enkele broeders die Paulus tegemoet kwamen op de Appiusmarkt en de ‘drie tabernen’ was voor hem al genoeg om God te danken en moed te grijpen.

Wat zullen deze mannen gezegd hebben?

Misschien vroegen ze slechts naar zijn welstand op zo’n manier dat er meer gevraagd werd. Of deinsden ze niet terug om in enkele zinnen even af te steken naar de diepte. Daarmee bedoel ik dus woorden die verder en dieper gaan dan het geijkte ‘how are you?’

Denkt u hier eens aan als u de volgende keer komt met een vraag of opmerking – geheel goed bedoeld – en u krijgt een wat vaag, afwezig antwoord, of helemaal geen antwoord. Of het bezoek waar u met smart op zit te wachten, blijft uit. Het kan namelijk heel goed zijn dat die broeder die het altijd ‘weet’, en waar u vanwege het ambt tegenop ziet, het namelijk helemaal niet meer weet. Of zeer diep in de put van moedeloosheid is beland.

Of in erge twijfeling verkeert of God, zijn Zender, wel bestaat. Of met gezinszorgen loopt waar (bijna) niemand navraag naar doet.

Of vanwege het gedurig uitdeler der menigerlei genade Gods te zijn soms zelf maar loopt te schreeuwen en te bedelen om een kruimeltje genade.

Nee, niet omdat de Heere zo’n karig God is, maar wel omdat die uitdeler ook maar een gewoon nietig, gevallen Adamskind is, die altijd maar weer geholpen moet worden. Net zo als ieder ander uit zijn ambtelijke praktijk.

12.   Geschiedenis van een scheuring (3; ds. P. Mulder, Geldermalsen): gelezen in ‘de Saambinder’; orgaan van de Gereformeerde Gemeenten, van 24 november 2016

In het boek dat onze aandacht vraagt, is de kerkscheuring van 1953 het hoofdonderwerp. In de vorige artikelen werden we meegenomen door een stuk voorgeschiedenis naar de bewuste synodevergadering toe. In deze bijdrage gaat het over de synodevergadering zelf, die een zo ernstig en naar verloop had. Het moet een zware dag geweest zijn; het was ook een zwarte dag.

Tijdens de bespreking van het rapport van het curatorium brengt afgevaardigde ds. Van den Berg het docentschap van dr. Steenblok inderdaad ter sprake. Er volgt een zeer verwarde en onordelijke bespreking, waarbij de emoties hoog oplopen. Vele afgevaardigden voeren het woord.

Spanningen rond de Theologische School

De meningen van de curatoren over het functioneren van dr. Steenblok als docent zijn verschillend. De voorzitter van het curatorium, ds. Ligtenberg, wil desgevraagd zijn mening niet geven; hij verwijst naar de studenten. Terecht merkt curator Bas op dat dit niet kan. Dr. Steenblok, die geen afgevaardigde was, maar natuurlijk wel hoofdbetrokkene, krijgt het woord niet. Wel nemen enkele kerkenraadsleden uit Gouda – hoewel geen afgevaardigden – het woord.

Een afgevaardigde ouderling stelt voor te stemmen over het docentschap van dr. Steenblok. Meerdere afgevaardigden steunen dit voorstel; de preses neemt het over. Evenals enkele anderen wenst ds. Aangeenbrug nog het woord. De voorzitter verleent dit niet. Ds. Aangeenbrug had zijn mening tijdens de bespreking overigens al nadrukkelijk geuit. De voorzitter bepaalt dat er gestemd gaat worden.

Vertrek en nieuwe benoemingen

Op dat moment verlaten de afgevaardigde predikanten Aangeenbrug, Mallan en Van de Ketterij en eveneens de afgevaardigde ouderlingen Bas en Hage onder protest de vergadering. Ook dr. Steenblok en anderen verlaten de vergaderruimte. Er vindt een schriftelijke stemming plaats. Van de 31 aanwezige afgevaardigden (5 waren er immers weggegaan) stemmen er 24 vóór de afzetting van dr. Steenblok als docent. Daarna wordt de vergadering geschorst.

Volgens dr. Golverdingen hadden ds. Verhagen en ds. Vergunst merkbaar niet verwacht dat de broeders rondom dr. Steenblok weg zouden gaan. Hun bedoeling was kennelijk geweest dat dr. Steenblok als predikant in de gemeentekring bleef functioneren. Na hervatting van de vergadering wordt vastgesteld dat het ontslag van dr. Steenblok niet is om onrechtzinnigheid, maar om diens eenzijdigheid in het geven van onderwijs.

Ook wordt gesproken over hoe naar de vertrokken broeders toe te handelen. De volgende dag wordt hen een telegram gestuurd, waarin de synode hun onwettig heengaan ten zeerste betreurt en hen ernstig verzoekt op dit gewichtige moment geen definitieve scheur te slaan in onze gemeenten, maar met erkentenis van hun onjuiste optreden weder te keren en hun ambtelijke taak als afgevaardigde weder op te vatten. De vertrokken broeders berichten dit niet te doen.

Door de vergadering worden twee docenten gekozen: ds. L. Rijksen en ds. J.W. Kersten, zoon van wijlen ds. G.H. Kersten. Verder wordt er gestemd over wie er zitting zullen hebben in het curatorium. De vertrokken curatoren worden niet gekozen. De andere curatoren krijgen opnieuw een plaats in dit Deputaatschap. Uiteraard, behalve ds. Rijksen die immers tot docent is benoemd. Verder mandateert de synode het moderamen om met de vertrokken broeders te gaan spreken. Om hen te doen weerkeren, maar de genomen besluiten blijven gehandhaafd. Ook krijgt het moderamen de opdracht de gemeenten over één en ander te berichten.

De breuk blijft geslagen

Na deze gebeurtenissen blijkt snel dat de breuk definitief is. Het moderamen handelt met vaste lijnen vanuit het mandaat van de synode. De week na de bewuste synodedagen blijkt dit in het spreken met en schrijven aan de vertrokken broeders, aan hun kerkenraden en aan al de gemeenten. De vertrokken broeders voegen zich niet naar de lijn van de synode. Daarmee hebben zij zich buiten het kerkverband geplaatst, concludeert het moderamen. Vertrokkenen protesteren over de werkwijze van het moderamen bij de synode. Maar de synode gaat, later in een vervolgzitting, achter het moderamen staan. Inmiddels had de vrijdag na de synode ds. Van de Ketterij in een preek in Alblasserdam uitgesproken dat de breuk er voor hem en zijn kerkenraad was. Hij kondigde een ledenvergadering aan op de volgende avond. In Bruinisse zei ds. Mallan op een ledenvergadering dat de scheuring er nog niet was maar er wel van zou komen. De kerkenraad en op één na alle leden waren het daarmee eens. Droevige zaken. Kennelijk vond er ontlading plaats van veel spanning en botsing van opgebouwde meningen. De meerderheid was blijkbaar van mening dat ter wille van het geheel een niet goed functionerend docentschap beëindigd moest worden. Terwijl de minderheid vast van mening was dat dit docentschap moest gehandhaafd blijven. Als het overstijgende dan niet naar voren komt….

Maar dat is achteraf gesproken.

13.   Evangelisatie-ervaringen (evangelisatiecommissie Putten): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 9 juni 2017 onder de berichten van de Hersteld Hervormde gemeente van Putten

We liepen nog steeds in Arnhem, in de winkelstraat. Ik zag een jongen lopen die recht op mij af kwam. Ik hield hem een folder voor en vroeg of hij een Bijbel had. Hij zei: ‘Nee, ik weet wel iets van de Bijbel af, ik heb op een Roomse school gezeten. Maar thuis doen ze er niets meer aan en ik eigenlijk ook niet. Toch denk ik vaak: nu ik zeventien jaar ben en volwassen begin te worden, wat moet ik doen met religie? Is er een God en waar ga ik naar toe?’

Ik zei: ‘wat ben ik blij dat ik jou ontmoeten mag’.

‘Waarom dan?’ vroeg hij.

Ik vertelde hem dat ik weet dat er een God is Die leeft en regeert. En die alles weet en ook hem kent en lief heeft. Deze jongen was helemaal verbaasd, hij kon het haast niet geloven. Toen kwamen al de vragen. Ik heb hem mogen uitleggen, hoe hij God kon vinden door tot Hem te bidden, Hem alles te vertellen en Hem te vragen om in alles te helpen. Hij kreeg een Bijbel en ik vertelde hem dat als hij hier in ging lezen God zijn vragen zou beantwoorden. En als dat niet zo was, vroeg ik hem over vier weken terug te komen op dezelfde plaats om verder met hem te praten. Dit was de tweede ontmoeting tijdens mijn wandeling in Arnhem. Volgende keer volgt de laatste ontmoeting van die dag.

14.   Oud en toch nieuw (kerkenraad Wapenveld/Wezep): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 16 juni 2017 onder de berichten van de Hersteld Hervormde gemeente van Wapenveld/Wezep

 

M. Henry: Zoals het volk lijdt door de zonden van de vorst, zo moet de regering soms lijden om de zonden van het volk.

John Flavel: Onder de toelating van de Voorzienigheid zijn velen zo verblind en volkomen afgestompt, dat zij nóch een Voorzienigheid nóch een god erkennen. Ze zijn als degenen waarvan Plutarchus terecht en kundig antwoordt aan Colotes de Epicurist: Maak de gehele mens vleselijk, en mest zijn ziel vet, zoals een varken, met de genoegens van het lichaam.

Ds. K. Veldman: De wereld beïnvloedt onze gezinnen, maar wij beïnvloeden de wereld niet meer.

Thomas Shepard: Gerechtvaardigd te worden door het geloof, en gerechtvaardigd te worden door de gerechtigheid van Christus is naar het Woord en in de zin van de Schrift één en hetzelfde.

Hugh Peters: Bedenk dat de kleine naald een lange draad met zich kan trekken. Zo kunnen kleine zonden gevolgd worden door hevige smarten. Maar zo kan ook een kleine kruimel geloof wonderen doen.

Ds. Fransen: God wil geen koopgeld maar losgeld.

William Tiptaft: Waar geen bevinding is, daar is ook geen godsdienst.

Spreekwoord: Een dwaas kan meer vragen dan een wijze kan antwoorden.

Erskine: De naald van de wet baant de weg voor de draad van het Evangelie.

Jonathan Edwards: Het is het tere, en niet het afgestompte geweten, dat overtuigd is van zonde.

J.C. Philpot: Ik zag duidelijker dan ooit dat het dode calvinisme het beste wapen is dat de satan gebruiken kan om de harten te verharden en de consciënties van onvernederde belijders dicht te schroeien.

J.C. Ryland: De predikant, die de duivel niet doet briesen, is geen rechte zielenherder.

Stephen Charnock: Als het boek van genade gesloten wordt, zal het boek van gerechtigheid geopend worden.

Jakobus Koelman:  Iedere liefhebber van Jezus is in zijn wezen en voornemen een martelaar.

 

15.   Hervormd gebleven voorbij 2004 (6, slot; ds. C.J.P. van der Bas, Malawi): gelezen in Kerkblad Hersteld Hervormde Kerk van 8 juni 2017

Wat betekent dat in prediking en pastoraat?

In het voorafgaande hebben we geschreven over wat het Hervormd zijn betekende voor de prediking en het pastoraat voorafgaand aan de pijnlijke breuk die werd veroorzaakt per 1 mei 2004.

We hebben gesproken hoe het was in de 19e eeuw met betrekking tot de visie op de prediking en de roeping.

Ook was er aandacht voor een aantal overwegingen omtrent predikers en prediking die ontleend zijn aan een bundel artikelen van ds. W.L. Tukker, we beschouwden enkele aspecten van prediking en pastoraat alsmede het kerk-zijn voor 2004 en na 2004.

In deze laatste aflevering komen nog een aantal pastorale zaken aan de orde.

Preken gepaard aan eerlijk zelfonderzoek

Studenten en predikanten hebben te maken met de verzoeking om alle opmerkingen, vormen van discussie, tegenspraak of kritisch bevragen te duiden als vijandschap tegen God en Zijn waarheid. Studenten en predikanten menen zomaar dat ze het zelf alleen bij het rechte eind kunnen hebben. Maar ook bij een prediker kan een schadelijke weg gevonden worden.

Ootmoed en zelfonderzoek voor Gods aangezicht is blijvend nodig.

Een voortdurend toetsen aan Schrift en belijdenis van het eigen preken en spreken.

Een voortdurend bevragen voor Gods aangezicht van het eigen hart en geweten: Wat zijn mijn motieven bij het bepalen van de tekstkeuze voor de volgende zondag?

Wat zijn mijn motieven bij het verwoorden van een bepaalde toepassing in de prediking? Van een bepaalde gerichtheid van de toepassing in de prediking?

Is het mij om mezelf te doen?

Om wat mensen van mij vinden?

Om hoe mensen over mij oordelen?

Of…zijn we er iets van gaan verstaan dat we met de prediking staan tussen de levenden en de doden? Zijn we doordrongen van het feit dat het gaat om de eer van God en het eeuwig wel en wee van die mensen die de prediking van Gods Woord uit onze mond horen? Dat prediking het openen en toesluiten van de poorten van het Koninkrijk Gods inhoudt? Dat prediking dus eeuwigheidsconsequenties heeft? (H.C. zondag 31).

Is de toonaard van 2 Korinthe 5 ons eigen geworden? Hervormde prediking is in alle liefde, maar ook in alle ernst, front durven maken tegen die dingen die in leer of leven scheef liggen in de gemeente.

Of dat nu een bepaalde mate van lijdelijkheid betreft of een bepaalde mate van geloofsvanzelfsheid.

Hervormd pastoraat

Nog een enkele opmerking over het pastoraat na 2004. Er dient voor de worden gewaakt dat men pastor is voor heel de gemeente.

Voor een ieder in gelijke mate!

Voor een student en voor een predikant in een eerste gemeente is het van belang voorzichtig te zijn met het tempo en de regelmaat waarmee in het pastoraat wordt ingezet. De prediking en allerlei bezigheden in het winterwerk vragen tijd van bidden en van grondig overwegen en bestuderen. En wees niet minder voorzichtig met de manier van benaderen van uw gemeenteleden. De volksaard en het karakter dat u typeert, is niet automatisch hetzelfde bij degenen die u op huisbezoek ontmoet.

De kerkenraad

Dat begint met de kerkenraad waarbinnen u dienen mag. Of in de toekomst dienen zult. Maak geen onderscheid tussen de mannenbroeders. Bejegen hen allen op eenzelfde manier. Partijschap wordt zomaar vermoed, en….is zomaar ontstaan of gevoed door het wekken van de verkeerde schijn. En dat heeft bijna altijd zijn weerslag op het geheel van de gemeente. Niet zomaar meer bij de ene ouderling op bezoek gaan dan bij de ander dus. Een uitzondering geldt natuurlijk voor de scriba van een kerkenraad. Eenvoudig omdat daar het eerst en het meest zal worden overlegd.

Een oprechte luisterhouding

Verder is het van belang om voorzichtig te zijn met het tempo en de regelmaat waarmee u in het pastoraat inzet. Diezelfde voorzichtigheid is van belang in de manier van benaderen van uw gemeenteleden. De volksaard en het karakter van de prediker is niet automatisch gelijk aan die van de bevolking in een andere streek van het land, in de gemeente waar hij door de HEERE wordt gesteld. Het vergt ten minste een jaar om vertrouwd te raken in een gemeente. Een periode waarin voor elk bezoek ruim de tijd dient te worden genomen. Vooral om te luisteren. De nieren van gemeenteleden te proeven, hun hart….

Laat het pastoraat zich allereerst concentreren rondom het Heilig Avondmaal, vervolgens om de Heilige Doop en het doen van belijdenis en rondom het huwelijk. Voor deze kernen in het pastoraat is het noodzaak dat men grondig thuis is in de Bijbels-gereformeerde visie op de genoemde kernen. Zodat men jongeren en ouderen van meet af tot een Bijbelgetrouw gids kan zijn.

Overkomst uit andere kerken

Gaat het over mensen die uit andere kerken willen overkomen? Ook dat vergt het nodige aan pastorale aandacht. Het is dan belangrijk dat wordt gevraagd naar de motieven van mensen die willen toetreden tot de gemeente: Heeft men voor Gods aangezicht kunnen besluiten om de eigen kerkelijke gemeente te verlaten? Is men uit eigen initiatief in contact getreden met de eigen kerkenraad? Laat er navraag worden gedaan, met medeweten van de betreffende persoon/personen, bij de kerkenraad van herkomst, of er sprake is van uitoefening van kerkelijke tucht. Is dat laatste niet het geval en lijkt men vastbesloten om van kerk te veranderen, spoor mensen dan aan om vooraf een tijd lang de kerkdiensten te bezoeken. Daar hoort ook het bijwonen van die diensten bij, waarin de Heilige Doop wordt bediend en het Heilig Avondmaal. Veranderen van kerk en van kerkelijke gemeente gebeurt nogal eens te gemakkelijk. Met alle teleurstellingen van dien. Maar het instellen van een ‘wachttermijn’, een ‘proefperiode’ waarnemen kan worden teruggewezen, dat heeft geen Hervormde voorgeschiedenis.

Pastoraat en tucht

Gaat het over het uitoefenen van tucht in het pastoraat, ook in haar eerste stadium en in haar meest bescheiden vorm, dan dient men zich vooral te richten op hen die ten Avondmaal gaan.

Prof. op ’t Hof heeft er terecht de vinger bij gelegd dat het doen van openbare belijdenis van het geloof in de achterliggende tijd te veel is losgeweekt van de gang ten Avondmaal. Dat maakt het uitoefenen van tucht over hen die belijdenis deden maar niet ten Avondmaal gaan anders, enigszins oneigenlijk. Men heeft dan nog al eens belijdenis gedaan van het geloof, zonder daar echt naar te verlangen, waardoor men ook niet komt tot het werkelijk belijden van het geloof. Gaat het over het uitoefenen van kerkelijke tucht, ook in haar meest voorzichtige vorm, dan zal steeds nodig zijn dat één en ander zich voltrekt in samenhang met uw kerkenraad. Samen biddend overwegen en aftasten wat wijs is, wat de eer van God dient, wat iemand terug zou kunnen brengen waar hij of zij zijn moet. Tucht oefenen is immers iets van de trekkende, ernstige liefde van Christus vertonen, ten einde mensen die overboord zijn geraakt weer binnen te halen! Dat vraagt geduld, lankmoedigheid, op een bepaalde manier traagheid van handelen. Verwijdering is zo veroorzaakt. Maar iemand terugbrengen in de schoot van de gemeente, op het spoor van Gods heilig Woord, dat is zo eenvoudig niet.

Al met al vooral een praktisch betoog. Hopelijk dient het als een onderstreping daarvan dat Hervormd predikant zijn zo eenvoudig niet is. Dat geldt trouwens voor predikant zijn in elke kerk. Hoezeer onderstreept dat het belang van het gebed. Persoonlijk en ambtelijk. En in samenhang daarmee onderstreept het het belang van het gelovig in Christus zijn. Zonder Hem kunnen wij niets doen.

Niets dat de eer van God bedoelt.

Niets dat de gemeente bouwt.