Kerknieuws
Gereformeerde Gezindte
Openingspagina
Boekbespreking
Foto's
Persoonlijk
Kerkbodes
Spreuk van de week
Overig
Ware gebeurtenissen
Kerkelijk leven
Jongerenrubriek
Muzikale pagina + agenda
Columns
Links
Uw aandacht voor:
Veluwse Kerkbode
De Vijgeboom
Kerknieuws Gereformeerde Gemeenten
Kerknieuws Gereformeerde Gemeenten

 

1.       Laatste vergadering classis Harderwijk (ds. A.J. Mensink, Elburg): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 27 april 2018 onder de berichten van de Hervormde gemeente (PKN) van Elburg

Vorige week vergaderde onze classis Harderwijk voor de allerlaatste keer. We ervaarden samen iets weemoedigs, bijeen in de Grote Kerk van Harderwijk. 416 jaar daarvoor had daar de allereerste classisvergadering plaatsgevonden, al heette (zo vertelde ds. M. van Kooten allemaal uit z’n hoofd) de classis toen nog classis Neder-Veluwe en was ze een flinke slag groter dan we haar de laatste 200 jaar kenden (volledig verslag van toespraak ds. M. van Kooten is verderop te lezen).

Al blijft de classis bestaan als de kerkordelijke tussenlaag tussen gemeenten en synode, vanaf 1 mei is de tijd voorbij dat iedere gemeente rechtstreeks in de classis vertegenwoordigd is.

Maar daar heb ik al eens eerder wat over geschreven, en als ik dat nu weer ga herhalen wordt de toon er niet echt bemoedigender op.

Tijdens die laatste classisvergadering dacht ik: het leven van de gemeente hangt niet af van de kerkorde, en ik word ook niet geroepen om de kerkorde te preken, maar het Woord van God. Die Grote Kerk van Harderwijk is, net als onze eigen Grote Kerk, de eeuwen door de plaats geweest waar het evangeliewoord klonk en door de Heilige Geest kracht deed, ongeacht welke kerkorde er op dat moment gold – de Reformatie begon zelfs toen er nog helemaal geen gereformeerde kerkorde wás, ook in Harderwijk en Elburg niet. Het Woord van God is niet gebonden (2 Tim. 2 : 9). Ik zou daarom ook de veranderingen in de kerkelijke structuur enigszins willen relativeren. Wat nodig is, in alle gemeenten van de kerk, is een levende, doorwrochte prediking van het Woord van Christus, trouw pastoraat en inhoudsvolle catechese. Waar we als kerkenraden in trouw en liefde tot de gemeente en haar Koning de gemeenten mogen leiden, mogen we daar geen zegen en wonderen van de Heere verwachten? Ja voluit, als wonder van Zijn trouw en genade! Laat in de prediking, het pastoraat en de catechese dan voluit het geloof van de kerk der eeuwen klinken, zoals dat opkomt uit het Woord van God en zoals dat in de belijdenissen van de kerk is vertolkt. Kort na de scheuring in 2004 schreef de toenmalige voorzitter van de Gereformeerde Bond, ds. Kamphuis: ‘Preken, broeders, preken, alsof uw leven ervan afhangt’. Die woorden kwamen me in Harderwijk weer in herinnering en ik vond er troost en aansporing in. Ik geef ze hier graag door, ook aan gemeenten en kerkenraden in onze regio. Staar u niet blind op wat er allemaal verandert en wat er verloren gaat, maar predik het Woord, tijdig en ontijdig. Heb verwachting van het werk van God door Woord en Geest. En laten we, als we in de toekomstige ring als gemeenten met elkaar in gesprek zullen zijn, elkaar bij de hand nemen om elkaar te bewaren bij de rijke leer van Christus!

Elburg en Nijkerk

Wie Harderwijk en Elburg noemt, denkt ook aan Nijkerk. Met z’n drieën vormen we de voormalige Gelderse Zuiderzeesteden. We hebben alle drie een Grote Kerk, en die van Harderwijk is ronduit het indrukwekkendst. Onze Elburger Grote Kerk is de kleinste van alle drie. Onlangs las ik in een oud boek uit 1768. Een zekere W.A. Bachiene heeft toen de gehele kerkelijke kaart van Nederland beschreven, hoe de classes en de ringen eruit zagen, en welke bijzonderheden er zoal te melden waren over de gemeenten. Naast de  steden Harderwijk, Hattem en Elburg spreekt dit boek met een eeuwenoude knipoog over ‘het groot en aanzienlyk vlek Nieuwkerk’ (de oude naam voor Nijkerk). Bachiene vermeldt dat de Elburger predikanten geen pastorie hebben, en daarmee vormt Elburg een uitzondering op de regel. Een veelzeggende zin is ‘Over geringheid van jaarwedden hebben de predikanten hier omstreeks niet te klagen. Zy genieten dezelve, in de Steden uit de Stadsinkomsten van den Stads-Rentmeester’. Voor de Doornspijkers: ‘de Predikant van Doornspyk (‘twelk een uur gaans van Elburg ligt) heeft de vryheid, in gevalle geen bekwaam Huis in zyne eigene Standplaats te vinden is, in Elburg ter woon zich neer te zetten’.

Een eeuw later ontstaat opnieuw een verband tussen Elburg en Nijkerk door de overkomst van ds. C.C. Callenbach (1861). Terwijl in de 19e eeuw de vrijzinnigheid zich sterk maakte in de kerk en veel gereformeerde belijders via Afscheiding en Doleantie de Hervormde Kerk verlieten, bleef ds. Callenbach een principieel standpunt in de Hervormde Kerk innemen door te blijven opkomen voor de belijdenis van de kerk en een op het hart gerichte prediking van het Woord. In ruimere zin behoort hij tot de kringen van het Réveil. Kort na zijn verhuizing van Nijkerk naar Elburg schrijft hij aan één van zijn kinderen: ‘Hoe meer ik Elburg kennen leer, hoe blijder ik ben, dat de Heere zoo spoedig voor mij heeft willen zorgen. Alles wedijvert om het ons genoegelijk te maken’. In 1867 ging hij met emeritaat, ruim 10 jaar na het overlijden van zijn vrouw. Overigens was er toen wél een pastorie beschikbaar, in de Bloemstraat.

Zo zie je maar: bladeren in de kerkgeschiedenis levert soms een knipoog en een glimlach op, maar ook getuigenissen van zegen die de Heere in de gemeenten gaf. De prediking van ds. Callenbach heeft vrucht gedragen. En die vrucht kan nog heel lang nawerken in families waar het ontvangen Woord en het beleden geloof is doorgegeven van geslacht op geslacht. Verwonderd danken we de Heere dat Hij de eeuwen door Zijn gemeente, ook in Elburg, door het verkondigde Woord geleid heeft.

1.       Op de vingers getikt (ds. J.W. van Estrik, Goedereede): gelezen in ‘Onder de vijgenboom’ van 25 april 2018 onder de berichten van de Hersteld Hervormde gemeente van Goedereede

Het is gelukt om te ruilen. Het was even puzzelen. Na morgenbeurten in Scheveningen en Stolwijk zou ik ’s middags in Ooltgensplaat en ’s avonds thuis zijn. De eerwaarde heer Lankhaar kon mij helpen, hij neemt de eilandelijke gemeenten onder zijn hoede en ik hoop naar Hoevelaken te gaan.

Persoonlijk neem ik iets afstand, de boog kan immers niet altijd gespannen staan.

Gezondheid is een broos goed, niemand is onuitputtelijk in kracht en niemand is onmisbaar. Mijn plan was om de komende maand verdergaand stappen terug te zetten, dat wil zeggen dat ik bovenop de gemaakte afspraken met gastvoorgangers nog een aantal ruilbeurten wilde realiseren. Mijn voornemen was om mij in het leiden van kerkdiensten in ‘De Levensbron’ bij leven en welzijn danig te beperken. Voor de maand mei dacht ik aan het voorgaan in een doopdienst en sluiting winterwerk tegen 6 mei, dan het Woord te bedienen op de Hemelvaartsdag en tenslotte alleen nog op de eerste Pinksterdag. Andere voor mij ter plaatse ingeroosterde diensten zou ik dan ruilen. Gisteravond onthulde ik mijn gedachten. Daartegen is mijn vrouw in het geweer gekomen. ‘Je bent hier geroepen en hier hoor je’, was haar antwoord en deze ‘moederhen’ kreeg er onze aanwezige ‘kuikens’ in mee. Hierop heb ik geen weerwoord, daar kan ik niets tegenin brengen. Dan wordt het ook weer eens ‘beleefd’ dat de Heere door de vrouw die Hij heeft gegeven, je terechtzet en op je plaats zet. Best lastig. Verre van eenvoudig. Temeer omdat mijn ‘ruilplan’ is ingegeven door de gedachte om de héle gemeente te dienen. Het gaat niet om sympathie en antipathie in het gemeenteleven. Iedereen gun ik eten. Dat streef je na. De ‘eters’ reageren niet allemaal hetzelfde. Er zijn altijd goede eters en ook slechte eters. Best moeilijk om mee om te gaan.

Natuurlijk is het fijn wanneer mensen zeggen: ‘Dominee, fijn dat u er zelf bent’ of ‘Dominee, blij dat u er weer was’ of ‘Dominee, u moet niet zo vaak weggaan maar meer thuis preken’. Maar het andere is er ook, het zeggen: ‘Dominee, ik krijg geen voedsel’ of: ‘Dominee, ik heb er geen lijn in kunnen vinden en kan er niets van navertellen’. Zou ik dan de laatsten geen brood gunnen? Je staat voor de werkelijkheid: Er is nog nooit een kok gevonden die kon koken naar alle monden. Nu wil ik dat ook niet, preken is geen kwestie van mensen naar de ogen zien en naar de mond praten. Maar wie preekt, wil wel graag dat ieder eet. En misschien kan een ander wel wat ik niet kan. Misschien kan een ander het beter uitleggen, begrijpelijker vertellen, meer aan het hart brengen, enzovoorts. Dienen is ook een stapje terug kunnen doen, er is de zaaiende boer en de natmakende boer, terwijl de wasdom van God komt. De dienst is van niemand afhankelijk. Gods Woord is rijk, bevat vele schatten en God geeft daarin uit te delen. Mag ik ook doen. In de toevertrouwde gemeente en daarbuiten. Opvallend dat gisteren iemand van buiten de gemeente tegen Gabor zei toen ik als gastpredikant had gepreekt: ‘Zeg maar tegen je vader: Verandering van spijs doet eten!’

Dan word ik even blij, kan er een blijde lach bij me af en denk dan ‘tja, zo gaat dat in gemeenten’. Rondreizende predikers is zo gek nog niet. Maar hoe dan ook, het is natuurlijk wel belangrijk dat er gewerkt wordt voor en gegeten wordt van de spijze die blijft tot in het eeuwige leven. Jezus is het Brood des levens. Hopelijk begrijpt u mij en begrijp jij mij wanneer ik zeg dat ook mijn er-niet-zijn, mijn plaats maken voor gastvoorgangers er is om het geheel (!) te dienen, Jan en alleman, klein en groot, geletterd en ongeletterd, oud en jong. De verkondiging gaat tot iedereen uit. En dan bereikt de ene dominee gemeentelid X en de andere predikant gemeentelid Y. Die spreekt mij erg aan, zegt de één; mij minder, zegt een ander. Zo gaat dat. Waarbij de preek te toetsen is aan Schrift en belijdenis. Het moet en zal recht gesneden worden. Wanneer de goede leer gebracht wordt moet niemand zeggen dat de preek geen voedsel is. Het mooie is dat God Zelf het tegendeel wel laat zien. Hij schept de verwondering dat het niet ledig weerkeert. Dit neemt niet weg dat er verschillen zijn. Ik hoor ds. A. zo graag, zegt iemand; neen, zegt een ander, ik ds. P.

Ach, dat is nu eenmaal zo en dat is al veel ouder dan de weg naar Kralingen. In de Bijbel vind je er genoeg voorbeelden en bewijs van. Dat zal altijd wel zo blijven. God deelt gaven ook onderscheiden uit. Daarmee is heel goed te leven.

Het is goed om op de hak te worden genomen. Je ervaart dat je nooit een goeie dominee wordt, het is zo ondermaats en de ander is zoveel beter. Maar….o wonder, het is zo groot nochtans te worden gebruikt, dan zeg je zachtjes tegen de uitermate goede Heere en Meester: ‘Meester, deze boer ploegt wel voort, help hem om rechte voren te trekken’.

Tegen u en jou, tegen u allemaal zou ik willen zeggen: Geniet van de verkondiging die er is en gezegend jij en gezegend u die luisterrijk ontdekt en bevindt: Het is God Die tot mij spreekt. Jawel, ik roem in God, ik prijs het onfeilbaar Woord, ik heb het zelf uit Zij nen mond gehoord. En als laatste, dat is het eerste: Wanneer moeder in de keuken is en de kinderen honger hebben, dan zien ze naar de roep van mama uit….

Wanneer de zondag aanstaande is en de voorgangers in de ‘kraamkamer van de preek’ zijn, dan is het belangrijk dat u en jij bidt….God vraagt….of Hij u en jou wat zal geven, datgene wat goed voor u en jou is. Wat goed is weet Hij alleen! Vroeger werd het nogal eens gezegd: Gemeente, wanneer u mij vol bidt, zal ik u vol preken!

Nooit kan het geloof te veel verwachten.

2.       Krantenberichten (ds. J.W. van Estrik, Goedereede): gelezen in ‘Onder de vijgenboom’ van 25 april 2018 onder de berichten van de Hersteld Hervormde gemeente van Goedereede

In het RD van vorige week donderdag stond een gesprek met de Palestijnse voorganger dr. Naim Khoury die tegen de stichting van de staat Israël zeventig jaren geleden aankeek als vervulling van Bijbelse profetieën. Bijzondere dingen zegt hij, maar daarvoor is de ruimte hier te klein. Een zinsnede luidt waarmee de vraag is beantwoord of hij bang is zijn leven te verliezen: ‘Als wedergeboren christen is mijn leven het eigendom van Jezus; niet van mijzelf’. Aan christenen in Europa richt hij de oproep te ontwaken. Zij moeten weer gebedsleven krijgen, het Woord van God weer gaan bestuderen, een heilig leven voor de Heere gaan leiden, goede getuigen van de Heere Jezus Christus worden en het Evangelie van Jezus Christus zonder vrees en reserves gaan brengen. Hij waarschuwt voor de opkomst van de islam in Europa. Hij zegt: ‘ik ben geen politicus. Maar doe wat. Laat de regering limieten stellen waar het gaat om het aantal moslims dat het land in mag, of voorkomen dat deze mensen stemrecht krijgen. Kijk naar Rotterdam, met inmiddels een Marokkaanse burgemeester. Vroeg of laat krijgen jullie een moslimpremier. Willen Nederlanders dat? Ik denk het niet, maar zij slapen. Ontwaak Europa, denk om de toekomst, ook van jullie kinderen en kleinkinderen. De islam verspreidt zich als de kanker. Voor je het weet, is het hele lichaam aangetast’. Terwijl Elvira, de echtgenote, de vraag stelt of hij dat woord ‘kanker’ wel moet gebruiken, zegt hij: ‘Zeker. Zelfs moslimleiders gebruiken het. Het is een feit. Zorg dat er christenen in de regering komen. Waarom? We hebben meer christenen nodig, die de Heere Jezus liefhebben. Als parlementslid, minister, premier. Nogmaals: doe wat, voordat je spijt krijgt’.

In dezelfde krant van donderdag is de restauratie van de Oude Kerk in Scheveningen vermeld. Zondagmorgen hoop ik weer in die kerk voor te gaan. Over die Oude Kerk in de Keizerstraat van Scheveningen is verslag gedaan van een restauratie. De kerk is anders ingericht, het kerkinterieur is klaar voor multifunctioneel gebruik. Het heeft een reden: ‘De kerkelijke gemeente vergrijst en heeft daardoor moeite om de kosten voor het onderhoud op te brengen. Het gebouw wordt daarom op doordeweekse dagen steeds vaker verhuurd. Zo hopen we ervoor te zorgen dat de kerk in gebruik kan blijven voor de eredienst’.

Over kerkdiensten wordt nog iets gezegd. ’s Morgens 50 en ’s middags een kleine 50. Over wat groei is gesproken omdat een sfeervol kerkgebouw nieuwe bezoekers aantrekt. Met lichte verbazing valt te constateren dat van het gebruik van de kerk door de kleine gemeente Thabor van onze voortzetting van de Vaderlandse Kerk in de vroege morgen en om 15.00 uur in de middag met geen woord wordt gerept. Ook dat zorgt voor onderhoudsgelden én….dat is toch ook een moment op de zondag van kerkgebruik waarvoor deze Oude Kerk bedoeld is?

Met een beetje een ondeugende glimlach is dit kleine hiaat van de krant die de diensten wel in Kerktijden vermeld (!) alsnog gevuld.

Voor wat betreft de afgelopen zondag stonden er in totaal drie diensten in de Oude Kerk vermeld. Geciteerd: Prot. Gem. Oude Kerk 10.30 ds. F. v.d. Bosch; Herst. Herv. (in Oude Kerk) 8.45 kand. J. Lankhaar, 15.00 kand. L.D.A. Hartevelt. Om het voorzichtig uit te drukken, momenteel kan de waarheid zijn dat er meer kerkdiensten van de Thaborgemeente per maand in de Oude Kerk van Scheveningen gehouden worden dan van de Protestantse Gemeente.

 

3.       De belijdenis vasthouden (ds. G.T. van Appeldoorn, Melissant): gelezen in ‘Onder de vijgenboom’ van 25 april 2018 onder de berichten van de Hersteld Hervormde gemeente van Melissant

De droevige datum van 1 mei nadert weer. Het is inmiddels 14 jaar geleden dat we achterbleven en het besluit van onze synode werkelijkheid werd, velen gingen de PKN binnen en we konden niet mee. Dit heeft te maken met de nieuwe kerkorde, de plaats die de belijdenis van de kerk in deze kerkorde heeft gekregen en de ruimte die geboden wordt aan kerkelijke gemeenten om tegen Gods Woord in te gaan op ethische terreinen. Het betekent niet dat wij laatdunkend of hardvochtig moeten zijn jegens hen die wel de PKN ingingen, zeker niet. Dit betekent ook niet dat wij in onenigheid met andersdenkenden moeten leven, verre van dat. Het betekent echter wel dat wij heel persoonlijk het Woord Gods en de belijdenis vast moeten houden. Om te staan in de lijn van ons hervormd voorgeslacht is het goed om ons te verdiepen in de ‘grote theologen’ van de vorige eeuw, zo ook in de werken van ds. I. Kievit. In deze lijn willen we staan, ook al is het een bloem waarvan vele blaadjes afgevallen zijn en de kerk der vaderen hopeloos verscheurd is. Ik geef u hieronder een gedeelte van ds. I. Kievit weer, getiteld: ‘De belijdenis vasthouden’, gehouden voor de Mannenbond van de NHK in 1948 met het oog op artikel 10 van het Ontwerp-Kerkorde (kerkorde in wording vastgesteld in 1951).

‘De belijdenis van de hoop dus ligt in het Woord en de kerk leeft uit dit Woord van God, het getuigenis des Heeren. Zo heeft de kerk der eeuwen geworsteld om in eigen taal, vooral ook daartoe genoopt door de dwaalgeesten, een vaste vorm te geven in het heden van die belijdenis van de hoop. Zo ontstonden belijdenisgeschriften. Denk maar aan onze drie Formulieren van Enigheid. Hierin wordt het gemeenschappelijk geloof van de Gereformeerde kerken gevonden en in die zin is de belijdenis akkoord van kerkelijke gemeenschap. Tevens is de belijdenis symbool, veldteken, waaromheen wij worden vergaderd tot de strijd van het geloof. Ook is deze belijdenis kerkrechtelijke norm, maatstaf voor de tucht. De belijdenis in de Schrift is gesloten, de belijdenis in de belijdenisgeschriften is open. Maar alleen op grond van het Woord van God kan zij veranderd worden en zo nodig naar en uit het Woord worden aangevuld door de kerk des Heeren, die deze belijdenis waarlijk belijdt en er de uitdrukking in vindt van wat zij gelooft en hoopt.

De Heilige Schrift is de enige regel van het geloof: om ons geloof daarnaar te reguleren, daarop te gronden en daarmee te bevestigen (artikel 5 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis). De kerkelijke belijdenis diende steeds om de eendracht te bewaren, om de ketters aan hun dwalingen te ontdekken, de leraars eendrachtig te houden en de hemelse leer zuiver aan het nageslacht over te leveren en door te geven. Tot dit levend belijden nu komen wij alléén door het werk van de Heilige Geest in onze harten door wedergeboorte en bekering, geloof in de Zaligmaker. En nu is enerzijds de werkelijkheid zó, dat de hemelse leer wordt verworpen door een brede schare in onze aloude Vaderlandse Kerk, en aan de andere zijde doet het feit zich voor dat de belijdenis steeds meer een document dreigt te worden, omdat het levende belijden ontbreekt in brede kringen, die wij dan ook moeten waarschuwen en oproepen tot geloof en bekering. Laten wij toch bedacht zijn, mannen broeders, op dode orthodoxie, die zich wel zeer fanatiek kan uiten, maar gevaarlijk is, evenals de ketterij. We kunnen eraan te gronde gaan in farizeese ijver en eigengerechtigheid. Kom, leggen wij elkaar de vraag voor: wie is de Christus voor ons? Schreit ons hart naar Jezus als wij belijden: tot Wie zullen wij heengaan, Gij hebt de woorden van het eeuwige leven? Wat hebben wij anders te belijden! Is het voor u en mij: Die onze zonden gedragen heeft op het hout! Gewassen in Zijn bloed, gereinigd door Zijn Geest. De Heilige Geest leidt ons in in de verborgenheden van het Woord en van de genade’.

4.       De Dordtse Synode van 1618-1619 (13; ds. W. Pieters, Garderen): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 13 april 2018 onder de berichten van de Hersteld Hervormde gemeente van Garderen

Niet alleen sprak men over catechismusdiensten, ook – en tamelijk uitgebreid – over catechisatielessen:

“Omdat ook de Kerken klagen, en de ervaring zelf leert, dat de verklaring der catechismusleer die tot nog toe in onze kerken gebruikelijk is, en openlijk in de kerkgebouwen van de predikstoel gedaan wordt, niet genoeg is, om de onwetende jeugd de eerste fundamenten van de christelijke religie naar hun begrip gepast in te scherpen, en om de menigte in het algemeen haar onwetendheid te benemen, is aan de ganse synode verzocht, dat zij een geschikte weg wilde bedenken, die bij de catechismuspreken kon dienen om de jongeren en ouderen die nog niet genoeg zijn toegenomen in de kennis van de gereformeerde christelijke religie, meer nauwkeurig te onderwijzen.”

Aan al de buitenlandse afgevaardigden werd gevraagd om een verslag te doen hoe in hun land catechisatie werd gegeven en om de synode te adviseren hoe men het beste dit belangrijke werk kon doen.

De afgevaardigden van Engeland kwamen als eerste aan het woord. Zij zeiden onder andere:

“Omdat er tweeërlei gelegenheid is om over de heilige hoofdstukken van het geloof te handelen (namelijk de ene, die elke zondag gebeurt, de andere die plaatsvindt wanneer men na behoorlijke voorbereiding tot het H. Nachtmaal gaat) kunnen de predikanten deze gelegenheid waarnemen om vriendelijk ook met volwassenen te spreken over de zaken van het geloof.

Ook vinden wij, dat bij het gewone onderzoek wel mensen van allerlei jaren aanwezig zijn, maar dat alleen de jongeren verplicht zijn de antwoorden op te zeggen. In de heilige bijeenkomst na de middag moeten er een stuk of vijftien op de catechetische vragen antwoorden. En zij mogen niet weten van wie men het antwoorden zal eisen, zodat zij allen goed voorbereid zijn.

Laat men ook dikwijls dezelfde vragen herhalen, zodat ze door menigvuldige instamping des te vaster in het geheugen blijven steken.

Laat de predikant elk antwoord, zo duidelijk als hij kan, verklaren, en wanneer hij hiermee klaar is, meteen rekenschap vragen van zijn leerlingen over wat er gezegd is, zodat op die manier blijkt, of wat hij gezegd heeft, wel genoeg gevat is. Als dit uit hun antwoorden blijkt, kan hij gerust zijn, maar zo niet, laat hij geen bezwaar maken om een duidelijkere verklaring te geven.

Het zal ook nodig zijn om tot bevestiging van elk antwoord, een getuigenis der heilige Schrift te vragen, zodat zij verstaan, dat deze leer van de catechismus in de heilige Schrift gegrond is.

Wat betreft wie gecatechiseerd moeten worden, zijn wij van gevoelen, dat het niet moet beperkt worden tot de jeugd die een hogere opvoeding geniet. Alle zielen zijn voor God even aangenaam, en hoe minder zij onderwezen zijn in de letteren, hoe meer zij het nodig hebben, dat hun wat licht van elders toekomt, zodat alle gedoopten verstaan de ganse reden van dat geloof, waartoe zij zich bij belofte verplicht hebben.

Wat nu hen aangaat die catechisatie geven, moeten de schoolmeesters hun arbeid bijeen voegen met de predikanten, want beiden komt de zorg toe om de godzalige onderwijzing van iedere ziel, naar hun vermogen, te bevorderen. Opdat nu zowel zij die catechisatie krijgen als zij die catechisatie geven, hun plicht niet nalaten, is het nodig dat het gezag van de overheid er bij komt, die nalatige ouders, schoolmeesters en predikanten niet ongestraft laat, en ook op geldboete de ouderen beveelt aanwezig te zijn bij de openbare catechisatie van de jongeren.”

5.       Honderd jaar SGP (2; dhr. J.P. Sinke, Krabbendijke): gelezen in Kerkelijk Nieuws Gereformeerde Gemeenten, classis Tholen van 20 april 2018

Op 26 juli 1922 doet de bijna 40-jarige ds. G.H. Kersten zijn intrede in de Tweede Kamer. Deze stap op het politieke erf wordt niet door iedereen gewaardeerd. Ook niet in eigen kring. Zo steken ds. A. Verhagen en ds. D.C. Overduin niet onder stoelen of banken dat een predikant niet in de politiek thuishoort. En ook bij ouderling Arend Baan uit Rijssen is het Kamerlidmaatschap van ds. Kersten een doorn in het oog. Vanaf 1922 wordt hij dan ook niet meer uitgenodigd om in de Eskerk voor te gaan. Vanuit het uitgangspunt dat het volk moet worden teruggeroepen ‘van de schrikkelijke verwaarlozing van de heilige beginselen van Gods Woord’, levert ds. Kersten talloze bijdragen aan het politieke debat. Zo uit hij herhaaldelijk zijn diepe verontrusting over het nalaten van de heiliging van de zondag bij overheidsdiensten, spreekt hij zijn waardering uit voor een voorstel tot afschaffing van de staatsloterij en wijst hij oogluikende toelating van ‘lijkverbranding’ af. Ook verzet hij zich met succes tegen de vaccinatiedwang en bepleit hij een vrijstelling van gewetensbezwaren in verband met verplichte verzekering. Uit deze zaken blijkt wel, dat hij oog heeft voor de tijd waarin hij leeft en zeker niet als ‘wereldvreemd’ kan worden aangemerkt. Ook schuwt hij de discussie met bewindslieden niet. Zo doet hij in 1924 een beroep op minister Th. Heemskerk om openlijke ongeloofspropaganda te verbieden. Volgens ds. Kersten mag de overheid niet toestaan dat er in de Wagenstraat in Den Haag een man met een handkar rondrijdt, waarop een groot bord staat met de tekst: ‘God is het grootste kwaad’. De minister is echter van mening dat de overheid hierin geen taak heeft.

Bekend uit de geschiedenis is ook ‘de nacht van Kersten’, in november 1925. Bij de behandeling van de begroting van Buitenlandse Zaken dient ds. Kersten een amendement in om het gezantschap bij de paus te beëindigen. Als dit met 52 tegen 42 stemmen wordt aangenomen, betekent dit de val van het eerste kabinet-Colijn.

Hoewel er nog veel meer over de politieke arbeid van ds. Kersten te vermelden is, vat ds. M. Golverdingen zijn werk als volgt samen: ‘Hij heeft in de Kamer, brandpunt van de landspolitiek, opnieuw met kracht de bijna geheel verwaarloosde theocratische visie op overheid en volk naar voren gebracht. Ook al is deze visie niet voor elk veld van politieke activiteit volledig uitgewerkt, zijn onomwonden stellingname tegen een neutrale overheidsidee en het appèl om als overheid naar de gehele Wet Gods te regeren en de Heere in het publieke leven eer te bewijzen, maken hem voor het gereformeerde volksdeel tot een theocratisch politicus van blijvende betekenis’.

Na een bijzonder werkzaam leven overlijdt ds. Kersten op 6 september 1948 betrekkelijk onverwachts op de boerderij ‘Puthoek’ te Waarde, in de leeftijd van 66 jaar. Drie dagen later wordt hij in Rotterdam begraven. Eén van de sprekers tijdens de rouwdienst is ds. P. Zandt, met wie ds. Kersten vanaf 1925 in de Tweede Kamer heeft gezeten: ‘Weemoed en droefheid vervullen mijn hart. Een hooggeschatte vriend, waarmede ik tal van jaren in de beste harmonie heb mogen omgaan, is mij thans door de dood ontvallen. Ik gevoel daarvan diep en smartelijk het gemis. Wonderlijk zijn wij tezamen gekomen. Wij hebben elkander niet gezocht, noch ds. Kersten mij, noch ik ds. Kersten. De blanke, vrije, soevereine genade Gods heeft ons tezamen gebracht. Dat is door geen mens geschied. Ik wens met ootmoedige dank aan de Heere te gedenken wat hij door Diens nederbuigende goedheid voor ons vaderland en volk en voor de SGP in het bijzonder heeft mogen doen. Hoe dikwerf heeft hij in ’s lands hoge vergaderzaal ons volk tot bekering en tot het verlaten van de paden der zonde aangemaand! En daarom, wetende geheel in de geest van ds. Kersten te handelen, ga ik dit gedeelte van mijn toespraak besluiten met: Land, land, land, hoort des HEEREN Woord’.

6.       Uit de herdershut: Zwolle (ds. M. van Reenen, Oldebroek): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 27 april 2018 onder de berichten van de Hersteld Hervormde gemeente van Oldebroek

‘ Weet u hoe dat we in Putten doen? Om de beurt gaat één van de kerkenraadsleden mee als we gaan evangeliseren!’

Zo sprak dhr. Bloed, toen hij met dhr. J.D. Liefting mee was op de avond over evangelisatie (18 februari). Die opzet leek me de moeite van het overwegen waard. Iedere  maand is er in het centrum van de grote stad Zwolle een evangelisatieactie, waarbij ook één van onze gemeenteleden betrokken is. Maar voor de meesten van ons is dit onbekend werk. En om het dan ineens ‘voor vast’ op te pakken, dat is een hele stap! Maar het is wél goed als we er een keer aan ‘geroken’ hebben, dacht ik zo. De leden van onze zendings- en evangelisatiecommissie, de leden van de kerkenraad. Maar…als ik het anderen aanraadt, kan ik dan zelf achterwege blijven? Welnee! En toch…toch schuif je het ook als predikant gemakkelijk voor je uit. Want vroeger heb ik dit werk wel gedaan, maar dat is toch een jaar of 15 geleden. En dan ga je er wel weer tegenop zien. En in de gemeente is nog zo veel werk.

Jawel, maar buiten de gemeenten zijn zó veel mensen ook. Mensen die van God nauwelijks weten en van Jezus Christus al helemaal niet. Terwijl wij belijden dat er onder de hemel geen andere Naam aan de mensen gegeven is door Welke wij moeten zalig worden. Dan zijn zij verloren aan het gaan.

Mássa’s mensen, hollend naar hun ondergang. Zou ik hen dan niet toeroepen dat er een uitweg is? Zou ik dan achter kunnen blijven bij die mannen die week in week uit tussen de onwetenden gaan staan? Ik heb mij maar aangemeld en ben meegereden op die vrijdagmiddag.

Een impressie. Een stralende middag, een mooie binnenstad, een prachtplek voor de evangelisatiekraam – en horden mensen. Enkele toeristen, veel shoppers. Druk met dingen van dit aardse leven. Sommige van de medewerkers stappen veelvuldig en vrijmoedig op voorbijgangers af. Ik ben wat afwachtender. Ga naast de kraam staan, waar een spandoek hangt met Johannes 14 : 6. De mensen lopen langs, zien de kraam, lezen de eerste woorden van de tekst en…wenden hun gezicht af. Bijna allemaal. Want de tekst begint met ‘Jezus’, en dan weten mensen wel dat het over het geloof gaat, en daar hebben zij geen zin in. In elk geval niet nu, op deze mooie zomermiddag vol gezelligheid en ijsjes en Primark-tassen. Het is misschien maar tien procent die de moeite neemt om wat langer te kijken om de héle tekst te kunnen lezen. Ik krijg de kans om hen te groeten – maar ook de meesten van hen draaien hun gezicht vervolgens weg. Als er wél oogcontact is spreek ik hen aan.

‘Mooie tekst hè?’

Verschillenden beamen dat, maar houden er geen tel hun pas voor in. Anderen wijzen het direct af: ‘Nee, ik heb daar geen belangstelling voor’. ‘Maar misschien heeft God wel belangstelling voor u?’

‘Dat zegt mij niets’. En verder gaat het weer, de winkelstraat door, en de eeuwigheid tegemoet….

Het zijn – zo valt mij op – vooral schoolkinderen en allochtonen die de tijd nemen voor een gesprekje. Misschien hebben zij ook meer tijd, maar zij némen die ook. Een man uit Irak zit op een stoepje. Als ik hem aanspreek legt hij zijn telefoon direct weg. Zijn Nederlands is wat gebroken, maar we hebben al gauw een gesprek over de godsdienst. Hij is moslim, maar leefde vroeger altijd eensgezind samen met christenen. Denkt dat zij ook wel in de hemel zullen komen als ze goed genoeg geleefd hebben. Maar kun je dat zeker weten? Nee, hópelijk vergeeft Allah je straks. Ik mag zeggen te weten dat God mij nu al  vergeven heeft. Een Nieuwe Testament neemt hij welwillend aan, al wil hij er liever een tasje bij, want als ze het zouden zien dan zou dat problemen kunnen geven. Zo heb ik een heel klein beetje kunnen zeggen, maar God zegt door Zijn Woord veel meer. Als hij wegloopt blijft het gebed over, of Hij Zelf voor Zijn Woord in wil staan.

En dan is het al gauw zondag. ’s Morgens een preek over de brede en de smalle weg. Hoe veel mensen in de gemeente lopen op de verkeerde, de dodelijke weg….?! Hoe ligt dat met u? Er is haast! Voor wie op de brede weg loopt om zich te bekeren, voor wie door genade op de smalle weg mag gaan om anderen te waarschuwen. De Heere zegene Zijn Woord onder ons en om ons heen.

7.       Zoeken van de dingen die boven zijn (ds. R.P. van Rooijen, Oosterwolde): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 20 april 2018 onder de berichten van de Hersteld Hervormde gemeente van Oosterwolde

We kozen voor u ter lezing een stukje over Kolossenzen 3 : 1-4, het gedeelte dat afgelopen zondag tijdens de belijdenisdienst aan de orde kwam. Het is van de hand van wijlen ds. C.B. Holland, laatst predikant te Putten. We plaatsen het in twee delen.

‘Alles komt hierop neer, dat wij ons houden aan de gekruiste en opgestane Christus. Gestorven om onze zonden, opgewekt om onze rechtvaardigmaking. Hij leeft nu en heeft alle macht in hemel en op aarde. Hij is machtig en gewillig om de Zijnen te helpen en bij te staan. Hij heeft Zijn oog geslagen op Zijn volk. Hij woont hoog, maar ziet zeer laag. Hij kent de macht der zonde. Hij weet, hoe de zonde ons kan bedroefd maken tot de dood toe, want dat heeft Hij Zelf ondervonden in Gethsémané. Hij weet welke verzoekingen er in ons kunnen geschieden en met welke kracht de bekoring en verleiding der wereld op ons kunnen aankomen. Hij weet, dat wij ons zelf uit de macht des satans niet kunnen bevrijden en dat satan een bondgenoot heeft in ons eigen vlees en hart. En juist, omdat Hij weet dat het ons onmogelijk is de wil des Heeren te doen en zalig te worden, is Hij gekomen en heeft de zonde in Zijn vlees teniet gedaan, heeft de macht des duivels verbroken, ons de gerechtigheid en het leven verworven en heeft Zich gezet aan de rechterhand Gods in de hemelen, om ons zekerlijk de verworven zaligheid te doen beërven.

Hij is niet opgestaan voor Zichzelf, maar ten onzen nutte. Hij is ook ten hemel gevaren ten onzen nutte en is ons ten goede daar.

Zo dan, indien wij leden van Christus zijn, zullen wij zoeken de dingen die boven zijn. Dit is zo zeker waar, dat Paulus aan de Filippenzen schrijft: onze wandel is in de hemelen. Het kan niet anders, waar onze schat is, daar is ook ons hart.

‘Indien gij dan met Christus opgewekt zijt’, zo schrijft Paulus. Meent niet, dat hij met deze woorden u op uzelf terugwijst. Deze woorden willen niet zeggen: gij moet eerst zeker zijn, dat gij met Christus opgewekt zijt. Of: zoek in uzelf, of gij gevoelt, dat gij met Hem opgestaan zijt. O neen, want dan zou Paulus ons aansporen om de Levende te zoeken bij de doden, terwijl hij daarentegen ons juist aanspoort om het leven niet bij onszelf te zoeken, maar boven.

Gij moogt deze tekstwoorden zo ernstig mogelijk toepassen, zo ge maar niet meent, dat Paulus u met deze woorden op uzelf terugwerpt. Kom gerust tot uw ziel met de vraag: mijn ziel, zijt gij met Christus opgewekt? Houd voortdurend die vraag uzelf voor. Maar weet, dat gij het antwoord boven zult moeten zoeken. En dan geeft de Heilige Geest u niet dit antwoord: ja, gij zijt met Christus opgewekt. Nee, de Heilige Geest zal, zo u het waarlijk nood is, om een antwoord te ontvangen, Christus u voor ogen stellen in Zijn beminnelijkheid en dierbaarheid voor een doemschuldige ziel en zo in u werken een hartelijk toevlucht nemen tot Hem en een hartelijk vertrouwen in Hem.

‘Zijt gij met Christus opgewekt?’

Aan die vragen moeten altijd andere vragen zijn vooraf gegaan.

Vragen als deze: zijt gij een zondaar, een verloren zondaar voor God?

Zijt gij geheel en al zonde voor God?

Zijt gij beladen met deze last, dat al het bedenken uws vleses vijandschap tegen God is?

Is dat de steen die u in het graf houdt?

Gelooft gij, dat Jezus de zonde meenam naar het kruis?

Dat Zijn bloed vergoten is tot vergeving der zonde?

Dat Hij verlaten is geweest van God Zijn Vader en zo onze eeuwige vloek droeg?

Gelooft gij dat dit werkelijk is geschied en volbracht?

Verlaat gij u op dat offer, als op de enige grond uwer zaligheid?

Van nature liggen wij niet op die grond. Zo zullen u dus vele valse gronden door God ontnomen zijn. Ja, u zal ontdekt zijn, dat alle gronden vals zijn, zodat ge uzelf zag zonder grond voor de eeuwigheid. Gelooft gij, dat Hij opstond uit de doden, dat Hij opstond om ons toe te brengen, wat Hij op Golgotha voor ons uitwerkte?

Dan de vraag: gelooft gij, dat gij met Hem opgewekt zijt?

En op die vraag verwachten wij nu geen ‘ja’, want degenen die met Christus is opgewekt, diens dode en slapende consciëntie is wakker geschud door de Heere, en diens geweten is zeer gevoelig voor de zonde en het ongeloof, dat hij in zich bevindt. Zo iemand weet dat het hem onmogelijk is te geloven, even onmogelijk als hij die berg kan opnemen en in de zee werpen. Maar hij werpt zich toch tegen alle onmacht, zonde, schuld en rechtvaardige veroordeling in neer in de armen van de opgestane Zaligmaker Jezus, op genade of ongenade. Daar is een doorbreken, een heilig doorbreken door alle rotsen der verhindering, ten spijt van satan en van alle zonden, die het willen verhinderen. Dat is het waarachtig opstaan uit de doden, hetwelk niet is van mij, noch van vlees en bloed, maar van de Heilige Geest.

Hoe wil ik toch ervaren, dat ik door Zijn kracht opgewekt wordt tot een nieuw leven, indien ik niet telkens mijn dood in zonden en misdaden en diens bitterheid proef! Hoe wil ik de macht van Jezus’ opstanding ondervinden, als ik niet voortdurend leer, in welk een algehele onmacht ik mij door mijn moedwillige ongehoorzaamheid heb gebracht! Daarom, zo gij met Christus opgewekt zijt, zult gij wel dikwijls, evenals Petrus, met een ‘Heere, Gij weet alle dingen’ als een ten dode toe bedroefde vanwege de zonden aan Jezus’ voeten neervallen. Maar evenmin als een vis op het droge kan leven, evenmin kan een discipel van Jezus in de zonde leven.

Ach, laat niemand zich bedriegen! Dat niemand ‘drome van een opgewekt zijn met Christus’, die nog met de zonde, de wereld en zijn eigen vlees vrede heeft. Ook niemand, die het in zijn geestelijke dood en zondige onmacht uithouden kan. Onderzoekt uzelf nauw, ja zeer nauw.

Met Christus en in Christus opgewekt beginnen wij onszelf te sterven. Niet dat wij onszelf doden, o neen, maar de Heere brengt aan onze ziel en aan ons eigen ik de dodelijke wonde toe door Zijn Geest en Woord. Paulus zegt: dat hij altijd de doding van de Heere Jezus in zijn lichaam omdroeg. Want wij die leven worden altijd in de dood overgegeven om Jezus’ wil. Daarom juist, omdat onze ziel hier op aarde geen rust vindt voor het hol van haar voet, zullen wij leren zoeken de dingen die boven zijn’.

8.       Voor u gelezen: Geen eerlijk man te vinden (ds. R. van de Kamp, Putten): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 20 april 2018 onder de berichten van de Hersteld Hervormde gemeente van Putten

De Hindoes vertellen de volgende geschiedenis:

In zijn cel opgesloten, wachtte een ter dood veroordeelde dief op de voltrekking van het vonnis en dacht er over na, hoe hij zijn leven zou kunnen redden. Eindelijk had hij een plan bedacht. Hij zond iemand naar de cipier en liet hem zeggen dat hij een groot geheim aan de koning wenste mee te delen, waardoor zijn koninklijke meester onnoemelijk rijk kon worden, maar dat hij dit slechts persoonlijk aan de koning zelf kon vertellen. Deze boodschap bereikte de koning en deze beval de veroordeelde dief voor hem te brengen.

Na heel wat buigingen en eerbewijzen begon de man eindelijk aan de koning te vertellen dat hij een geheim kende om een boom te laten groeien, waaraan goud zou groeien, zoals vruchten aan een boom en hij bood aan onmiddellijk de proef op de som te nemen en te bewijzen wat hij gezegd had. De koning keek natuurlijk min of meer ongelovig en verbaasd, maar dacht dat het voor hem misschien wel mogelijk zou zijn zichzelf te verrijken door de kennis van deze man en daarom gaf hij bevel de dief uit de gevangenis te leiden naar de tuin van zijn paleis. Daar kwam de koning dan ook zelf, vergezeld van zijn minister van financiën en slechts enkele anderen van zijn hoogste gunstelingen.

De dief zocht een plekje uit en terwijl hij een gouden munt uit zijn lompen tevoorschijn haalde, zei hij: ‘Wanneer deze munt hier op deze plek in de grond gestoken wordt, dan zal er een boom uit groeien, welks takken beladen zijn met grote trossen goudstukken, evenals druiventrossen aan een wijnstok. Maar er is nog een vereiste, die daartoe in acht genomen moet worden en wel deze: zij moet geplant worden door de hand van een mens, die nog nooit een verkeerde of oneerlijke daad heeft begaan. Mijn handen zijn niet rein en daarom geef ik de munt aan uwe Majesteit de koning en ik verzoek u de munt te planten’.

De koning nam werktuigelijk de munt aan, hield haar enige seconden zenuwachtig in de vingers en gaf haar daarop over aan de minister van financiën, terwijl hij zei: ‘Ik herinner mij, dat ik eens in mijn jeugd uit de schatkamer van mijn vader een klein bedrag genomen heb en daarom geloof ik, dat het beter zal zijn dat mijn minister haar maar plant’.

De minister zette een lang gezicht en zei: ‘Majesteit, het zou mij erg spijten, als deze interessante proef kans zou moeten lopen te mislukken, doordat ik misschien één of andere zaak eens over het hoofd heb gezien. En daar ik de belastingen van het volk in ontvangst moet nemen en daardoor aan zoveel verzoekingen blootgesteld ben, is het heel wel mogelijk dat ook mijn handen niet geheel en al rein zijn. En daarom overhandig ik met de goedkeuring van uwe Majesteit de munt maar liever aan de generaal’.

Maar de generaal bedankte hoffelijk voor de eer en had er ook maar liever niets mee te maken. Met zware stem riep hij: ‘Nee, nee, ik heb de zorg over het geld voor het leger en de soldij van de soldaten. Geef de munt maar aan de priester’.

Maar daarop was de priester niet voorbereid en ook hij voelde geen lust de verantwoordelijkheid voor de geschiedenis op zich te nemen. Hij zei: ‘U vergeet, dat ik de tienden van het volk ontvang en het offer breng. Ik kan de munt niet nemen’.

Toen zei de dief: ‘Uwe Majesteit vergeve mij de vraag, maar waarom willen ze mij dan als dief ophangen, wanneer niet één van de vier hoogste personen van het koninkrijk wil instaan voor zijn eerlijkheid?’

De koning zag in hoezeer de dief de waarheid gesproken had en liet hem in vrijheid stellen.

9.       Sint Maartensdijk (ds. W.J. op ’t Hof, Gameren): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 6 april 2018 onder de berichten van de Hervormde gemeente van Driedorp

Oude schrijvers

Pas geleden preekte ik in een gemeente die mij als kandidaat beroepen heeft en waarin ik in tientallen jaren niet meer het Woord had bediend. Ik mocht de zondag overblijven bij een gemeentelid. Zijn huis onderscheidt zich van al mijn andere logeeradressen. Niet dat het huis een paleis is, of een krot. Het heeft echter een inboedel die mij trekt. Dat huis staat vol boekenkasten en die kasten staan vol met oude schrijvers. Nou, dan ben ik verkocht. Mijn gastheer en ik hebben aangename gesprekken gevoerd. Ze gingen over het geestelijke leven, maar ook andere onderwerpen kwamen ter sprake. Het bleek mij dat mijn gastheer zo goed ingelezen is in de oude schrijvers, dat hij zaken vertelde die ik niet wist. Dan moet je professor zijn in de geschiedenis van de oude schrijvers en erachter komen dat een gemeentelid op bepaalde punten daarvan meer weet dan jezelf. Je word zo met beide benen op de grond gezet. En ik kan wel zeggen dat ik ervan genoten heb. Dat kom ik niet elke maand en zelfs niet elk jaar tegen dat een gemeentelid mij onbekende zaken uit de geschriften van de oude schrijvers weet te verhalen en op mijn vraag waar dat staat, uit zijn hoofd antwoord weet te geven. Daar ga je dan met al de kennis die je meent te hebben.

Bekeerde Jood

Zo wist mijn gastheer mij te vertellen dat een twintigste-eeuwse uitgever van twee geschriften van de vader der Nadere Reformatie, Willem Teellinck – van wie ik dacht alles te weten – een bekeerde Jood was en dat deze op een heel wonderlijke wijze in aanraking was gekomen met zijn voorgeslacht. De man heette Eliëzer van Praag en leefde van 1878-1958. Over de weg die de Heere met hem had gehouden, had hij een boek geschreven dat als titel droeg Ervaringen van een Israëliet voor en tijdens de oorlog. Tijdens zijn eerste huwelijk opende de Heere zijn ogen en bracht hem tot een waar geloof en een oprechte bekering. Het gevolg was dat zijn eerste vrouw, die een echte Jodin was en dus niets van Jezus moest hebben, zich van hem liet scheiden en al hun kinderen meenam.

Er was een vrouw die in Tholen woonde, die het genoemde boek van Van Praag had gelezen en tegen de opa van mijn gastheer had gezegd: ‘wat zou ik die man graag een keer ontmoeten’.

Enige tijd daarna kwamen die opa en een oom van mijn gastheer terug van de graanbeurs in Rotterdam. Onderweg, wat nu de A-16 is, stond een man met een hoed op te liften. Eerst reden ze voorbij. Toen zei die oom: ‘ik geloof vast dat dat een bekeerde man is’.

‘Sufferd’, zei toen zijn vader, ‘waarom stop je dan niet? Omdraaien’.

Dat kon toen nog op de A-16. Bij de lifter aangekomen, draaide de opa het raampje naar beneden en vroeg: ‘Wie bent u en waar moet u naar toe?’

Hierop antwoordde de lifter: ‘Ik ben Eliëzer van Praag en ik weet niet waar ik naar toe moet’.

Hierop zei de opa: ‘Wel man, stap in, want in Zeeland is er een vrouw die allang naar je komt heeft uitgezien’.

En zoals gezegd, zo gebeurde dit ook. Zo kwam Van Praag bij de familie van mijn gastheer terecht, waar hij regelmatig weken logeerde.

De eerstvolgende zaterdag, het was dan altijd beurs in Tholen, nam de opa Van Praag mee naar die vrouw. Hij ging met hem naar binnen en zei tegen de vrouw: ‘Ik heb een vriend voor je meegenomen, waar je allang naar hebt uitgezien, de Jood Van Praag’.

Toen zei Van Praag tegen de vrouw: ‘Dus u was ook benieuwd naar die bekeerde Jood?’, waarop zij zei: ’Nee hoor, want die zit hier’, waarop ze op haar borst sloeg.

‘Maar’, zei ze: ‘ik ben benieuwd naar het werk Gods dat in uw leven is geopenbaard, daar wil ik van horen’. Nu, dat mocht gaan, en het is vriendschap gebleven totdat hij in 1958 stierf.

Tobber

Zo aangenaam het verblijf was, zo problematisch was het begin. In vroeger tijden kwam ik nogal eens later dan afgesproken bij mijn logeeradres aan. Ik was weer eens aan het dwalen gegaan. Soms was het de tiende keer dat ik op een adres moest zijn en dan ging het toch weer fout. Op het laatste vroeg ik maar een routebeschrijving. Sinds ik in mijn huidige oude, trouwe vierwieler rijd, is het probleem om goed uit te komen grotendeels verdwenen. Voor dwaallichten op de weg, zoals ondergetekende, is een navigatiesysteem een nooit genoeg geprezen uitkomst. Althans….als het goed gaat.

Die zaterdagavond ging het dus niet goed. Ik had afgesproken dat ik laat in de avond aan hoopte te komen, circa 23.00 uur. De lezer zal denken: ‘Dat is ook geen fatsoenlijke tijd’, maar het excuus was dat mijn ex-verloofde op die dag jarig was en dat ook op die avond met de kinderen vierde. En om als vader dan al vóór 21.30 uur de familiekring te verlaten, is ook wat. Het was al iets later geworden, maar de reis verliep voorspoedig. Totdat….ik te laat in de gaten had dat ik af had moeten slaan naar Tholen. Volgens het navigatiesysteem was de afrit iets verderop, maar de situatie was kennelijk veranderd. Dat heb je ervan als je een systeem hebt dat jaren achterloopt. Mijn lieve vrouw zegt dan dat dit bij mij past. En wat mijn kinderen al niet mopperen over die oude kar die al ruim 400.000 km. heeft gereden, is niet gepast voor de Veluwse Kerkbode.

Al met al kon ik vele kilometers later de volgende afrit af. Maar dan moet je de hele weg ook weer terug. Mijn humeur was al aardig gezakt. Dat werd er niet beter op toen ik in de straat kwam waar mijn gastheer woonde. Het was een weg buiten het dorp, met hier en daar een huis. Op de Veluwe heb je de huisnummers als duidelijke bordjes aan de kant van de weg. De man die dat uitgevonden heeft, moeten ze een lintje geven. In het Zeeuwse hebben ze daar nog nooit van gehoord. Dus ik bij een paar huizen gestopt, uitgestapt en naar het huisnummer gekeken. Dan kom je er achter dat men op het platteland zich veelal niet om zo iets stads als een goed zichtbare benummering bekommert. Ik kon in het donker geen nummers onderscheiden. En om op zaterdagavond om 23.15 nog aan te bellen, zag ik niet zitten. In lichte paniek reed ik maar verder. Toen was er evenwel helemaal geen huis meer te bekennen. Ik was al van zins om te draaien toen ik in de verte nog een woning in alle eenzaamheid ontwaarde. Met de moed der wanhoop reed ik ernaar toe. De woning stond een eindje van de weg. Langzaam rijdend trachtte ik een huisnummer op te sporen. Tevergeefs. Ten einde raad sloeg ik maar een soort parkeerterreintje naast het huis in. Tot mijn grote opluchting zag ik dat de achterdeur openging en kwam mijn gastheer naar buiten. Tot mijn schande moet ik zeggen dat het tegen half twaalf was. Een onfatsoenlijke tijd, zeker voor een dominee. Gelukkig had de man al wat stukjes van mijn hand uit de Veluwse Kerkbode gelezen, en verwelkomde hij mij niet als dominee, maar als oefenaar. Zo iemand wordt veel minder kwalijk genomen. Dat scheelt.

Het huis bleek het laatste huis vóór de dijk te zijn. Met een diepere strekking zei mijn gastheer dat hij woonde aan het einde des lands. Ontroerend vond ik dat ook hier het afsluitende avondgebed op de knieën wordt opgezegd. Dat bepaalt mij er steeds – maar het zijn slechts twee adressen waar ik dit meemaakt – dat knieënwerk het beste werk is dat bestaat. Schuldbewust kijk ik dan naar de knieën van mijn broek. Die zijn niet kaal!

Dierbare herinneringen

De vader van mijn gastheer was een markante persoonlijkheid, zoals je die vroeger wel meer had. Hij zat in de gemeenteraad, het schoolbestuur, de kerkenraad, en als ik mij niet vergis ook in de kerkvoogdij. Hij bezat een eigenschap waar ik altijd jaloers op ben geweest: hij kon met gezag spreken. Wie de boeken van ds. J.T. Doornenbal gelezen heeft, is hem diverse keren tegengekomen. Zij hebben levenslang met elkaar gecorrespondeerd, ook al mopperde Doornenbal wel eens op hem, omdat hij vond dat de Smerdieker wel wat wettisch was. Als ik mij niet vergis kreeg Doornenbal bijvoorbeeld eens goed er van langs toen hij zijn hoed vergeten was. Toen ik de Smerdieker leerde kennen, was het van hetzelfde laken een pak, alleen was ik dat hoofddeksel niet vergeten, maar had en heb ik er nooit één op mijn hoofd. Dat liet hij mij wel goed weten. ‘U zult nooit een echte dominee worden’, zei hij tegen mij toen ik als kandidaat in Sint-Maartensdijk kwam preken. Toen ik hem wat beter had leren kennen – eerst had ik een heilig ontzag voor hem – durfde ik toen hij er weer over begon te zeggen: ‘Ik hoop ook nooit een echte dominee te worden’. Hij begreep direct wat ik bedoelde en had daar niet van terug.

Afgezien van herinneringen aan deze man die intiem zijn om aan het papier toe te vertrouwen, zijn er twee zaken die mij nog goed bij staan. Een keer liep ik als kandidaat met hem naar de kerk. Schuin tegenover de kerk stond en staat nog steeds de pastorie. Toen wij er langs kwamen wees hij de pastorie aan en zei: ‘Dat is het kooitje, en nu moet er nog een vogeltje in’. Toen ik een keer op een zondagmorgen gepreekt had – volgens mij ging het toen over Simeon – barstte hij tegen zijn ambtsbroeders in de consistorie los: ‘Mannen, wij hebben de verkeerde beroepen’. Wat was het geval? Gelijktijdig met mijn persoontje waren er twee andere kandidaten beroepbaar. Omdat die beiden echt de gave van het woord hadden, werden die in tegenstelling tot ondergetekende overladen met beroepen. Die zondagmorgen had ik af moeten kondigen dat de kerkenraad had besloten om één van die twee te beroepen. Tegen deze achtergrond gaf d genoemde uitspraak in de consistorie nogal wat commotie. En ik wist niet wat mij overkwam. De kerkenraad liet zich door één ouderling niet van de wijs brengen en het afgekondigde beroep ging door. Toen die kandidaat echter bedankte, heeft die ouderling ervoor gezorgd dat ik na enige dagen daarna alsnog werd beroepen.

Eerlijk gezegd had ik zo’n betrekking op Smerdiek en misschien ook juist op die man – wie kan zichzelf doorgronden? – dat ik dacht dat het die gemeente op het eiland Tholen zou worden. Toen ik op de dag dat ik daar op beroep had gepreekt, met haar die toen nog mijn verloofde was, naar huis reed, heb ik tranen gestort. Ik werd zo naar Smerdiek getrokken, en ik gevoelde dat het niet mocht. Het is de minst aantrekkelijke van de gemeenten geworden die een beroep op mij hadden uitgebracht.

Kerk

Er zullen niet veel Veluwenaren zijn die de kerk van Sint-Maartensdijk kennen, maar ze is van buiten een imposant en massief bouwwerk en van binnen sfeervol, ondanks de calvinistische soberheid. Er is een prachtig orgel. Wat ik echter nog belangrijker vind: hoewel de kerk helaas niet vol zit –

Sint-Maartensdijk is niet zo kerkelijk – klinkt het psalmgezang geweldig. De Zeeuwse kelen paren zich en brengen een machtig geluid voort, dat in de hoge gewelven weerklinkt. Helaas zingt de gemeente volgens mij niet meer zo gedragen als toen ik er als kandidaat preekte. Alles gaat nu eenmaal achteruit. Wat er niet op achteruit is gegaan is het bovenstem zingen. Op de kansel lopen de rillingen over je rug. Althans over de mijne, zo prachtig vind ik dat.

Ik zal wel een oerconservatief en melancholiek iemand zijn, maar het deed mijn oude hart goed te horen dat de nieuwe generatie voorlezers in het spoor van het nageslacht gaat. In Sint-Maartensdijk heb ik zelf voor het eerst in mijn leven – maar wat was ik ook als grotestads jongen gewend? – de wet des Heeren horen voorlezen op een wijze dat het nummer van het gebod aan de inhoud voorafgaat: het eerste gebod (…), het tweede gebod (…) enzovoorts. Ik zal wel een veel te ontvankelijke en gevoelige ziel hebben, maar toen ik dat voor het eerst hoorde, dacht ik meteen: ‘Ja, zo klinkt de wet het beste’.

Heimwee

Toen ik laatst daar na vele jaren weer op de kansel mocht zitten en het kerkvolk overzag, bleven mijn ogen rusten op de ambtsdragersbanken onder de kansel. In gedachten zag ik de generatie ouderlingen en diakenen daar zitten die ik ruim 45 jaar geleden heb meegemaakt. Hun gezichten zag ik nog voor mij en hun namen kwamen in mijn herinnering terug. Ik zal ze hier niet vermelden. Het waren mannen die wat konden vertellen. Toen ik terugkeerde tot het heden en de nieuwe generatie onder de kansel zag, aanschouwde ik niet alleen andere, maar ook jongere gezichten dan vroeger. De vraag kwam bij mij op: ‘Zouden deze nieuwe en jongere ambtsbroeders ook iets te vertellen hebben uit het geestelijke leven? Zou er van hen ook zoveel uitgaan als van de vorige geslachten?’

Ik vrees dat ik dat daar met heimwee zat. Heimwee kan op zijn tijd goed zijn, maar is chronisch dodelijk. Ik heb mijzelf moeten aanpakken op de volgende wijze: ‘Toen jij hier kwam was je veel jonger dan de jongste ambtsbroeder nu. Als jong broekje was je geïmponeerd door de (levens)wijsheid en ervaring van de mannenbroeders die veel ouder waren dan jij zelf. Nu ben je zelf de oudste en heb je zoveel ervaring in het kerkelijke leven, dat je er niet vrolijk van bent. Het verschil dat je bij anderen denkt te kunnen constateren, ligt misschien wel voor het grootste gedeelte aan jezelf. Omdat je zelf zo’n halve eeuw ouder bent’. Toen ik vervolgens weer naar beneden keek, zag ik dat soms de vaderen waren opgevolgd door de kinderen. Het gebed steeg op uit mijn ziel: ‘Heere, wilt Gij hen begiftigen met diezelfde Geest der genade en gebeden, wilt Gij ze bekeren en leren zoals U dat bij het voorgeslacht hebt gedaan. Heere, maak Uw belofte ook hier in deze gemeente waar: En daarna zal het geschieden, dat Ik Mijn Geest zal uitgieten over alle vlees, en uw zonen en uw dochteren zullen profeteren’. In Zijn onveranderlijkheid gedenke de Heere de gemeente en de kerkenraad van

Sint-Maartensdijk zodanig dat er nieuwe wijn in nieuwe lederen zakken mag zitten. Hij schenke hun een nieuwe herder en leraar niet zozeer naar Zijn raad als wel in Zijn gunst en Hij doe Zijn Naam aldaar nog met lofgejuich geprezen worden.

De opgestane Paasvorst bediene ons uit Zijn volheid door onze dood met Zijn dood te doden en Zijn leven te maken tot ons leven.

10.   Prediking en kerkelijke besluitvorming (6; ds. C.J.P. van der Bas, Malawi): gelezen in Kerkblad Hersteld Hervormd Kerk van 29 maart 2018

In de eerste artikelen hebben we stilgestaan bij de besluiten van de kerk van de hervorming met betrekking tot de opleiding tot het ambt van dienaar van het Woord. Vervolgens werden gegevens aangereikt over de toelating tot de kansel en de toelating tot het ambt van predikant. De vorige keer kwam de besluitvorming over het uitoefenen van het ambt van dienaar van het Woord aan de orde. Ditmaal horen we hoe de kerkelijke vergaderingen praktisch en inhoudelijk zich over de prediking hebben uitgesproken.

De lengte van preken

Door de eerste vijftig jaren van reformatie heen worden predikanten door kerkelijke vergaderingen opgeroepen om hun hoorders niet te bezwaren met te lange preken. Het geheugen van de gemeenteleden wordt er onnodig mee belast. Bovendien kan het de motivatie breken om werkelijk te (blijven) luisteren naar de preek. Men zou er een walging van de maag mee veroorzaken, las ik ergens. Daarmee is een probleem aangeduid dat zelfs na 450 jaar nog niet is opgelost. Het getuigt van wijsheid wanneer een predikant in goed overleg met zijn kerkenraad maat weet te houden.

Uitgave van deugdelijke preken

De kerkelijke vergaderingen zijn zich steeds blijven richten op de bevordering van zorgvuldigheid en duidelijkheid in de prediking. Vandaar dat in 1581 wordt besloten om ds. H. Bastingius een uitleg op de Heidelbergse Catechismus te laten schrijven om er jonge predikanten mee van dienst te zijn. Preken van J. Calvijn over de brieven van de apostelen zijn dan al in het Nederlands beschikbaar. Er wordt opdracht gegeven om zijn preken over het boek Job ook te vertalen en uit te geven. Juist bij de apostolische brieven én bij het boek Job zijn de preken van Calvijn een welkome steun in de rug voor predikanten.

Citeren van bekende godgeleerden

In 1585 wordt in de classis Zuid-Beveland uitgesproken dat het niet nuttig is om in een preek verschillende verklaringen van uitleggers van een Bijbelgedeelte te citeren. Dat brengt alleen maar verwarring en ergernis. Een predikant heeft eenvoudig de juiste betekenis van een Schriftgedeelte aan de gemeente voor te houden. Wat hij bij verschillende verklaarders gelezen heeft, houdt hij voor zichzelf. Al in 1578 wordt geoordeeld, dat het gebruik van uitspraken van theologen uit de eerste eeuwen van de kerkgeschiedenis in bescheiden mate kan worden toegestaan. Dat kan van belang zijn om mensen met een roomse achtergrond te overtuigen. Men besloot dat het noemen van nieuwe schrijvers van die tijd, zoals Luther en Calvijn, zou moeten worden nagelaten.

Een leesrooster of lectio continua

Uit de roomse kerk stamde de gewoonte om een vast leesrooster te volgen voor de opeenvolgende zondagen. Uit de te lezen Bijbelgedeelten voor een bepaalde zondag Weerd dan de tekst voor de prediking genomen. Daarvoor in de plaats wordt van meet af gepleit voor het preken van vervolgstof, lectio continua. Door de laatste methode te volgen krijgt de gemeente een helder zicht op het geheel van de Heilige Schrift. Dat is beter dan dat men hier en daar iets uit de Bijbel aangereikt krijgt. In de eerste jaren na de Reformatie wordt aanbevolen om vooral uit de vier Evangeliën te preken. De aanbeveling wordt geboren uit het feit dat de kennis van de Schrift in de gemeenten gering is. Vandaag de dag zou het dienstig zijn wanneer predikanten in goed overleg met hun kerkenraad terugblikken: waar is het achterliggende jaar over gepreekt? Misschien toch wat vaak uit de Evangeliën? Kan het dienstig zijn om meer uit andere Bijbelboeken te preken, van het Nieuwe en van het Oude Testament? Kan het dienstig zijn om ten minste een deel van het jaar vervolgstof te preken?

Catechismusprediking

Al in 1574, acht jaar na een eerste kerkelijke vergadering, spreekt men zich uit over de Catechismusprediking. Elke zondagmiddag behoort dat onderwijs ter hand te worden genomen. Daarbij is het van belang om die uitleg zo begrijpelijk mogelijk te houden. Zo, dat met name de kinderen en de jongeren er vat op kunnen krijgen. Het wordt van groot belang geacht dat juist die jongste kerkgangers met dit onderwijs worden bereikt. Kort en helder. Het vraagt zorgvuldige voorbereiding om de Catechismus te bepreken op deze manier. Wordt de middagdienst op deze wijze voorbereid, met liefde, in zorgvuldigheid en met onderscheidingsvermogen, dan zal de vrucht niet uitblijven. Op de grote synode van Dordrecht (1618-1619) is men ervan overtuigd dat daardoor de gemeenten toenemen in geloof en heiligheid, onder Gods zegen.

Geloof en bekering in de prediking

In de eerste officieuze kerkelijke vergadering, Wezel 1568, wordt aangereikt dat alles in de prediking gericht dient te zijn op de twee belangrijkste elementen van het Evangelie: geloof en bekering. Predikers behoren zich ten doel te stellen om hun hoorders te brengen tot kennis aan Christus. Daarbij dienen zij afsterving en levendmaking in te scherpen; zie zondag 33 van de Heidelbergse Catechismus. Gaat het over dat laatste, over bekering, dan behoort men niet oppervlakkig te werk te gaan. Zoveel als mogelijk is dient met de prediking te worden binnengedrongen in alle schuilhoeken van de zielen van de hoorders. Alle bedrieglijke meningen en alle soorten van onwettig gedrag behoren te worden bestraft. Niet alleen grove overtredingen en openlijke zonden moeten aan de kaak worden gesteld. Ook de geveinsdheid van het hart van mensen moet worden ‘uitgeschud’. Het hart is een seminarie en modderpoel van allerlei soort van goddeloosheid, hoogmoed en ondankbaarheid.

Bedacht moet worden dat deze dingen ook in de allerheiligsten in het geloof nog een voedingsbodem hebben. Ofwel: élke hoorder heeft de oproep tot bekering nodig, een leven lang. Overigens wordt er op een later tijdstip wél bijgevoegd, dat de aanduiding van een bepaalde specifieke zonde niet zo concreet mag zijn, dat ieder in de gemeente gemakkelijk kan achterhalen voor wie welk toepasselijk woord is bedoeld. Wat hier wordt aangereikt, vraagt bezinning van predikanten en kerkenraden heden ten dage. Zijn preken in het algemeen gesproken nog wel zo confronterend? Hoe staat het met de aanklagende functie van de Wet van God in de prediking? En stemt onze prediking overeen met wat weleer werd beschikt, wanneer we slechts in algemeenheden diep over de zondigheid van de mens spreken?

 

11.   Afscheid van de classis Harderwijk (ds. M. van Kooten, Elspeet): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 27 april 2018 onder de algemene berichten

Toespraak gehouden bij de laatste classicale vergadering in de Grote Kerk te Harderwijk op 17 april jl.

In de SGP heeft in de jaren 1961-1967 ds. M.A. Mieras deel uitgemaakt van de Tweede Kamer. Omdat hij dienstdoend predikant bleef schitterde hij nog wel eens door afwezigheid en was zijn inbreng niet zo heel groot. Hij liet slechts een half uur per jaar zijn stem horen. In 1963 sprak hij bij een bespreking over het wetsontwerp algemene bijstand ter vervanging van de armenwet dat we niet mogen spreken van de rechten van de mens maar van de rechten Gods. Bekend is dat hij vaak bleek te zeggen: ‘Teuge’. Iets dergelijks geldt ook de classis Harderwijk. Classis was vanouds één van de vijf troepen van de legers van de Romeinse keizer. Ook de vloot werd een classis genoemd. Zoiets is een kerkelijke classis ook, een verband van diverse gemeenten als strijdende kerk onder leiding van de Koning der  Kerk. Formeel is de classis Harderwijk als benaming ‘classis Harderwijk’ in 1816 ontstaan. In principe is de classis Harderwijk in 1592 opgericht onder de benaming classis van de Neder-Veluwe. De Provincie Gelderland bestond namelijk uit de classes Bommel, Zutphen, Nijmegen, Tiel, Over-Veluwe en Neder-Veluwe. Bij die classis Neder-Veluwe speelde Harderwijk een prominente rol, al werden de vergaderingen ook wel op andere plaatsen gehouden. In ieder geval vond daar op 4 en 5 juli 1592 ook de eerste vergadering plaats. Eén van de aanwezigen was Johannes Fontanus. Op die vergadering werden diverse voormalige pastoors geëxamineerd die als het ware een soort omscholingscursus hadden gevolgd. Het was immers kiezen of delen. Als pastoor stoppen en traktement kwijt raken of je aanpassen aan de gereformeerde leer met behoud van traktement. Het was allemaal niet even geestelijk. Ook weigerden sommige pastoors zich te laten omscholen. Op de classis die in Elburg werd gehouden op 3 september 1594 werd een brief geschreven aan Fontanus dat hij bij het hof van Gelre zou trachten te bewerkstelligen dat ‘die papistische papen op den plattelanden ende sonderlich tho Putten, Oen, Elspedt ende Eepen’ op non-actief zouden worden gezet en in hun plaats ‘reformierte dienaars weder ingeplantet werden’. Fontanus zouden we een super intendent kunnen noemen zoals men in de Paltz had, of een soort bisschop (opziener), ook wel een interim-predikant. Hij was als zodanige enige tijd stand-by in Nijkerk omdat daar na het overlijden van de predikant de afgezette pastoor weer gewoon zijn werkzaamheden deed en als zodanig door de gemeente werd geaccepteerd. In Barneveld moest hij de predikant vermanen eens naar Nijkerk te gaan om te gaan zien hoe men avondmaal moest vieren want de beste man hield dat niet en wist ook niet hoe hij dat moest doen.

De prominente plaats van Harderwijk leidde er toe dat daar in 1599 een theologische hogeschool werd geopend met Fontanus als curator waaraan van 1601 tot 1619 Antonius Thysius werkzaam was. Hij heeft mede zitting genomen in de werkgroep die de Dordtse Leerregels moest vaststellen en was revisor van het OT van onze Statenvertaling. In 1648 werd het een heuse universiteit waar men ook kon promoveren. Niet alleen in theologie maar ook in andere wetenschappelijke disciplines. Het werd ook wel het Gelderse Athene genoemd. In 1811 moest het de deuren sluiten.

In 1612 werd onder leiding van Johannes Fontanus een gecombineerde classisvergadering gehouden te Barneveld met de classes Neder- en Over-Veluwe. Daarbij gaven de classes aan met ‘overgroote droefenisse haeres herten’ dat er nieuwigheden strijdig met Gods Woord de Nederlandse confessie en de Heidelberger Catechismus waren gekomen die meer en meer ‘inrijten, scheuringen en argernissen’ verwekten. Men wenste standvastig ‘door de genade des Heeren’ te blijven staan op dat fundament en uit te zien naar een wettige en kerkelijke synode.

In 1618, kort voor de synode van Dordt, werd in Heerde in juni een classicale vergadering gehouden. Daarin werd verzocht dat op de provinciale synode maatregelen genomen zouden worden tegen het feit dat men de kinderen niet ongedoopt zou laten ‘tot 1, 2, 3 jaeren toe’. Dat er ook een eind gemaakt zou kunnen worden aan het papegaaischieten en ganzentrekken alsmede het drinken, dansen, kaatsen en andere zaken die tijdens de kerkdienst plaatsvinden. Alsmede en zomaar in en uit lopen tijdens de prediking, strekkende tot de glorie Gods en de stichting van de gemeente. Ook zou men graag zien dat men maatregelen zou treffen tegen de schoolmeester van Nunspeet die zijn predikant ‘molesteerde’ door kruisen op de graven te plaatsen.

Nadat in 1618-1619 de Nationale Synode te Dordrecht had vergaderd werd uiteindelijk maar één predikant ontheven uit het ambt op de Neder-Veluwe en dat betrof de predikant van Hoevelaken. Dat betekent niet dat alles in de classis verder vlekkeloos verliep. Ik denk aan ds. Straatman van Doornspijk die weliswaar rechtzinnig in de leer was, maar wel eens te diep in het glaasje keek. In 1618 kreeg hij een ernstige bestraffing van de classis vanwege het feit dat hij in Harderwijk in het publiek teveel aan Bacchus had geofferd. Hij betuigde voor de vergadering dat hem dit van harte leed was en dat hij zijn leven wenste te beteren. De classis nam daarop geen verdere maatregelen maar belastte hem alleen drie maanden achtereen een ‘pont’ aan de armen te geven te Harderwijk, alwaar het leed was geschied. In de classicale acta lezen we dat hij deze censuur ‘in de vrese Gods heeft aengenomen ende belooft nae te komen, ende voortan sich also te gedragen en voegen te voren uytgedruckt’. Overigens wel een bijzondere tuchtmaatregel. De Harderwijker armen zouden zich verblijd kunnen hebben over dronken dominees. De maatregel blijkt beholpen te hebben want we lezen niet dat er zich met hem iets tuchtenswaardigs heeft voorgedaan maar dat hij eenvoudig zijn weg vervolgde totdat hij in 1624 het tijdelijke met het eeuwige moest verwisselen.

De classis Harderwijk speelde na oprichting in 1816 een prominente rol in de strijd voor kerkherstel. Enkele voorbeelden.

In 1835, toen ds. A. Brummelkamp werd afgezet in Hattem omdat hij o.a. geen gezangen meer wenste te laten zingen en eiste dat de doopouders of eventueel doopgetuigen lidmaat waren probeerde de classis hem te sparen maar is onder druk van de synode toch bezweken om te doen wat des classis is. Dat was bepaald niet van harte. Het merendeel van de classis bestond uit rechtzinnige predikanten die heel ver konden meekomen in de gedachtengang van Brummelkamp. Te denken valt aan de bekende predikanten Callenbach en de Hoest uit Nijkerk, Bahler uit Elspeet, Knap uit Heerde, Bisschop uit Doornspijk, de Bouter uit Nunspeet en Slothouber uit Oosterwolde.

In 1854 was het de classis Harderwijk met ondertekenaars als Witteveen van Ermelo, Callenbach van Nijkerk, du Cloux van Oldebroek en om een echte Nunspeetse naam te noemen ouderling H. Boonestroo, die zich in een adres richtten naar de Algemeene Synode van de Nederlandse Hervormde Kerk. Het ging om de Hervormde gemeenten Amsterdam en Den Haag waar twee uiterst vrijzinnige predikanten werden beroepen in de personen van Meyboon en Zaalberg. Vanuit de gemeenten was er protest gekomen omdat deze predikanten niet spraken naar Schrift en belijdenis. Hun bevestiging werd daardoor enige tijd belemmerd. Overigens werden de protesten van de gemeenteleden en de classis Harderwijk niet gehonoreerd en beide predikanten deden op dezelfde dag (1 november 1854) intrede met de tekst ‘Ik heb niet voorgenomen iets anders onder u te weten dan Jezus Christus en Dien gekruisigd’. De tekstkeus was goed, de tekstverklaring verre van dat….

In genoemd adres spraken ze ook hun zorgen uit over de Nieuwe Vertaling die uiteindelijk een halve eeuw later zou resulteren in de Leidse vertaling. In het voorwoord van het NT stond te lezen: ‘Hetgeen men in deze schriften leest, is niet te beschouwen als het Woord Gods in eigengelijk zin’. Ook het supplement onder de Evangelische gezangen werd onder vuur genomen als zijnde in strijd met de waarheid.

Toen in 1860 de synode de verplichte prediking van de Heidelberger Catechismus afschafte was het opnieuw de classis Harderwijk die aan de bel trok. Ds. Jorissen uit Hattem die het adres had geschreven schreef: ‘Wij protesteren tegen deze blaam, der kerk aangedaan. Deze vrijheid is in overeenstemming met de geest van hen, die in de grond niet tot die kerk behoren, omdat zij haar leer bestrijden. Is het niet onrustwekkend wanneer niet slechts veler geloof geschokt wordt, maar duizenden een prooi worden van het ongeloof?’

In 1886 ging namens een groot aantal ambtsdragers van de classis Harderwijk een open brief naar de synode. Dat had o.a. te maken met het feit dat op 15 januari een nieuwe formulering voor het aannemen van lidmaten van kracht werd. Niet het onderzoek op geloof maar op zedelijk leven was genoeg om aangenomen te worden en een attest te krijgen om elders belijdenis te doen. Ook de proponentsformule die in 1883 werd aangenomen en bepaalde dat de proponenten gehouden waren zich te houden aan de geest en hoofdzaak van de formulieren van enigheid werd onder kritiek genomen. Men achtte deze wijze van uitdrukking zeer rekbaar. Ondertekenaars waren ds. W. van den Bergh uit Voorthuizen, ds. J.H. Houtzagers van Kootwijk, ds. G. Ringnalda van Oldebroek, ds. J. Bajema van Ermelo, ds. G. Vlug van Nijkerk, ds. A. Renier te Elspeet en ds. E.J. Homoet te Putten.

Iemand als Gobius du Sart te Harderwijk en Bax uit Doornspijk tekenden niet. Zij waren bang voor een scheiding. Die kwam er datzelfde jaar inderdaad. Homoet en Renier voegden zich alsnog – met protest – onder de synode. Reniers broer in Amsterdam ging echter wel met de Doleantie mee.

In juli 1949 was ds. Doornenbal uit Oene op de classis. Hij schreef er over in de classicale kerkbode zoals de Veluwse Kerkbode toen werd genoemd: ‘Waarom ik zo graag naar die vergaderingen ga, is mijzelf een raadsel. Misschien is het vooral om de tocht er heen, die we eerst per auto, later met de bus en tegenwoordig met de fiets maken, ook al om het plezier van de tocht door het Veluwse land. Misschien ook om de sfeer van die vergaderingen met de ambtsdragers uit de hele classis in de oude kathedraal. In het agendum van zo’n vergadering zit het hem zeker niet. Dat is doorgaans bijzonder vervelend en maakt een mens radeloos bij de gedachte aan de verbeuzelde tijd. Er waren ditmaal zegge 24 stemmingen waaraan bovendien elke spanning ontbrak, omdat te voren vaststond wie gekozen zouden worden en waarbij het zwaarste zwart en het ultrarood, als steeds, zorgvuldig vermeden werden’. Op die classisvergadering moest gestemd worden over het synodale voorstel van het institueren van een seminarium waar de theologische studenten gedurende vier maanden praktisch op het ambt worden voorbereid. Doornenbal zag daarin een mooie afsluiting van de studie. ‘Maar het overgrote deel der broeders was van mening dat de bedoeling ervan alleen maar was de kandidaten met een ‘kerkelijke eenheidssop’ te overgieten en het voorstel werd verworpen. Het is mogelijk dat men het juist zag, al lijkt het gevaar van al te grote eenheid in de kerk op het ogenblik nog niet zo bar acuut en kunnen de broeders, althans wat onze omgeving betreft, nog tamelijk gerust zijn. Vaak vraag ik mij af of er nog wel twee predikanten zijn die het met elkaar eens zijn en waarvan de één de ander uitnemender acht dan zichzelf. Misschien zou een klein beetje eenheidssop zelfs in onze hooggeloofde classis geen kwaad doen’. Een jaar later schreef hij – toen men op de classicale vergadering tegen de nieuwe Kerkorde stemde: ‘’t Aangenaamste deel der classicale vergaderingen blijft steeds de gemeenschappelijke maaltijd aan de zee. Dan bij het wijde uitzicht over het water, naar de wijde horizon, die eindeloze vermoedens wekt en verre perspectieven geeft van een eindeloze werkelijkheid achter de tijdelijke en zienlijke dingen, wijkt de klein-menselijke beklemming van het kerkelijke leven een wijle. Dan gaan de gedachten verder weg en de hoop waakt op en de band wordt gevoeld met degenen die hier samen zijn en niet zijn en dan toch wel goed en echt, ook al kijken en klagen de broeders ouderlingen van over-de-berg nog zo somber’.

Ds. L. Kievit uit Putten sprak namens de classis Harderwijk op de synode de volgende woorden: ‘Het kan genoegzaam bekend zijn dat de Classis Harderwijk overwegende bezwaren heeft tegen de voorgestelde Kerkorde. De rechte bediening kan alleen bij een wezenlijke betekenis van de belijdenis der Kerk gebaat zijn. Onze Hervormde Kerk, waartoe ik nog altijd dankbaar ben te behoren, is een confessioneel bepaalde Kerk, niet alleen historisch, maar in het hart en het geweten van heel velen vandaag nóg. Mijn grote bezwaar is, dat deze confessionele bepaaldheid min of meer wordt opgeofferd aan een zekere apostolaire gerichtheid. Voor mijn gevoel is het zo, dat, ondanks alles, wat daaromheen gezegd is, toch eigenlijk de belijdenis, zoals niet ik haar versta, maar zoals zij verstaan wil zijn – niet zoals ik meen, dat zij functioneren moet, maar zoals zij zelf wil functioneren, wordt prijsgegeven, ‘op hoop dat de Kerk wel daarna zal leren, wat belijden is en ook wat zij belijden moet. Artikel 10 en het daarin vermelde woord ‘gemeenschap’ laten ons toch feitelijk in de mist en dat blijkt ook wel op verschillende punten. In de situatie van vandaag is nodig een grote helderheid ten aanzien van dat wat de Kerk nu eigenlijk belijdt. De vreesachtigheid is hier telkenmale veroordeeld; en er is een vreesachtigheid, die alleen maar te veroordelen is, maar men moet dit ook niet al te vlot doen, want ‘welgelukzalig is de mens, die geduriglijk vreest’. Dat kan ook van deze aangelegenheid gelden. Het is voor mij niet in die zin een zaak van vrees, alsof ik daardoor gedreven zou worden om neen te zeggen, een vrees voor de gevolgen of voor de volgelingen. Neen, dat bepaalt mijn stem niet. Wat mijn stem bepaalt is de zaak van een goed geweten voor God, omdat ik de verantwoording voor deze dingen toch niet kan dragen’. Ondanks deze tegenstemmen ging – zoals zo veel – de kerkorde door.

In september 1972 ging namens de classis Harderwijk met ds. W. de Bruyn uit Ermelo als preses en ds. P. Kolijn uit Kootwijk als scriba een schrijven uit om een secretaris generaal te benoemen in de vacature van ds. F.H. Landsman welke in de eerste plaats in de kerk één of meer gemeenten heeft gediend, waardoor hij bekend is met het leven der kerk op haar grondvlak. Vervolgens dat hij in woord en geschrift getoond heeft zich te willen conformeren aan de Schrift en de belijdenis der kerk, overeenkomstig het bepaalde in art. X van de kerkorde. Uiteindelijk was het PvdA lid dr. Albert van de Heuvel die deze taak kreeg, welke jarenlang werkzaam was geweest bij de Wereldraad van Kerken. Na zijn vertrek in 1980 werd hij directeur, niet van de Evangelische Omroep of desnoods de NCRV maar van de VARA.

In 1981 verscheen er een schrijven op de synodetafel dat namens de classis Harderwijk was ondertekend door de predikanten G.C. Post uit Ermelo en H.A. Samson te Harderwijk. Het had betrekking op de landelijke demonstratie tegen de kernbewapening te Amsterdam waaraan het moderamen van de hervormde synode adhesie had betuigd. Men was daar op tegen. Ik citeer: ‘Wij vinden dat deze instemming van uw college betreurd moet worden om reden, dat de leden van de Ned. Herv.  Kerk zeer verdeeld denken over de gehele materie van de kernbewapening en derhalve ook over een manifestatie daartegen. De opdracht van de Kerk is, ons inziens, om profetisch naar het Woord van onze God, de tijd te doorlichten, en in vervolg daarop had het ons beter gedacht, wanneer uw college kerkenraden en predikanten had opgeroepen om in de kerkdiensten deze dingen in de prediking en in de gebeden aan de orde te stellen. Wij mogen immers weten met een almachtig en barmhartig God en Heere te doen te hebben, Welke ook in deze onze Hulp wil en zal zijn. Helaas komen deze laatste noties niet aan de orde in de oproep van de organisatoren, maar evenmin in uw schrijven. Wij gevoelen de behoefte hierover onze teleurstelling uit te spreken’.

In 1991 sprak deze classis o.l.v. ds. J. Blom te Elburg zich uit tegen de aanpassing van het beheer. In het RD lezen we dienaangaande: ‘De classis Harderwijk van de Nederlandse Hervormde Kerk heeft zich gisteravond met overgrote meerderheid in principe uitgesproken tegen de voorstellen van de synode inzake de zogenaamde sanering van de drie onderscheiden vormen van beheer in de Hervormde Kerk. Vijftig van de ruim zestig aanwezige stemgerechtigden stelden zich achter deze zogenaamde consideratie, die aan de synode kenbaar gemaakt zal worden’.

In 1994 besloot de classis – hoewel men geen voorstander was van SoW – constructief mee te doen met het considereren. Geen één van de leden der classis was voor de benaming Verenigde Protestantse Kerk in Nederland. Het hoogst scoorde de naam Hervormde Kerk in Nederland.

Met de vorming van de PKN veranderde in 2004 de classis vanwege de uitbreiding van het aantal gemeenten met wie men was samengegaan. Node werden gemeenten gemist, ook gemeenten die om des gewetens wil afhaakten. Er waren nu verschillende gewonde gemeenten bijeen die als het ware hun wonden likten en de gemeenten met wie ze samen verder moesten met argusogen aankeken. Het nare gevolg van een verstandshuwelijk. Na veertien jaar wordt de classis Harderwijk opgeheven. Als gevolg van het feit dat landelijk het aantal classes is gereduceerd tot elf o.a. uit gebrek aan belangstelling en het moeilijk vervullen van vacatures. De nieuwe classis is nu dezelfde als de gecombineerde classis Neder- en Over-Veluwe die in 1612 samen vergaderde met het oog op de dreiging van het remonstrantisme. Of de nieuwe classis net zo eenparig en principieel is als vier eeuwen geleden is nog maar de vraag. Van harte wensen we dat de leiding van die ‘mega-classis’ in handen mag komen van een man in de geest van Fontanus of Gerrit Jan Verstege, de gewezen pastoor van Garderen die dat in de Paltz mocht zijn t.t.v. de tot standkoming van de Heidelberger Catechismus. En hoe de beste man (want daar hechten we op Bijbelse gronden aan en ik meen de spreekbuis van velen te zijn) dan zal gaan heten laten we maar in het midden. Liever geen bisschop. Want ‘de enige algemene Bisschop en het Hoofd der Kerk’ is de Zaligmaker, zoals Guido de Bres dat zegt in NGB 31. Trouwens, bisschop doet ook denken aan Sinterklaas, een allemansvriend. Dat moet hij zeker niet zijn. Eerder een vriend en metgezel van allen die Gods Naam ootmoedig vrezen en….een vriend van de Bruidegom.

 

12.   Dr. A.A.A. Prosman: Laat predikanten meer lef hebben (Tineke van der Waal): gelezen in ‘de Waarheidsvriend’; orgaan van de Gereformeerde Bond binnen de Protestantse Kerk in Nederland) van 16 september 2016

De redactie van De Waarheidsvriend start vandaag een serie vraaggesprekken met theologen die met emeritaat zijn, waarbij de focus ligt op door hen waargenomen ontwikkelingen. Hoe hebben zij zich hiertoe verhouden en hoe zochten zij in een wisselende kerkelijke context in hun beleid en belijden een consistente lijn? Over enkele weken deel 3: ds. L.H. Oosten

Adrie Anthonie Alexander (Ad) Prosman wordt geboren op 7 januari 1948 te Gouda. Hij volgt de HBS en vervolgens de vooropleiding klassieke talen, waarna hij theologie in Utrecht studeert. In 1977 wordt hij als predikant van de hervormde gemeenten van Genderen en Doeveren bevestigd. Vanaf 1984 dient hij in het leger als predikant voor buitengewone werkzaamheden. In 1990 neemt hij een beroep aan naar Harmelen. Hij vertrekt in 1997 naar Zoetermeer en in 2005 naar Hoogeveen. In 2011 gaat hij met emeritaat en vestigt zich met zijn echtgenote in Nijkerk. Volgend jaar hoopt het echtpaar, dat zes kinderen en twaalf kleinkinderen ontving, te verhuizen naar Amersfoort.

Dr. Prosman verdedigt in 2007 het proefschrift Geloven na Nietzsche. Nietzsches nihilisme in de spiegel van de theologie (2007). Hij is auteur van Homoseksualiteit tussen Bijbel en actualiteit. Een poging tot verheldering (2013) en van De onverwerkte Holocaust. Spiegel voor de kerk van nu (2015).

Dat dr. Prosman zich verdiepte in het denken van de Duitse filosoof Friedrich Nietzsche (1844-1900), heeft hem geholpen om de aard van onze cultuur te leren kennen. ‘Het heeft me een kritische houding naar de kerk gegeven, en naar de naïviteit die ik daar bespeur, alsof we Nederland voor het Evangelie kunnen terugwinnen. We realiseren ons niet dat dat, tenminste voor Europa, voorbij is’. Volgens dr. Prosman heeft Nietzsche niets nieuws gezegd, maar slechts conclusies getrokken. ‘Het christelijk Europa zou volgens hem een nieuwe, atheïstische toekomst tegemoet gaan. We kunnen met eigen ogen zien dat hij gelijk had en dat vraagt nuchterheid. We moeten ons als kerk niet verliezen in doemdenken, maar ook geen utopie voor ogen hebben. Het is nodig dat we een enorme pas op de plaats maken. Trek er als kerk eens vijf jaar voor uit om na te gaan hoe we in afgelopen decennia kerk zijn geweest. Welke koers hebben we uitgezet? Hebben we de tijdgeest verstaan of hebben we ons vergist? Laten we proberen iets te peilen van de verlegenheid waarin we ons bevinden’.

Opademen in de eredienst

De eredienst is om op te ademen, om te concentreren op het blijvende, zegt dr. A.A.A. Prosman. De ‘enige weg’ die je volgens de Nijkerkse emeritus als predikant kunt gaan, is ‘zo dicht mogelijk bij de Schrift proberen te komen’.

‘Het is al heel wat als je als voorganger je best doet te verstaan wat een Bijbelgedeelte te zeggen heeft en dat zo goed mogelijk probeert te vertolken. Daaraan heb ik mijn handen vol. Als predikant probeer ik te luisteren en waar te nemen wat in deze wereld gebeurt, verschuivingen te verstaan en te horen wat God in Zijn Woord zegt. Dan komt de actualiteit daaruit vanzelf naar voren. Een toepassing komt uit het Bijbelgedeelte zelf op, of het is geen toepassing maar een stichtelijke opmerking’.

Prediking

‘Recent las ik het boekje Verschuivingen in de gereformeerde bondsprediking uit 1965. De wereld waarover prof. dr. C. Graafland daarin schrijft, is in kerkelijk opzicht een heel andere dan die van nu. Graafland streed tegen een voorwaardelijke prediking, met als belangrijke vraag: Waaraan moet ik voldoen om me een kind van God te mogen noemen? Dat was voor hem een front, maar dat is er vandaag niet meer. Al in Graaflands tijd kwam een kentering. De prediking wierp mensen niet meer op zichzelf terug, maar confronteerde meer direct en onbevangen met het Woord. De prediking van ds. G. Boer bijvoorbeeld, die ik als jongen in Gouda hoorde, had een bevrijdend effect. Dat was een rechtstreekse confrontatie met het Woord van God, zonder allerlei bevindelijkheidsvraagjes. Zelfonderzoek kan martelend zijn. Je komt er nooit uit of het bij jou wel echt is. De mens is bedrieglijk en zelfs in de meest vrome ervaring kan hij zichzelf niet vertrouwen. Van die prediking zijn we als hervormd-gereformeerden nu weg. Tegelijk vraag ik me af of we niet op een eigentijdse manier terug zijn bij een voorwaardelijke prediking. Vandaag ben je pas christen als je ook actief bent. In preken speelt vooral de vraag hoe echt jij als christen bent. Dat is weer een vorm van zelfonderzoek. Zo’n prediking is best te verklaren. De kerk kent krimp en we voelen daarover pijn. We moeten missionair zijn, de kerk overeind zien te houden, het gemeenteleven organiseren. ‘Moeten’ is het woord. Net als ‘beleid’: zet een stip op de horizon. Maar in de kerk leven we van de Geest, niet van een stip op de horizon’.

Andere oren

‘De kerkganger van vandaag is in zijn verhouding tot God dezelfde als die ik voor me zag toen ik als predikant begon, in 1977. Wel luistert hij anders naar de preek. Door een andere kijk op God zijn de vragen van de heilstoe-eigening wat op de achtergrond gekomen. In de loop der jaren is de samenleving geseculariseerd. Parallel daaraan ontstond een sterke behoefte om handvatten te krijgen voor het christen-zijn in de praktijk van het leven. Dat heeft nog een ander effect gehad. Gaandeweg zag ik de gemeente zich bewust worden van zichzelf. Eerst was ze meer ontvangend: er is een kerk, er wordt gepreekt en wij doen wat ons opgedragen wordt. Vandaag is de gemeente niet alleen maar afwachtend. Ze is zichzelf als subject gaan verstaan: ‘Wij zijn er ook nog’. Eerder was er de tegenstelling tussen actief en passief. Nu zie je meer de tweedeling reformatorisch-evangelisch, al lijkt het erop dat die tegenstelling alweer over haar hoogtepunt heen is. Reformatorischen zijn wat Evangelischer en de evangelischen hebben hier en daar Calvijn en de puriteinen ontdekt. Ik vraag me af of jongeren die vanuit de evangelische hoek beïnvloed zijn nog een idee van begrippen als ‘verbond’ en ‘belofte’ hebben. Deze lijken voor hen ballast, restanten, een manier van geloven uit het verleden. De vraag is daarom of voorganger en hoorder niet op een verschillende golflengte verkeren’.

Belijdenis

‘Als hervormd-gereformeerden spreken we over het ‘goud’ van de gereformeerde belijdenis. Toch lijkt het moeilijk om dit te actualiseren. Wat is dat goud voor nu? Blijft het niet in het historische steken en lukt het maar slecht om de inhoud van de belijdenis naar het heden te leiden? Ik zie hier een verlegenheid. Als God liefde is, waarom dan een moeilijke weg via verbond, verkiezing, wedergeboorte en dergelijke? Als God altíjd liefde is, dan is de hele dogmatiek overbodig. Alles begint dus met de vraag: wie is God? Want wie zegt dat God van ons houdt? Hoe komen we daarbij? Dat komen we alleen uit de Bijbel te weten. We vinden daar dat Hij een verbond sluit, dat Hij tot Israël komt, en tot ons. Dat inzicht zal uit de Schrift moeten opkomen. Een verwijzing naar onze belijdenis is te weinig. Navolging en discipelschap zijn vandaag de kernwoorden. Dat zijn Bijbelse woorden, maar brengen ze niet met zich mee dat Jezus op een bepaalde manier benaderd wordt, namelijk als voorbeeld? Jezus is belangrijk, omdat Hij ons helpt om datgene te doen wat we moeten doen. Ook een woord als ‘groei’ is vandaag kenmerkend; Jezus helpt je om te groeien. Mensen worden moe onder deze prediking. De vraag is bovendien of de prediking hiermee niet in de crisis komt. Wat is nog genade? Preken we zo geen helpende genade? Als genade het geestelijke instrument is om de gemeente te activeren, dan is ze een soort zachte dwang. Daar moet ik niet aan denken. Beter is een prediking die onder het oordeel van God plaatst en daardoor oneindig bevrijdend is. In het oordeel komt er ruimte voor Christus. Het lijkt erop dat we die radicaliteit zijn kwijtgeraakt’.

Kabbelend

‘Vandaag wordt er meer gepreekt over Jezus dan over God. Dat hangt samen met het tijdsbeeld. Wij hebben moeite met de eeuwige God. In Jezus is God naar ons toe gekomen. Jezus kwam onder ons, Hij is nabij, Hij wil bij ons horen. Maar hebben we ook oog voor de andere, meer ondoorgrondelijke kant van God? Met een eenzijdig Godsbeeld kun je je de moeilijke vragen van het lijf houden. Waar is God in het lijden, waar was Hij tijdens de Holocaust? Voor deze fundamentele vragen, waar je je niet van af kunt maken, schrikken we terug. Het kerkelijke leven krijgt daardoor, ondanks alles, een kabbelend verloop. Ik kom niet veel echte verontrusting tegen. Iedereen heeft zijn zorgen, zoals mensen die altijd hebben gehad. Dat kinderen afhaken, dat kleinkinderen niet gedoopt worden, dat het leger wordt in de kerk – we wennen eraan, accepteren het. Pas als het geld op is, ontstaat in de kerk paniek. Het is wrang om dat te constateren. Onze kerk bezint zich niet op deze dingen. Slechts één keer heeft de synode zich met de vragen van secularisatie beziggehouden: in 1988, naar aanleiding van het rapport Kerk-zijn in een tijd van godsverduistering. Daarna heeft het nooit meer op de agenda gestaan’.

Keuzes

‘De Holocaust houdt mij bezig. Niemand dacht destijds dat zoiets mogelijk was. En we weten nog steeds niet hoe die heeft kunnen gebeuren. Een buitencategorie van het kwaad, het satanische, het demonische diende zich aan. Als kerk moeten we alert zijn. Dit kan zich opnieuw manifesteren. Ik denk dat we onze cultuur niet moeten onderschatten. We leven in een tijd die om keuzes vraagt. Een predikant moet geestelijk leidinggeven. Daarom is het belangrijk dat hij een overtuiging heeft. Ik merk dat een predikant soms vermijdt om zich over een gevoelig onderwerp uit te spreken. Hij wil voorzichtig zijn, niet provoceren, is misschien vanbinnen onzeker. Dat is jammer, want zwijgen schept onzekerheid. We moeten het lef hebben om leiding te geven. Je krijgt gezag als je een gefundeerd oordeel hebt, als je luistert en evenwichtig bent’.

Kwetsbaarder

‘Christenen staan vandaag minder beschermd in de samenleving dan veertig jaar geleden. Christelijke partijen vormden na de oorlog een meerderheid en konden samen het land besturen. De kerk floreerde en de christelijke scholen stonden als een huis. Als die instituten wegvallen, voel je de tijdgeest extra en ben je een stuk kwetsbaarder. De vraag is wat de eigen levensstijl van jou als christen is. De refocultuur is een poging om de tijdgeest buiten de deur te houden. Ik heb daar best wel bedenkingen bij, maar zie haar tegelijk als een positieve bescherming. Openheid ten opzichte van de cultuur kan ons als christenen ook de das omdoen. We weten er niet goed mee om te gaan. Ik zie dat de EO op dit punt in een spagaat verkeert’.

Geduld

‘Het lijkt erop dat kerkenraden dingen in de gemeente vandaag de dag willen vastleggen. Je kunt het als een verschuiving van belijden naar beleid noemen. Beleid is niet verkeerd en schept vaak de nodige duidelijkheid, zeker als in de gemeente verschillende opvattingen leven, maar het gevaar is dat het gemeente-zijn een systeem dreigt te worden en dat het geestelijke aspect eronder lijdt. De plicht om een beleidsplan te maken werkt de gedachte van maakbaarheid van de gemeente in de hand. We organiseren wat af met elkaar. Dat geeft dynamiek aan een gemeente, maar is dat hetzelfde als een levende gemeente van Christus zijn? Het managementdenken vindt er van lieverlee zijn weg. De gemeente moet gerund worden, zo strak is het vandaag eigenlijk wel. Daar kun je weleens van schrikken. Het zijn ook vaak de hoger opgeleiden die in de kerkenraad komen. Is dat goed? Hebben lager opgeleiden in de gemeente ook een stem of worden ze óverstemd?

Laten we onszelf de vraag stellen of het managementdenken voldoende ruimte laat voor de Geest, Die Zijn eigen en verrassende sporen trekt. De roeping van een ambtsdrager is toch meer dan uitvoeren wat er in het beleidsplan staat? Volgens mij is geduld hebben een belangrijk kenmerk van het ambt. Een manager is iemand van het moment, hij wil meteen resultaat zien, een ambtsdrager is iemand van de lange adem. Een ambtsdrager is minder iemand die organiseert, maar meer een persoon die probeert om geestelijke leiding te geven’.

Kerk

‘Als hervormd-gereformeerde gemeenteleden zien we de kerk in haar geheel vandaag nauwelijks meer staan. Wat de synode doet of zegt, komt bij ons amper nog in beeld. Die tendens is versterkt na 2004, het jaar van de fusie en scheuring. Persoonlijk vind ik dat erg jammer. Hebben we afscheid genomen van de kerk, ondanks het feit dat we erin zijn gebleven? Als ik classicale vergaderingen bijwoon, kom ik maar weinig afgevaardigden uit hervormd-gereformeerde kring tegen. Dat heeft me erg verbaasd, maar het is een teken aan de wand. Ik begrijp wel dat de kerk over het algemeen weinig herkenbaarheid oproept. Dan is het gemakkelijk om je daarvan te distantiëren. Je kunt wel klagen, maar mag dat wel als je zelf niet present bent? We moeten ook lijden aan de kerk. Als predikant zou je de vragen die landelijk spelen goed in de eigen kerkenraad aan de orde kunnen stellen’.

Druk

‘De vraag is of we als kerk niet te druk met onszelf zijn. Terugkijkend was dat het geval in het proces van Samen op Weg. En vandaag zijn we doende met de reorganisatie van de kerk. Het zou goed zijn als de Gereformeerde Bond wat dit betreft de rol van luis in de pels speelde. Het is mooi om, in het kader van het landelijke missionaire project, pioniersplekken te stichten, maar ga als kerk nu eens na welke boodschap je wilt communiceren. Je loopt ertegenaan dat er op dit punt zelfs geen begin van eenheid is. De verdeeldheid in de kerk is heel groot, maar ze wordt toegedekt. Dat is haar armoede. We zijn in de kerk religieuzer, maar niet belijdender geworden. Ik preek deze zondagen over Jesaja. Het volk Israël mocht uit de ballingschap terugkeren naar het land van de vaderen. Het volk was gedecimeerd tot de omvang van een klein clubje. Het bestond nog uit twee van de twaalf stammen, maar Gods beloften voor het volk waren niet minder geworden. Die bleven voor de volle honderd procent van kracht. Dat is het perspectief waarmee je verder kunt. Daaraan houd ik me vast’.

 

13.   De blinde Syrische jongen (gelezen in zendingsblad Mbuma, november 2017)

In een oud boek las ik over een blinde jongen die op een zendingsschool in Syrië zat. Net zoals de andere jongens had hij geleerd in de Bijbel te lezen, maar het was een speciale Bijbel. Het was een Bijbel in brailleschrift, zodat hij de Bijbel met zijn vingers kon lezen.

Op een zekere dag kwam er een bezoeker op school die hem naar zijn blindheid vroeg. De jongen zei: ‘Eens kon ik zien, maar toen viel ik in slaap – een lange, lange slaap. Ik dacht dat ik nooit meer wakker zou worden’.

Hij bedoelde dat hij helemaal blind werd en dat hij dacht nooit meer te zullen kunnen zien.

‘Ik sliep’, zei de jongen, ‘totdat een vriendelijk man, een zendeling, kwam, die mijn ogen opende. Niet déze ogen’, zei hij, wijzende op zijn ogen, ‘maar déze ogen!’ en toen stak hij zijn vingers omhoog.

De jongen bedoelde dat de zendeling hem het lezen met de vingers leerde.

‘Nu zien deze ogen de zoete woorden van de Heere Jezus’, voegde de jongen er nog aan toe.

De jongen had die zoete woorden van Jezus zo lief gekregen, dat hij wilde dat ook anderen die zouden weten en daarom droeg hij dikwijls een kreupele jongen op zijn rug naar de school, opdat ook die het Evangelie zou lezen en horen. Zie je de twee jongens samen naar school gaan?

De kreupele jongen was de ogen voor de blinde jongen en de blinde jongen was de benen voor de kreupele jongen. Ik denk niet dat je dat gezicht ooit zult vergeten. Waar denk je nu aan? Je moet eraan denken dat je je ogen niet beter kunt gebruiken, dan om Gods Woord te lezen – je kunt je benen niet beter gebruiken dan om naar Gods Huis te gaan – en dat je beiden niet beter kunt gebruiken dan om anderen te helpen Gods Woord te horen. Ik hoop dat je daaraan zult denken.

Nu, als je het 9e hoofdstuk van Johannes neemt, dan lees je daar over een man die blind geboren was en die door de Heere Jezus weer ziende werd gemaakt. Jezus doet nog een wonder wanneer Hij de ogen van het verstand van een zondaar opent en dan zo iemand tot de hemel leidt.

Daar was eens een blinde christen die blind geboren was. Hoewel de ogen van zijn verstand geopend waren om Jezus te zien, keek hij toch uit naar de tijd dat hij de Heere Jezus met de ogen van zijn lichaam zou kunnen zien. Hij zei: ‘Ik heb nooit iemand gezien, daarom zal Jezus de eerste Persoon zijn die ik ooit gezien heb, want in de hemel zullen mijn ogen geopend worden’.

14.   ‘Zien is geen hebben’, of de Bijbel vergeestelijkt (ds. W. Pieters, Garderen): ontvangen van genoemd predikant ter overdenking

Mag je de Bijbel vergeestelijken?

Wanneer was Ruth behouden, toen zij de keuze deed bij de grens van Kanaän of toen Boaz haar huwde?

De rechte zin en mening van het boek Ruth en van heel de Bijbel te verstaan is niet mogelijk zonder de verlichting van de Heilige Geest. Luther gebruikt de beeldspraak van een noot die gekraakt moet worden om de vrucht te kunnen gebruiken. Zo moet een tekst ook ‘gekraakt’ worden. Dat gebeurt niet zónder onze inspanning, maar het gebeurt ook niet dóór onze inspanning. Het gebeurt door God en Hij doet het in de weg van onze studie.

Eens hoorde ik het antwoord van een joodse rabbi aan zijn leerling, die studeerde op een deel uit de Schrift, en die het niet begreep. De rabbi zei: “Hoe kun je denken nú de betekenis al te vatten? Je studeert nog maar een week op deze tekst …” Daarmee bedoelde hij dat wij ons ingespannen moeten geven aan de bestudering van het Woord van God om de bedoeling ervan te verstaan. Al blijft onverkort staan dat niet onze studie, ons verstand zorgt voor het juiste inzicht, toch ook dat de Heilige Geest werkt door middelen.

Dit houdt in: om de betekenis van het boek Ruth goed te verstaan, moeten we de tijd nemen om te mediteren. Dan moeten we ons eigen inzicht en begrip verloochenen en bediend worden door de Heilige Geest. Wie dit overweegt, zal niet zo gemakkelijk meer iets zeggen. Toch zal ik proberen een antwoord te geven op de twee vragen, die samenhangend werden gesteld: ‘Mag je de Bijbel vergeestelijken?’ ‘Wanneer was Ruth behouden, toen zij de keuze deed bij de grens van Kanaän of toen Boaz haar huwde?’

De Bijbel is door de Heilige Geest ingegeven en is dus een geestelijk boek. De Bijbel moet dus ook geestelijk worden uitgelegd. Maar dat alles is heel wat anders dan hem te vergeestelijken. Vergeestelijken houdt in, dat wij als uitleggers/lezers zelf een geestelijke betekenis aan een Bijbelwoord geven, terwijl dat Bijbelwoord zelf deze geestelijke betekenis niet heeft bedoeld.

Om nu te weten of een Bijbelwoord een geestelijke betekenis heeft (en welke dan) of niet, is niet zo gemakkelijk. Want wie maakt uit of een geestelijke uitleg van een Bijbelwoord oorspronkelijk ook zo bedoeld is of dat die door de een of andere uitlegger erin gelegd wordt? Deze vraag is één van de moeilijkste bij de uitleg van de Heilige Schrift. Dit geldt onder andere van de profetieën. Wanneer we lezen dat de stad Jeruzalem herbouwd zal worden, is die herbouw materieel bedoeld (stenen en cement), of bedoelt de Heilige Geest met ‘Jeruzalem’ de gemeente, waarin niet alleen etnische Joden, maar ook gelovige heidenen zijn ingelijfd?

Wat mijn ervaring betreft: inlegkunde kan een mens zelf, zonder de werking van de Heilige Geest, maar de geestelijke zin van Gods Woord verstaan is alleen mogelijk door de Heilige Geest. Zo heb ik het ook meegemaakt, dat niet-theologisch geschoolde gemeenteleden uitleg van de Schrift gaven, waar ik als gestudeerde niet bij kon! Was het de juiste opvatting? Was het de geestelijke of een vergeestelijkte? Ik weet het meestal niet, maar ik geloof vast en zeker dat God Zijn volk in Zijn Woord onderwijst, tot hen spreekt en hen wijsheid geeft in de dingen die het Koninkrijk Gods aangaan.

Ten aanzien van het boek Ruth gaat het nu over het volgende:

a)       mag de gang van zaken tussen Ruth en Boaz worden gezien als een voorbeeld van de geestelijke omgang tussen Christus en ons?

b)      is de gang van zaken die Ruth met Boaz heeft beleefd een geestelijke ervaring voor haar geweest?

Ten aanzien van het eerste zeggen we: de geschiede­nis van Ruth leent zich ertoe om geestelijke lessen te trekken of geestelijke vergelijkingen te maken. We kunnen het omschrijven met de woorden ‘zoals … zo ook’: zoals Ruth iets in het natuurlijke meemaakte, zo ook beleeft onze ziel het in het geestelijke. Voorbeeld: zoals Ruth door haar huwelijk met Boaz gelost werd, zo ook worden wij door de geloofsvereniging, de huwelijksband met de meerdere Boaz, Jezus Christus, verlost uit onze ellende en schuld.

In dit verband kan ook de uitdrukking ‘zien is geen hebben’ een plaats krijgen. Deze uitdrukking wordt soms verkeerd gebruikt. Dan bedoelt men met ‘zien is geen hebben’ dat het geloofszien wezenlijk ongelijk is aan het geloofsomhelzen. Wanneer deze uitdrukking goed gebruikt wordt, bedoelen we: het zien/inzicht in de waarheid van Gods Woord door een algemene verlichting van de Geest is niet gelijk aan de geloofstoe-eigening van die waarheid. Voorbeeld: zoals Ruth nog niet met Boaz was getrouwd, toen zij op zijn akker aren raapte, zo ook is de mens die onder het Woord van God indrukken heeft van Gods goedheid, ervaringen opdoet van de rijkdom van het genadeverbond, gemoedsstemmingen meemaakt met betrekking tot het heil in Christus, nog niet door het ware geloof aan Christus, de Meerdere Boaz, verbonden/getrouwd. Dan kan het zijn dat zo iemand heel wat verstandelijk inzicht en algemene geesteswerkingen heeft (= zien), maar toch niet in geloof de voorgestelde Christus te omhelzen, zich toe te eigenen (=hebben).

Het is misschien wel leerzaam om in dit verband door te geven, wat ik las in het boekje Het verborgen leven met God, Brief over het zalig leven en sterven van Jisken Pieters Hijlaridis. Dit werpt een heel ander licht op de uitdrukking ‘zien is nog geen hebben’. Zij gebruikt de woorden ‘zien’ en ‘geloven’. ‘Zien’ betekent ‘met gevoel of verstand vatten’ en ‘geloven’ betekent ‘op grond van Gods Woord weten’. Toen haar oudste dochter, haar oogappel, op de leeftijd van 17 jaar stierf, had zij al moeten meemaken dat een zoontje van 11 jaar van haar was weggenomen en dat God haar in haar veestapel zwaar beproefd had. Tegen een kind van God zei ze, toen ze bij de kist van haar dochter zat:

“O mijn vriend, het is mij deze morgen zo duidelijk geworden, welk een groot onderscheid er is tussen zien en geloven. Als ik slechts zie op wat de Heere doet, dan merk ik niets dan toorn: Eerst nam Hij mijn zoon weg, daarna doodde Hij mijn runderen en nu scheurt Hij mijn dochter, de appel van mijn ogen, van mij af. Is het niet waar: dan is het of God mij tot een Tegenloop geworden is (vergelijk Job 7 vers 20, WP). Maar het is mij zulk een zalig voorrecht, om, terwijl ik al dit kwaad zie, nochtans te mogen geloven, dat Hij goed is. Terwijl ik zie, dat Zijn oog toornig is, geloof ik, dat er bij Hem vriendelijke ogen zijn. Terwijl ik zie dat Zijn handen gewapend zijn met verschrikkingen, geloof ik toch, dat die handen zo mild en ontfermend zijn, dat ik er mijzelf gerust aan durf toevertrouwen. En terwijl Hij mij slaat, geloof ik toch dat Zijn hart voor mij brandende is van liefde.”

Ten aanzien van het tweede (is de gang van zaken die Ruth met Boaz heeft beleefd, een geestelijke beleving voor haar geweest?) zeggen we: Ruth is niet door Boaz bekeerd, maar door God. Ruth is niet door middel van haar huwelijk met Boaz van haar doodsstaat en afgoderij verlost, maar al in Moab door middel van het onderwijs van Naomi, of eventueel van haar man Machlon. Toen zij op de grens van Kanaän en Moab die goede keuze deed, was zij godvrezend – niet pas toen zij met Boaz trouwde! Haar huwelijk met Boaz was voor haar niet verlost worden van zonde en schuld, wedergeboren of gerechtvaardigd worden. Deze dingen waren er al toen zij met haar schoonmoeder Naomi de Jordaan overtrok.

Laten we onszelf de vraag stellen: ken ik door het ware geloof de innige band met de Meerdere Boaz?