Kerknieuws
Gereformeerde Gezindte
Openingspagina
Boekbespreking
Foto's
Persoonlijk
Kerkbodes
Spreuk van de week
Overig
Ware gebeurtenissen
Kerkelijk leven
Jongerenrubriek
Muzikale pagina + agenda
Columns
Links
Uw aandacht voor:
Veluwse Kerkbode
De Vijgeboom
Kerknieuws Gereformeerde Gemeenten
De Vijgeboom

 

1.      De inhoud van het Evangelie van Gods genade (ds. P. de Vries, Boven-Hardinxveld): gelezen in de Kerkbode van de Hersteld Hervormde gemeente van Boven-Hardinxveld van 30 juni 2017. 3

We beginnen deze keer met een artikel van ds. P. de Vries waar hij o.a. ingaat op de commotie die onlangs ontstond bij Tot heil des volks. Mede n.a.v. een artikel van dr. B.J. Spruyt.

2.      Bloemlezingen dr. H.F. Kohlbrugge (kerkenraad Middelharnis): gelezen in ‘Onder de vijgenboom’ van 5 juli 2017 onder de berichten van de Hersteld Hervormde gemeenten van Middelharnis en Nieuwe Tonge (laatste stukje over catechismus). 8

Enkele gedeelten die ik vond onder de berichten van Middelharnis vond ik zo treffend dat ik u deze 'bloemlezingen' niet wil onthouden

3.      Handreiking voor ambtsdragers (ds. H. de Greef, Nieuwe Tonge): gelezen in ‘Onder de vijgenboom’ van 5 juli 2017 onder de berichten van de Hersteld Hervormde gemeente van Nieuwe Tonge. 9

Ds. H. de Greef nam ter overdenking iets over vanuit een boekje van ds. G.R. Procee

4.      Regen als Gods gedenken (ds. G.J. Blankers, Bruchem): gelezen in ‘Onder de vijgenboom’ van 5 juli 2017 onder de algemene berichten. 11

Juist op deze woensdag 12 juli die door het RD wordt bestempeld als natste dag sinds 17 jaar, een artikel van ds. G.J. Blankers die schreef over een vrouw uit Syrië die over regen sprak als Gods gedenken. Het deed me denken aan jaren geleden toen ik een predikant hoorde zeggen dat het niet regent, maar zegent!

5.      Kind van de duivel (ds. M. van Kooten, Elspeet): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 7 juli 2017 onder de berichten van de Hervormde gemeente (PKN) van Elspeet. 12

Wie heeft het de laatste weken niet gelezen? De commotie rondom een rapper die zong over kind van de duivel. Op verschillende plaatsen is hij niet meer welkom (terecht!). Toen ik gistermiddag op de Haringvlietbrug (A29) stilstond hoorde ik het liedje vanuit een open raam van een busje met werklui. En inderdaad, het deuntje komt zo binnen, ik deed mijn raam maar dicht en liet me meevoeren door klassieke klanken vanuit de 'Reformations Cantate' van Pieter Stolk. Dat is toch wel stichtelijker om naar te luisteren dan naar het vergif van rapper Jebroer Ds. M. van Kooten schreef echter over 'christelijke' liederen die ook vergif bevatten

6.      Kerkgebouw Wapenveld 50 jaar (ds. J.K.M. Gerling, Wapenveld): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 7 juli 2017 onder de berichten van de Hervormde gemeente (PKN) van Wapenveld. 14

Al lezend zult u misschien wel opmerken dat het Kerknieuws wat wekelijks bij u binnenkomt niet alleen is tot lering, maar ook vaak tot vermaak. Dat zoek ik niet uit, maar is vaak wel het geval! Zo ook het stukje van ds. Doornenbal van vorige week, wat door velen een glimlach, ja zelfs een schaterlach veroorzaakte. Ds. J.K.M. Gerling komt er nog op terug en maakt een 'toepassing' voor 2017

7.      Je moet maar durven! (ds. M.A. Kempeneers, Katwijk aan Zee): gelezen in ‘Bewaar het Pand’; orgaan binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken, van 1 november 2016. 15

Ds. M.A. Kempeneers vervolgt de serie voor onze jeugd n.a.v. de geschiedenis van Jozef

8.      Man van de kansel (ds. L.J. Geluk, Rotterdam): gelezen in ‘de Waarheidsvriend’; orgaan van de Gereformeerde Bond binnen de PKN, van 11 december 2015. 16

We besluiten de korte serie rondom hervormd-gereformeerde predikanten met een portret van ds. L. Kievit

9.      Psalm 135 (ds. G.J. Jansen): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 23 juni 2017 onder de berichten van de Hervormde Gemeente (PKN) van Voorthuizen. 18

Zoals u vorige week al kon lezen was Psalm 150 nog niet helemaal de laatste psalm die besproken werd, want Psalm 135 was nog niet aan de orde geweest. Nu dus echt de laatste bespreking over het boek der Psalmen zoals ds. G.J. Jansen die jaren geleden weergaf in de Veluwse Kerkbode

10.    Begraven of resomeren  (ds. J. Koppelaar, Katwijk aan Zee): gelezen in de Kerkbode van de Hersteld Hervormde Gemeente van Katwijk aan Zee van 26 mei 2017. 19

Ds. J. Koppelaar schrijft over dit onderwerp waar u, net als ik trouwens, misschien nog nooit van gehoord. We weten wel van begraven/cremeren, maar resomeren?

11.    Een vermaning voor dit leven (ds. J.P. Verkade): gelezen in de Kerkbode van de Hersteld Hervormde Gemeente van Katwijk aan Zee van 16 juni 2017. 20

Een meditatie van wijlen ds. J.P. Verkade n.a.v. 1 Korinthe 15 het laatste vers vraagt onze blijvende aandacht!

12.    Catechisantenvragen (13; ds. W. Pieters, Garderen): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 23 juni 2017 onder de berichten van de Hersteld Hervormde gemeente van Garderen....... 21

Ds. W. Pieters vervolgt met vragen die catechisanten hem de laatste avond stelden.

13.    Op de sabbatdag: zondagswerk (ds. M. van Reenen, Oldebroek): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 16 juni 2017 onder de berichten van de Hersteld Hervormde gemeente van Oldebroek. 22

We vervolgen de serie die ds. M. van Reenen houdt over dit onderwerp en staan nu stil bij de vragen rondom zondagswerk

14.    Oefenaar (ds. W.J. op ’t Hof, Gameren): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 23 juni 2017 onder de berichten van de Hervormde gemeente van Driedorp. 23

Zoals u weet mochten we onlangs een nieuwe scribent welkom heten in de persoon van ds. W.J. op 't Hof. Het herinnert mij weer aan de tijd dat ik als puber van 12, 13 jaar ds. op 't Hof 'meemaakte' als predikant van Ouddorp en toen als wekelijks vele kerkbodes las. Zo ook 'de Zaaier'. Hele kolommen stonden er onder de berichten van Ouddorp, eigenlijk teveel voor ene gemeente. Ik meen me te herinneren dat dit het begin was van het 'eigen kerkblad' voor Hervormd Ouddorp wat binnen de Hersteld Hervormde gemeente nog steeds twee-wekelijks verschijnt. Nu niet meer gevuld met artikelen van ds. op 't Hof uiteraard, daarom dankbaar dat we artikelen van hem aantreffen in de Veluwse Kerkbode, zodat u/jij hier ook van mee kunt genieten. Beide facetten, lering en vermaak, gaan op voor deze artikelen, die, zie onderaan 14, ook voor reacties van mede-scribenten zorgen

15.    Pastoraat in de praktijk (8 ;ds. H. Hofman, Kalamazoo): gelezen in ‘de Saambinder’; orgaan van de Gereformeerde Gemeenten, van 17 november 2016. 25

We vervolgen de serie rondom dit onderwerp van ds. H. Hofman en letten voor de tweede keer op het pastoraat rondom 'pastors'!

 

1. De inhoud van het Evangelie van Gods genade (ds. P. de Vries, Boven-Hardinxveld): gelezen in de Kerkbode van de Hersteld Hervormde gemeente van Boven-Hardinxveld van 30 juni 2017

Orthodoxie en vrijzinnigheid

De kern van het Evangelie van Gods genade is dat Jezus Christus God bleef en mens werd om zo de toorn van God plaatsvervangend weg te dragen. Het Evangelie van Gods genade is onlosmakelijk verbonden met de realiteit van Gods heiligheid en majesteit. God is zo heilig, Hij kan en wil de zonde niet ongestraft laten. In Zijn liefde zond God Zijn Zoon naar deze wereld opdat Hij zou doen wat God van de mens vraagt. Een Bijbeltekst waarin dat duidelijk is verwoord is Joh. 3:16: ‘Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.’ Het grote verschil tussen orthodoxie (rechtzinnigheid en dat in de Bijbelse en positieve zin) en vrijzinnigheid is de kijk op God, op Christus, de mens en de ernst van de zonde. Terwijl de orthodoxie Jezus als God en mens in één persoon belijdt, ziet de vrijzinnigheid Jezus slechts als mens. De vrijzinnigheid ontkent dat God in Zijn heiligheid de zonde niet ongestraft kan laten. Verzoening door voldoening is dan ook niet nodig. Als een mens berouw heeft over de zonde, is dat genoeg. De vrijzinnigheid ziet geen verband tussen Gods genade en het kruis. Volgens de orthodoxie wordt een mens in zonden ontvangen en geboren en is hij een kind des toorns, tenzij hij wedergeboren wordt. De vrijzinnigheid belijdt dat God ons aller Vader is en Christus als aller broeder. Een bekend vrijzinnig lied is: ‘Kinderen van één Vader zijn wij allemaal.’ Voor de vrijzinnigheid is ieder mens niet slechts een (gevallen) beelddrager van God, maar een kind van de hemelse Vader. Terwijl de klassieke vrijzinnigheid grotendeels verdwenen is, is een groot deel van de rechtzinnigheid steeds meer in vrijzinnige richting opgeschoven. De prominente Duitse missioloog Peter Beyerhaus, die inmiddels een zeer hoge leeftijd heeft bereikt, signaleerde deze ontwikkeling al een aantal jaren geleden. Het is een ontwikkeling die niet alleen wereldwijd, maar ook in Nederland zichtbaar is. Ook bij mensen die zich als orthodox zien, zo constateerde Beyerhaus, wordt de inhoud van het Evangelie ‘transformatie van het leven in de richting van meer vrede en gerechtigheid op deze wereld. Christenen moeten zich bezighouden met het oprichten van Gods Koninkrijk in de zin van een politieke en maatschappelijke orde voor de samenleving. (..) Juist de zaken waartegen de evangelicalen zich hebben verzet, worden nu door hen omarmd.’

De aard van Gods koninkrijk

Kenmerkend voor de klassieke theologie is dat Gods koninkrijk niet van deze wereld is. Een christen heeft als rentmeester een taak in deze samenleving, maar is allereerst pelgrim. Als pelgrim is zijn diepste wens dat mensen om hem heen medepelgrims worden. Daarom staat Evangelieverkondiging als verzoening met God en redding van de toekomende toorn in het centrum. Augustinus maakt in zijn hoofdwerk De stad van God een nadrukkelijk onderscheid tussen de geestelijke en de aardse vrede. De geestelijke vrede is een zaak van de stad van God. Zij wordt alleen binnen de Kerk gevonden en in deze bedeling is zij niet het deel van allen die tot de Kerk behoren. De aardse vrede is een zaak van de aardse stad. Augustinus ziet het als een grote zegen als een overheid aardse vrede tot stand kan brengen. Ook christenen kunnen en mogen bij de overheid en breder in de samenleving een taak hebben om de aardse vrede te realiseren. Veel dieper gaat echter de geestelijke vrede. Alleen het bezit daarvan telt als het gaat om de ingang in het nieuwe Jeruzalem. Aansluitend bij de genoemde gedachten van Augustinus maakt Calvijn in het slothoofdstuk van zijn uiteindelijke uitgave van de Institutie onderscheid tussen de geestelijke gerechtigheid en burgerlijke gerechtigheid. We moeten die twee niet met elkaar vermengen. Geestelijke gerechtigheid wordt alleen ontvangen in geloofsvereniging met Christus. Uiteraard stempelt dat het gehele leven van hem of haar die zo met Christus is verbonden. Ordening van de samenleving in het licht van Gods heilzame geboden verbindt Calvijn echter niet met de geestelijke, maar met de burgerlijke gerechtigheid. Het is geen zaak van het Evangelie, maar van de wet als regel voor het maatschappelijke leven. In de liberale theologie wordt transformatie van de samenleving met de realisatie van het koninkrijk van God gelijk gesteld. Het koninkrijk van God is wel van deze wereld. Evangelicals zijn de laatste jaren gaan spreken over het oprichten van het teken van Gods koninkrijk in deze werkelijkheid. Dan moeten we denken aan bestrijding van armoede, alfabetiseringsprogramma’s, het meewerken aan meer sociale cohesie in een buurt. Nu zijn die zaken als zodanig niet verkeerd. Allesbehalve dat. Echter het is heel bedenkelijk als deze zaken rechtstreeks met de komst van Gods koninkrijk worden verbonden. Dat laatste zien we in ons vaderland ook bij mensen die zich reformatorisch noemen. Meer dan men zelf in de gaten heeft, is menigeen behoorlijk beïnvloed door het gedachtegoed van liberale theologieën. In onderscheid met klassiek vrijzinnigen belijdt men de godheid van Christus en de realiteit van Zijn opstanding, maar als het gaat om Zijn werk staat men veel dichter bij de klassieke vrijzinnigheid dan bij de klassieke orthodoxie. Het werk van Christus wordt vooral in aardse termen verstaan. Over de toekomende toorn wordt niet of nauwelijks gesproken. Daarom kan al helemaal niet duidelijk worden dat de kern van Christus’ werk daarin bestaat dat Hij plaatsvervangend de toorn van God heeft weggedragen en zo allen die in Hem geloven daarvan verlost. Daarom mag een christen onbevreesd uitzien naar de wederkomst van Christus. Een christen is een mens die overgegaan is uit de dood in het leven. Daarom is zijn wandel in de hemel. In de vier evangeliën wordt over tekenen, wonderen en krachten gesproken in het kader van de komst van de Heere Jezus Christus. Zij tonen ons dat Hij de beloofde Verlosser is. Zij laten ons ook iets zien van datgene wat Hij tot stand wil brengen. Echter, de tekenen die Hij verricht hebben geen betekenis op zichzelf. Zij zijn bedoeld om degenen die deze tekenen ontvangen of aanschouwen tot het geloof in Hem en het ingaan in het koninkrijk van God te bewegen. Dat is geen automatisme. Tien melaatsen werden gereinigd en slechts één keerde terug om God de eer te geven (Lukas 17:18). Een grote schare werd door Johannes op wondervolle wijze gespijzigd. Echter, de meesten die het vermenigvuldigde brood hadden gegeten, keerden zich vervolgens af van Hem Die het brood vermenigvuldigd had en Die kon zeggen dat Hij het levende Brood was dat uit de hemel was neergedaald (Joh. 6:51)

Een hartenkreet van Bart Jan Spruijt

Ik kom mede tot deze uiteenzetting, omdat Bart Jan Spruijt enige tijd geleden een artikel schreef in het RD waarin hij de koerswijziging besprak die de stichting Tot Heil des volks heeft gemaakt. Hij zag een zelfde ontwikkeling als bij het Leger des Heils. Hoe voorbeeldig de hulpverlening, door het Leger des Heils verricht, ook mag zijn, ze is losgemaakt van het klassieke Evangelie. Zeker in Nederland past de atmosfeer van het Leger des Heils beter bij de vrijzinnigheid dan bij de orthodoxie. De wortels van Tot Heil des volks liggen in het negentiende-eeuwse Reveil. Het Reveil heeft altijd onomwonden beleden dat de verzoening door voldoening het hart is van het christelijk geloof. Het ging er de mannen en vrouwen van het Reveil om dat mensen deze waarheid met het hart beleden. Zij wisten dat hij of zij die zelf mag weten uit enkel genade door Christus’ bloed te zijn verzoend en van de toekomende toorn te zijn verlost, niet anders dan bewogen kan zijn met mensen om hem heen die daarvan niet weten. Tot Heil des volks was een vereniging (in de tweede helft van de twintigste eeuw werd het een stichting) die verbreiding van dit klassieke Evangelie paarde met het geven van christelijk onderwijs, maatschappelijke hulpverlening en een profetisch geluid in de samenleving. Tot Heil des volks was niet specifiek gereformeerd, maar wel klassiek orthodox in het belijden van het Evangelie van verzoening. Een aantal jaren geleden werd de vrijgemaakt gereformeerde predikant ds. Gert Hutten als directeur benoemd. Van een afstand riep bij meerderen deze benoeming vragen op. De Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt zijn heel sterk in beweging. Dat merk je als het gaat om de visie op het Schriftgezag, de centrale betekenis van verzoening door voldoening. de realiteit van de toekomende toorn, de aanvaardbaarheid van homoseksuele relaties. Waar zou deze ds. Hutten staan? Al heel spoedig werd duidelijk dat intern zijn benoeming tot grote verdeeldheid leidde. Tien medewerkers, onder wie Krijn de Jong en Hans Frinsel vertrokken. Twee leden van de raad van toezicht trokken zich terug. Twee managers van belangrijke projecten (het Scharlaken Koord en Different) plus de complete redactie van het tijdschrift De Oogst namen afscheid. Ook oud-directeur Johan Frinsel heeft zich na de benoeming van Hutten uitdrukkelijk van het Heil gedistantieerd.  Er kwam een commissie van onderzoek en de leden van de Raad van Toezicht maakten langzaam maar zeker plaats voor andere personen. Voorzitter van die raad werd prof. Frank van der Duijn Schouten. Hij beloofde in een interview met het ND (januari 2016) een ‘stevig bezinningstraject’, een ‘zekere ruimte’ voor de nieuwe directeur om zich waar te maken en zijn inzet om het Heil herkenbaar te houden voor de orthodox-evangelische en reformatorische achterban.  Zo’n belofte verplicht. Spruijt legde er de vinger bij dat deze belofte niet is nagekomen. In een interview aan het begin van dit jaar met Groot Nieuws Radio gaf Hutten aan: ‘Wij hebben een nieuwe missie. Onze nieuwe identiteit is: Zie Jezus, leef vrij. In al onze projecten zijn we bezig met vrijheid. We zeggen niet: Verkondig Jezus. Dat vinden we ook belangrijk. Maar ik geloof dat Jezus Zichzelf zichtbaar maakt, op heel onverwachte manieren, zelfs in een prostituee en een dakloze.’ Een teleurstellende reactie

Het artikel kwam hem wel op een bijzonder felle reactie van Van der Duijn Schouten te staan. Die ging vrijwel uitsluitend op formele kanten in. Het enige wat hout sneed was zijn opmerking dat het Heil meer is dan Hutten. Als er nog altijd medewerkers zijn die vanuit de oorspronkelijke doelstelling hun werk doen is dat alleen maar verblijdend. Ik denk ook niet dat Spruijt dat heeft willen ontkennen. In een vervolg gaf hij aan dat zijn artikel een pleidooi is om terug te keren naar de oorspronkelijke koers. Die wordt bepaald door Hutten niet uitgedragen en Hutten is naar buiten toe wel het gezicht van het Heil. Daar gaat Van der Duijn Schouten in zijn reactie geheel niet op in. Wie de Bijbel ter harte neemt, ziet in mensen om zich heen mensen die allereerst verzoening met God nodig hebben. Het zijn mensen aan wie Christus als enige Zaligmaker bekend moet worden gemaakt. Dat mag en moet in woord en daad. Iets anders is dat Christus in mensen om ons heen zichtbaar zou zijn, ook als zij niet getrokken zijn uit de duisternis tot Gods wonderbare licht. En dat laatste beweert Hutten nu juist wel. Daarin verschilt zijn positie niet van de klassieke vrijzinnigheid. Ik laat de dakloze even liggen, maar als Hutten beweert dat Christus ook zichtbaar wordt in een prostituee die God aan het einde van de dag dankt voor haar cliënten, staat dat haaks op 1 Korinthe 6:10: ‘Dwaalt niet; noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch overspelers, noch ontuchtigen, noch die bij mannen liggen, noch dieven, noch gierigaards, noch dronkaards, geen lasteraars, geen rovers zullen het Koninkrijk Gods beërven.’ Wij kennen allen ten dele. Het feit dat wij bepaalde elementen van de Bijbelse boodschap niet goed hebben verstaan, houdt ons op zich niet buiten het koninkrijk van God. Echter, er zijn zowel als het gaat om de leer als het leven zaken waarvoor dat wel geldt. Bij de leer kunnen we denken aan het belijden van de Drie-eenheid en van de realiteit van de opstanding van Christus uit de doden en bij het leven aan het belang van seksuele reinheid. Als Hutten ook in een prostituee het beeld van Christus kan zien, moeten wij hem in het licht van de Schrift als een dwaalleraar typeren. Dat is iemand die hen die op de brede weg zijn naar de rampzaligheid voorspiegelt dat zij toch op de smalle weg zijn. In de reactie van Van der Duijn Schouten is de ernst van deze zaak volstrekt afwezig. Van der Duijn Schouten noemt in zijn reactie onder andere dat hij Spruijt had kunnen vertellen dat de raad van toezicht van het Heil inmiddels weer voltallig is: zeven personen, onder wie drie uit de reformatorische gezindte. Buiten dat Van der Duijn Schouten voorzitter is, ken ik de naam van geen van de mensen die in deze raad zitting hebben. Niemand hoeft het zich persoonlijk aan te trekken, maar de opmerking van Van der Duijn Schouten zegt alleen iets over de sociologische achtergrond van deze leden. Stemmen deze mensen van harte in met de gereformeerde belijdenis en dan denk ik heel in het bijzonder aan zondag 1 van de Heidelbergse Catechismus. Hutten, wiens kritiek van Spruijt op hem door Van der Duijn Schouten niet wordt weersproken, laat staan weerlegd, is er een voorbeeld van dat iemand tot de reformatorische gezindte kan behoren en niet alleen ver van de gereformeerde belijdenis afstaan, maar ook van de klassieke orthodoxie in brede zin van het woord. Met heimwee denk ik dan terug aan de tijd dat Johan Frinsel naar buiten het gezicht van Tot heil des volks bepaalde. Hij behoort niet tot de reformatorische gezindte en neemt ook een aantal elementen van de gereformeerde belijdenis niet voor zijn rekening. Hij belijdt wel zonder reserve de belangrijkste kernen van die belijdenis: de verzoening met God door het plaatsvervangend lijden en sterven van Christus, de noodzaak van een levend geloof, tot uiting komend in een wandel gericht op en genormeerd aan het Woord van God. Ik wil maar zeggen dat ik veel liever zie dat evangelische mensen het gezicht naar buiten bepalen die klassiek orthodox zijn dan reformatorischen of gereformeerden die van de kern van de boodschap van de Reformatie zijn vervreemd. Op de digitale media werd gereageerd, zowel op de bijdrage van Spruijt als van Van der Duijn Schouten. Opvallend was dat Spruijt meer kritiek dan bijval kreeg. Bijval was er vooral van leden van de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt die met verdriet ontwikkelingen in eigen kring constateren en zich helemaal in de analyse van Spruijt herkenden. Kritiek was er niet in de laatste plaats van leden van allerlei andere kerken en kringen die reformatorisch zeggen te zijn.

Een koerswijziging die mogelijk werd omdat kerkelijk Nederland van koers wijzigt.

Hoe is het mogelijk dat een pleidooi om het klassieke Evangelie van zonde en genade, van verzoening door voldoening, van wedergeboorte, geloof en bekering zo weinig bijval krijgt ook van menigeen die zich gereformeerd of reformatorisch noemt?! Hoe komt het dat ook in evangelische kring zich hier de laatste decennia grote verschuivingen hebben voorgedaan?! Dan moeten we antwoorden dat de kijk op God en op de mens, zowel in reformatorische als evangelische kring, bij velen fundamenteel is veranderd. God wordt louter als barmhartige Vader gezien en niet als een heilig en rechtvaardig God Die de zonden niet door de vingers kan zien en ongestraft kan laten. Lang niet in alle kerken die de gereformeerde belijdenis erkennen wordt bij de bediening van de doop het klassieke doopsformulier nog voorgelezen. In nieuwere formulieren is de zin, dat wij van nature allen kinderen des toorns zijn en daarom aan allerhande ellende, ja aan de verdoemenis zelf onderworpen zijn, verdwenen. Dat raakt de kern van het Evangelie. Als wij geen kind des toorns zijn, hebben we ook geen redding van de toekomende toorn nodig. In nieuwe formulieren wordt gezegd dat wij in een door de zonde verscheurde wereld zijn geboren. De nadruk valt op leed en onrecht. Daarvan verlost Christus. Zo kom je bij de nieuwe koers van het Heil. Ik denk ook aan het in evangelische en reformatorische kring veel gezongen lied ‘Je bent een parel in Gods hand.’ Voor dat lied is geen Bijbels fundament. Het Evangelie Zelf is een parel en Christus mogen we een parel noemen, maar wij zijn het niet. We zijn van huis uit kinderen des toorns en ook als wij wedergeboren zijn, zijn we bepaald nog geen parel. Bij het lied je bent een parel in Gods hand is de focus de natuurlijke capaciteiten van de mens en niet de noodzaak en realiteit van verzoening met God. Ik wijs ook op ontwikkelingen in de rooms-katholieke kerk. Tussen Rome en de Reformatie was en is een kloof. Met het Tweede Vaticaanse concilie gaf Rome aan meer open te willen zijn niet alleen naar christenen buiten haar, maar ook naar de wereld. De genade is verbonden met de schepping. Rome dacht vanouds veel meer in termen van natuur en genade dan van zonde en genade. Dat is sinds Vaticanum II alleen nog meer versterkt. Volgens Vaticanum II is ieder mens feitelijk potentieel al een kind van God. Niet de breuk tussen God en mens staat centraal, maar dat de mens aangelegd is op genade en daar op zijn minst in potentie al in deelt. In een interview in De Oogst, een uitgave van Tot heil des volks, gaf de evangelische voorganger Wilkin van der Kamp aan dat hij juist op dit punt de eigentijdse rooms-katholieke theologie waardeert en bijvalt. Via internet preken beluisterend van Amsterdamse predikanten die tot de Gereformeerde Bond behoorden, moest ik constateren dat ook in hun preken de realiteit van de toekomende toorn en van verzoening door voldoening met Christus’ bloed geen plaats heeft. De betekenis van Christus dat Hij in deze door leed en zonde verscheurde werkelijkheid is ingedaald en heel die werkelijkheid door Zijn dood en opstanding teruggebracht heeft bij God. Dat dit werkelijkheid is, mogen wij en moeten wij geloven. Dan ben je wel in een heel andere geestelijke wereld dan die van de Reformatoren en van mannen als Groen van Prinsterer, Da Costa en ds. Jan de Liefde, de oprichter van Tot heil des Volks. Er kan ook gewezen worden op de geweldige verschuivingen die de EO sinds haar oprichting heeft gemaakt. Allerlei zaken waartegen men zich bij de oprichting keerde, worden nu verbreid. Heel nadrukkelijk wil de EO ook de vrijzinnigheid vertegenwoordigen. Vóór de Tweede Oorlog werd naast de NCRV de Vrijzinnig Protestantse Radio Omroep (VPRO) opgericht, omdat de NCRV geen ruimte aan de vrijzinnigheid wilde geven. Die moeite heeft de NCRV allang niet meer en inmiddels de EO ook niet. Trouwens al langer is in vele programma’s van de EO het geloof meer een kwestie van gevoel en emotie en wanneer die weg wordt ingeslagen wordt de overstap van orthodoxie naar vrijzinnig klein. Heel opvallend vond ik dat minister Plasterk, die de rooms-katholieke kerk en het christelijke geloof de rug toekeerde, in het programma Adieu God tegen programmamaker Tijs van de Brink op een gegeven moment de opmerking maakte: ‘Waar hebben we het dan nog over?!’ Van de Brink wilde namelijk niet zeggen dat hij zeker wist dat het christelijke geloof universeel waar is. Hij zegt daar helemaal niet mee bezig te zijn. Hij wist alleen dat hij iets van Jezus merkte. Voor zover hij in gesprekken met mensen in zijn programma de inhoud van het christelijke geloof ter sprake bracht, kwam naar voren dat dat geloof deugden en normen inhouden die christenen en niet-christenen, zo al niet gemeenschappelijk, maar die toch op zijn minst gemeenschappelijk kunnen hebben. De werkelijke inhoud van het Evangelie, namelijk verzoening van een schuldig mens met God, komt nooit ter sprake. Dan geldt inderdaad ‘Waar hebben we het dan nog over?!’ Wat ik wil aangeven is dat de koerswijziging van Tot heil des volks niet op zichzelf staat. Zij weerspiegelt wat breed in kerkelijk Nederland leeft. Als in de kerken lang niet overal een Bijbels, getuigend en profetisch geluid klinkt, moet het ons niet bevreemden dat organisaties, hoe Bijbels en gereformeerd hun grondslag ook mag zijn, daarvan gaan vervreemden.

We moeten niet mismoedig maar getrouw zijn

Wat is de slotsom? Niet dat wij mismoedig moeten of mogen zijn. Allereerst wordt er in Nederland nog op meer dan één plek en in meer dan één kring Bijbels gepreekt. Er zijn nog altijd belijdende christenen die hun belijdenis met een godzalige levenswandel paren. Dat is al helemaal wereldwijd het geval. Wel moeten we zeggen dat op het zuidelijke halfrond, als we afgaan op wat publiek naar buiten komt, meer belijdende christenen zijn te vinden dan in Europa en Noord-Amerika. Wat God van ons vraagt, is dat wij getrouw zijn. Dat kunnen wij alleen zijn als wij tot in het diepst van ons hart overtuigd zijn van het Evangelie van verzoening met God door Christus’ bloed. Die zekerheid wordt bewerkstelligd door de Heilige Geest Zo worden we ook gedrongen dit Evangelie te belijden en te verbreiden. Van belang is mensen niet te beoordelen aan de hand van een label. Of dat nu ‘reformatorisch’ of ‘evangelisch’ is, maar aan de hand van datgene wat zij metterdaad geloven en uitdragen. Dan weet ik wel dat de gereformeerde belijdenis een middel is om ons bij de kernen van het Evangelie te bewaren. In geen belijdenis wordt het christelijke geloof zo diep vertolkt als daar. Dat neemt niet weg dat wij dankbaar mogen zijn als christenen het hart van het Evangelie belijden, zonder dat zij de gehele gereformeerde belijdenis voor hun rekening nemen. Laat iedereen die dit leest, vragen om genade, getrouwheid en vrijmoedigheid. Het geloof is uit het gehoor. Laten we de Heere smeken of Hij alom in Nederlands Kerk getrouwe dienaren van het Evangelie geeft. De kerkgeschiedenis kan ons leren dat de Heere machtig is plotseling en ongedacht een keer te bewerkstelligen. Dan kan Hij ook daar beginnen waar wij het niet zou - den hebben verwacht. Hier geldt de wind blaast waarheen Hij wil. Bart Jan Spruijt gaf in een reactie op Van der Duijn Schouten dat een terugkeer naar de oorspronkelijke wortels van Tot heil des volks juist hetgeen is waarnaar hij uitziet. Wat is het verheugend als mensen elkaar gaan bevragen op de kern van het Evangelie en elkaar aansporen het Evangelie van zonde en genade, van schuld en vrijspraak, van harte te belijden. Zeker is dat het werk van Gods Geest altijd gelijk blijft en aan dezelfde zaken herkenbaar is. Waar Gods Geest werkt worden zondaren verslagen van hart. Door een levend geloof worden zij aan Christus verbonden. Zij leunen dagelijks op Hem tot vergeving van zonden en om meer aan Hem gelijkvormig te worden. In woord en daad

zoeken zij hun naaste voor Christus te winnen. Het is aan de Heere Zijn Kerk tot bloei te brengen. De Heere vraagt ons dat wij getrouw zijn. Dat mogen we zijn in de wetenschap dat het Evangelie de kracht van God tot zaligheid is en nooit leeg zal weerkeren. God vervult in de geschiedenis Zijn raad. Het bloed van Christus zal kracht houden totdat de laatste die door de Vader aan Christus gegeven is, zal toegebracht zijn. Dan breekt de jongste dag aan en leidt Christus Zijn vrijgekochte Kerk het nieuwe Jeruzalem binnen. Wie zou, die de kracht van dit bloed kent, niet welgemoed zijn en dat aan anderen betuigen?!

 

2.       Bloemlezingen dr. H.F. Kohlbrugge (kerkenraad Middelharnis): gelezen in ‘Onder de vijgenboom’ van 5 juli 2017 onder de berichten van de Hersteld Hervormde gemeenten van Middelharnis en Nieuwe Tonge (laatste stukje over catechismus)

1 Petrus 5 : 7 Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u:

Geniet van alles wat de Heere u gaf, in stille erkentelijkheid voor Hem. Bekommert u niet over de toekomst. Wees niet bezorgd of u dit altijd zult erkennen. Wat hebben wij ons te plagen over de dag van morgen, wat wij zijn of niet zullen zijn, hoe dingen gaan of juist niet gaan. Laten wij heden erkennen wíe wij zijn en Zijn genade erkennen die in Christus Jezus is. Dan zal het voor de dag van morgen goed gaan. Díe genade, erken ze, ga af op het Woord van God en onderzoek of u vertedering in het hart en de behoefte daaraan gewaar wordt, of niet. Sta niet naar allerlei andere gevoelens, hetzij links of rechts, hetzij goed of kwaad. Maar sta ernaar dat u Gods Naam aanroept om u aan het levende Woord te onderwerpen in een ootmoedig vertrouwen dat wat tot uw zaligheid uit Zijn mond gegaan is, zo waarachtig gemeend is. Zo zeker als de zon die u aan de hemel ziet.

N.a.v. ziekteberichten:

Als wij de Heere liefhebben omdat Hij de Heere is, dan smaken wij een onbegrijpelijke vreugde en hebben wij het zó goed bij Hem dat we alles gerust aan Hem kunnen overgeven. Wij kunnen dan zeggen: als ik U maar heb, mijn Heere en mijn God, dan vraag ik noch naar de hemel, noch naar de aarde. Al bezwijkt ook mijn vlees en mijn hart, dan blijft U nochtans de Rotssteen van mijn hart en mijn Deel in eeuwigheid. Dan zingen wij : welaan mijn ziel, het ga zo ’t wil, stel u gerust, zwijg Gode stil.

Uit het boekje: Zo God voor ons is:

Er doen zich weliswaar allerlei hindernissen voor, maar waar komt de liefde niet overheen? Zij heeft daartoe een eigenaardig middel en dat is het gebed. Daarmee roept de liefde gedurig Hem te hulp, Die eeuwig liefheeft en Die tegen hen die Zijn Woord bewaren gezegd heeft: wat u begeren zult in Mijn Naam, dat zal Ik doen.

Over het gebed:

Het gebed is de emmer, die gedurig wordt neergelaten in de diepte van de Goddelijke ontferming. In de fontein die geopend is tegen de zonde en de onreinheid. Opdat mensen en zelfs beesten gedrenkt en dronken worden uit de beken van de wellusten, van de goederen van Gods huis. Alleen zó blijft de stad van God zich verblijden. Dit doet Hij echter niet omdat het gebed goed of slecht is, maar omdat Hij zo goed en genadig is. Omdat Hij liefheeft!

Over de catechismus:

De catechismus gunt ons de hemelse zaligheid, maar gij, volwassene, gij jong kind, voordat wij aan al deze heerlijkheid voor onszelf deelhebben en ervan kunnen genieten, moet de Heilige Geest ons op het kleine kinderbankje, op het arme zondaarsbankje brengen; en dat wel voor ons hele leven, omdat wij alleen van daaruit de heerlijkheid van Christus’ leer kunnen zien en alleen daar recht van kunnen genieten.

3.       Handreiking voor ambtsdragers (ds. H. de Greef, Nieuwe Tonge): gelezen in ‘Onder de vijgenboom’ van 5 juli 2017 onder de berichten van de Hersteld Hervormde gemeente van Nieuwe Tonge

Van ds. G.R. Procee uit Middelharnis verscheen een lezenswaardig boekje Uit liefde tot Zijn kudde, als handreiking voor ambtsdragers. Echter niet alleen zij, maar ook gemeenteleden, kunnen met dit boekje hun voordeel doen. Met het oog op de komende vakantietijd die voor ons ligt, nemen wij een stukje over dat gaat over het belang van zelfdiscipline en het lezen van goede boeken.

‘Als de Heere het geloof in ons wil wekken door het gehoor van het gepredikte Woord, mogen wij dan menen dat de verdieping van het geloof wordt losgemaakt van het Woord? Nee, laten we voortdurend waakzaam zijn om bij elkaar te houden wat de Heere tezamenvoegt. Hij laat om zo te zeggen niets uit de hemel vallen. Hij gebiedt ons ook ervoor te arbeiden, ook al is het geheel van Zijn gaven altijd een vrucht van de Heilige Geest.

Men moet zich er dus niet over verwonderen, dat het geloofsleven verdort en verschrompelt wanneer men ontrouw is in het gebruik van de middelen. Er zijn mensen die zelden of nooit in de Bijbel lezen, zich daarentegen dronken voeden met het lezen van onbenullige boeken, bladen en tijdschriften. Daardoor blijft men geestelijk dor. Het is daarom van oudsher de aanbeveling geweest om, naast de Bijbel, tenminste iedere dag enkele ogenblikken bezig te zijn met een boek van betekenis. Dat hoeven dan niet vele boeken te zijn, liever zelfs bij voorkeur niet, maar één enkel boek met gedegen inhoud. Er is een schat van goed degelijk materiaal in de werken van de reformatoren, nadere reformatoren en de puriteinen. Zaak is om te verwerken wat wij lezen, zodat het een deel wordt van ons geestelijk eigendom. Bij deze zelfdiscipline komt het niet aan op de kwantiteit (hoeveelheid) maar kwaliteit.

Bij het lezen van boeken moet men niet gelijk zeggen dat dit te moeilijk is. Een langzame en grondige lezing van een goed boek waarbij men met een potlood gewapend is, kan vruchten afwerpen. Het is ook aan te bevelen een goede catechismusverklaring te lezen en daarbij aan te strepen wat nu belangrijk is. Na uw dagelijkse werk is het verfrissend om in de stilte rustig een uurtje te lezen. Belangrijk hierbij is de gewoontevorming. Het gaat hier niet om willekeurig af en toe bezig te zijn met deze zaken, maar uit het geloof dagelijks bezig te zijn met God en Zijn openbaring. Hierbij zijn zelftucht, levensstijl en gewoonte van onschatbare waarde. Wij moeten in deze zaken niet te veel toegeven aan een eenzijdige voorliefde tot spontaniteit. De gewoonte is van cruciaal belang. Anders missen wij de vorming. Wij dienen te leven volgens bepaalde regels. Ook een huisgezin leeft volgens bepaalde huisregels. Een kerk zonder goede gewoonten en tradities wordt een gebouw waarin alle ramen openstaan en alles in- en uitwaait. Zo is ook een mensenleven zonder orde slap en nutteloos. De gewoonte of de zelfdiscipline is de vorm die waardevolle materie voor uiteenvallen behoedt. De gewoonte of de zelfdiscipline is niet het koren zelf, maar de band die de kostelijke aren bijeenhoudt. Niet wat uit de aandrift van het ogenblik gebeurt, waardoor de genegenheid wordt veroorzaakt, maar datgene wat constant wordt volgehouden, geeft richting aan het leven. We moeten volhardend leven volgens vaste gewoonten en zelfdiscipline in acht nemen.

Goede gewoonten graven de geul waardoor het water van Gods Geest ons leven kan bevruchten. Zelfdiscipline is één van de grootste krachten van iemand die uit zichzelf zwak is.

De oefeningen in de verborgenheden van het geloof vraagt enkele vereisten. Er dient een goede Bijbelkennis te zijn. U zou voor uzelf enorm veel voordeel behalen, wanneer u persoonlijk de Bijbel doorlas aan de hand van de kanttekeningen van de Statenvertaling of bijvoorbeeld met behulp van de Bijbel met uitleg. Daarbij is ook een gedegen kennis van de belijdenisgeschriften van de kerk essentieel. Daarin vindt u een bron van kennis voor de vragen van het geestelijke leven. Deze geschriften zijn de eeuwen door voor de kerk een helder licht geweest in het onderscheiden van geestelijke vragen. Daarnaast wijzen wij uiteraard op het persoonlijke gebed en Schriftstudie en een trouwe kerkgang. Het kan ook nuttig zijn om summier enige indrukken van een gehoorde preek op te schrijven. De oude gewoonte van het schrijven is een eenvoudig middel om in de algehele wazigheid van het geestelijk denken concrete lijnen te trekken. Dat schrijven kan tijdens het beluisteren van de preek plaatsvinden, maar ook thuis daarna. Schrijven oefent ons geheugen en leert ons samen te vatten wat we hebben gehoord.

4.       Regen als Gods gedenken (ds. G.J. Blankers, Bruchem): gelezen in ‘Onder de vijgenboom’ van 5 juli 2017 onder de algemene berichten

Zwaar rusten de wolken op de toppen van de heuvels. Het is doordringend koud en de wind is bij vlagen hard. Het regent doordringend. Niets valt hier echt goed te plannen in dit door verschrikkingen verscheurde gebied, hoewel ik dat altijd wel zo goed en zo kwaad als het gaat, probeer te doen.

Ik zit vast. We kunnen niet verder. De terugreis wordt versperd. Een in der haast opgezet nieuw front verspert alles.

Al meer dan twee weken duurt dit voort. Soms klaart het weer op en is de warmte van de zon verkwikkend, maar meestal is het anders. In klamme kleren zonder kachel zitten we bij elkaar.

En dan een les….

Zo goed als het gaat probeer ik hier en vanuit hier voor anderen wiens lot je deelt omdat je deelgenoot van hen bent geworden, iets te betekenen. Op dit moment kan dat alleen door middel van het onderhouden van de contacten. Iemand vraagt mij via WhatsApp, hoe het met me gaat.

Ik vertel van de regen. Het antwoord van die Koerdische moeder is zo stil makend! Zelf heeft ze kleine kinderen wier hele leven oorlog is geweest en leeft ze eveneens zonder warmtebron, want brandstof is uiterst schaars en als het er al is, kan het vaak niet betaald worden.

Ze zegt: ‘Ik houd van de regen en als het regent, houd ik er van in de regen te lopen en door de regen nat gemaakt te worden’.

Ondanks haar moed benemende omstandigheden, is haar woord monter en is het alsof de hoop er van af sprankelt. Ik denk aan het westen, waar zo dikwijls wordt gemopperd als het alwéér regent. Daar wordt vaak gezegd: ‘Bah, het regent’, alsof regen iets vies is. Daar heb je een paraplu om vooral als het even kan niet nat te worden van de regen.

Wat deze vrouw zegt, staat er zo haaks op. Het is doordrenkt van iets totaal anders, van iets dat veel rijker is dan het oppervlakkige westerse, egocentrische denken, dat ook binnen de muren van de kerk welig tiert. Natuurlijk zingen we Ps. 84: ‘En stort op hen een milden regen, Een regen die hen overdekt, Verkwikt, en hun tot zegen strekt’. Wat echter heeft dat zingen van deze woorden als we eerlijk zijn met de beleving van de bezongen werkelijkheid te maken?

Voor deze vrouw in vaak uiterste beproeving, is het zo anders.

‘Regen’, zegt ze, ‘is Gods gedenken!’

‘Ook zal de regen hen gans rijkelijk overdekken’ (Ps. 84 : 7).

Maar dan ben je kletsnat! Dan ben je doordrenkt. Ja, inderdaad doordrenkt met water….en toch met meer! Daar zijn echter anders ogen voor nodig om dat te zien: Doordrenkt met de blijken dat God jou, nota bene jou met alles wat jou kan aanklagen, gedenkt. Dat gedenken heb je nodig. Zonder dat gedenken is er geen leven maar de dood, want de regen, Gods regen wekt tot leven.

‘Gij, moet de dichter zeggen, ‘hebt een zeer milde regen doen druipen, o God; en Gij hebt Uw erfenis gesterkt, als zij mat was geworden’ (Ps. 68 : 10).

Ik zie het gebeuren: De dorre, grauwe heuvels worden groen, fris groen. Niemand kan dat tegenhouden. Geen verschrikkingen van oorlogsgeweld, geen bloeddorstige terreur kunnen dat ongedaan maken. Het gebeurt. Nee! Niet: Het gebeurt! De Heere doet dit! Hij is de grote Actor, Dien Die het doet en Die het alles maakt. ‘Zie, Ik maak alle dingen nieuw’ (Openb. 21 : 5), ondanks alles en dwars door alles heen.

Ik weet heus wel, dat die paraplu niet zo bedoeld is. Maar vergun me het navolgende te schrijven: Weg met die paraplu van ons, waarmee we Gods blijken van Zijn gedenken afweren omdat we zelf bepalen wat wij aangenaam vinden. En bij dat wat wij aangenaam vinden, hoort meestal niet de regen….

Wie is jaloers op Syrië? Ach, het is daar altijd wat, zo wordt er gezegd en de afkeer, dan wel de haat tegen het onbekende bloeit als een giftige plant. Ach, in het western liggen we plat op onze rug en hebben ons overgegeven aan materialisme, eigenliefde, het verstoten van de naaste en wereldgelijkvormigheid. Ik stel het wellicht zwart wit. Maar laten we eens in de spiegel zien.

Oorlog, terreur en alles wat ermee gepaard gaat, het is met geen woorden te beschrijven. En toch: Het regent….God gedenkt….niet alleen in het natuurlijke maar dieper, groter, rijker, wonderlijker. Er is hier een vruchtbare bodem voor het zaad van het heilig evangelie. Daar gaan de pelgrims. Hun tocht is lang en zwaar. Hun heirbaan is dat smalle pad, dat door de wereld als een onbegaanbaar pad wordt beschouwd. Maar behalve dat dat pad heenleidt naar een heel zeker doel, regent het onderweg: Doet God het regenen. Ten spijt van alles wat tegen is, doordrenkt de Heere hen met de zichtbare, merkbare blijken van Zijn gunst over hen. De regen bestaat niet uit een paar spatjes, maar overdekt rijkelijk, ja die regen is die Koning der koningen Zelf (Ps. 72 : 6!), Die hen als de regen is. Uit Hem komt hun leven. Daarom gaan zij niet ten onder. Al komen ze uit de grote verdrukking, ZE KOMEM EN ZE ZULLEN AANKOMEN. Geen vuil zal op hun klederen zijn, want hun klederen zijn witgewassen in het bloed van het Lam. Regen ís Gods gedenken: Hij heeft gedacht aan Zijn genade…

Wilt u dit werk voortdurend in uw voorbede gedenken?

5.       Kind van de duivel (ds. M. van Kooten, Elspeet): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 7 juli 2017 onder de berichten van de Hervormde gemeente (PKN) van Elspeet

Bij de toespraak tot de doopouders jl. zondagmiddag bracht ik het liedje – althans wat er voor door moet gaan – ‘Ik ben een kind van de duivel’ ter sprake. Onlangs kwam in het nieuws dat predikanten in Vriezenveen de ouders waarschuwden voor deze straatdeun. Het lust me niet nader op de inhoud van de ‘song’ in te gaan, maar het is er inderdaad één met hemeltergende inhoud. ‘k Vernam inmiddels dat ook op reformatorische scholen het liedje is ingeslopen en de kinderen het op het schoolplein zingen. Uiteraard werd daar ook heftig tegen geprotesteerd en gewaarschuwd. Het optreden van de artiest die verantwoordelijk is voor dit wangedrocht en wiens pseudoniem zelfs een vloek is kon in  Hardinxveld-Giessendam voorkomen worden (en waarschijnlijk ook in Ouddorp; neemt u/jij het mee in uw/jouw gebed of dit ook daadwerkelijk voorkomen wordt?) Heel goed.

Met dergelijke liederen kunnen we kinderen vergiftigen. Dat kan overigens ook op godsdienstig vlak. De vrijzinnige Jacoba Mossel (1859-1935) – in 1900 reeds voorvechtster van de vrouw in het ambt – schreef ooit het volgende liedje waarvan Catharina van Rennes (1858-1940) – van wie koningin Juliana vroeger zangles kreeg – de melodie schreef:

Kind’ren van één Vader,

Reikt elkaar de hand!

Waar wij mogen wonen,

In wat streek of land,

Hoe wij mogen spreken

In wat tong of taal,

Kind’ren van één Vader

Zijn wij allemaal.

Dat is ook een liedgenre om voor te huiveren. ‘k Herinner me als de dag van gisteren de werfbaas op de scheepswerf waar ik werkte die gekipt en gebroed was in vrijzinnig Lekkerkerk en me ooit beweerde het met deze woorden te durven wagen wanneer zijn laatste uur zou slaan. Die algemene Vaderliefde was hem vroeger met de paplepel ingegeven en daar kon niets en niemand hem van afbrengen, volgens zijn zeggen.

William Booth (nota bene de stichter van het Leger des Heils) noemde een eeuw geleden het grootste gevaar voor de kerk ‘een religie zonder Heilige Geest, een hemel zonder hel, een geloof zonder bekering, heil zonder Heiland en christendom zonder Christus’.

Het is altijd nog mogelijk om met een ingebeelde hemel verloren te gaan.

Ds. L.G.C. Ledeboer werd op 1 oktober 1840 in Elspeet beroepen. Had de beste man dit beroep aangenomen dan was de reglementenbundel en het gezangboek vanaf onze kansel afgesmeten en in de pastorietuin begraven en de legendarische woorden uitgesproken: ‘Daar liggen moeder en kind’. Ledeboer had een afschuw van de evangelische gezangen die men in de hervormde kerk verplicht moest zingen omdat deze grotendeels onschriftuurlijk waren zoals de 98e waar de gemeente op de lippen werd gelegd:

Wij danken U, barmhartig God en Vader

Aanschouw het kroost, thans door den Doop herboren’.

Toch schreef hij zelf ook een heus gezangboek voor kinderen in 1843 getiteld: ‘Geestelijke lofzangen voor kinderen van de gereformeerde belijdenis’. Niet voor de eredienst maar wel voor huiselijk gebruik. Ongetwijfeld zal het oeuvre van deze dominee-dichter de toets der kritiek van letterkundigen niet kunnen doorstaan maar er zit net als in de psalmberijming van Datheen wel pit en merg in. Wat denkt u bijvoorbeeld van het volgende lied getiteld ‘De ontdekking door de wet’ dat te zingen is op de wijs van ‘God enkel licht’ waaruit ik een paar coupletten citeer:

De wet eist recht

En ik ben slecht,

Aan alle kwaad gebonden;

In Adams val

Geheel en al

Geboren in de zonden.

 

Het zwijnendraf

Kies ik, en ’t kaf

Voor voed- en duurzaam koren;

Mijn eigen drek

Eet ik, o gek!

En wil naar God niet horen.

 

Een dorre boom,

Een vuile stroom

Van ongerechtigheden;

Een stinkriool,

Waar ik in dool.

En droom van heil en vrede.

 

Hoort naar de Heer’,

En volgt Zijn leer,

En bidt om Zijn genade,

Tot Hij u hoort

En ’t hart doorboort

En brengt op ’s levens paden.

 

Wat men van zo’n lied ook moge vinden, het is een goed tegengif tegen al het verderfelijke gif dat op onze kinderen afkomt.

6.       Kerkgebouw Wapenveld 50 jaar (ds. J.K.M. Gerling, Wapenveld): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 7 juli 2017 onder de berichten van de Hervormde gemeente (PKN) van Wapenveld

Op vrijdag 16 juni bestond ons kerkgebouw precies 50 jaar. We hebben dat jubileum in stilte laten passeren. Wel heb ik in één van de diensten op de zondag erna de dank gebracht waar deze thuishoort: voor de troon van de Heere. Hij schonk ons de genade dat, onder dit eenvoudig pannendak, een halve eeuw het Woord van eeuwigheid is gezaaid. Zo leek deze mijlpaal snel uit ons blikveld te verdwijnen. Tot de vorige kerkbode. Daarin stond een aflevering van de rubriek ‘Een halve eeuw geleden’. U weet wel: dat is die hoek van de kerkbode die voor 95% (voorzichtige inschatting) wordt gevuld met oude schrijfsels van ds. J.T. Doornenbal uit Oene. Zo ook verleden week. Maar deze keer trok de rubriek wel in het bijzonder mijn aandacht. Ds. Doornenbal deed namelijk uitgebreid verslag van de inwijding van de kerk van Wapenveld. Het is een prachtige impressie, die ik met een glimlach heb gelezen. De glimlach werd op een moment zelfs een schaterlach. Na de openingsdienst, geleid door ds. Den Duyn, was er in het verenigingsgebouw een samenkomst met eindeloze toespraken. Verschillende vertegenwoordigers van andere Wapenveldse kerken feliciteerden de kerkvoogdij. Ze deden daarbij stuk voor stuk een duit in het zakje als het gaat om de noodzaak van de kerkelijke eenheid. Dat ds. Doornenbal van deze oecumenische vrijages niets moest hebben, blijkt uit die ene zin, waarin hij heel zijn gevoelen samenvat: ‘Ik voor mij schopte ze net zo lief ’t kanaal in’. Even deed ik mijn ogen dicht, toen ik dit las. Voor mijn geestesoog zag ik ze zwemmen in het kanaal, alle afgescheidenen en uitgetredenen van Wapenveld. Toen deed ik maar snel mijn ogen weer open en dacht: zoiets zou ik eens moeten schrijven…Reken er maar op dat al de volgende dag de bijzondere visitatie met loeiende sirene de Kerkstraat binnenrijdt. Zo niet in 1967. Het was ook echt een andere tijd en, zoals de broeders van de kerkenraad van Oene zondagavond tegen me zeiden: ‘Doornenbal was Doornenbal’. En zo is het maar net. Ik geef tot slot de afsluitende zin van het stuk van ds. Doornenbal weer: ‘Hoe dan ook, we zijn blij voor Wapenveld met haar mooie kerk en hopen op haar zegen en op de vrede voor Jeruzalem’. Déze door mijn overleden collega uitgesproken hoop blijft en houdt haar kracht, lang nadat ds. Doornenbal gestorven is.

7.       Je moet maar durven! (ds. M.A. Kempeneers, Katwijk aan Zee): gelezen in ‘Bewaar het Pand’; orgaan binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken, van 1 november 2016

En zij riepen voor zijn aangezicht: Knielt! Genesis 41 : 43

‘Maar dat durf ik zomaar niet aan te nemen, hoor! Ik durf zomaar niet te geloven dat de Heere Jezus ook mij wordt aangeboden’.

Misschien herken je deze bedenkingen wel als het gaat over het geloof.

‘Je moet tegenwoordig maar geloven! Maar ik kan niet op commando geloven’. En inderdaad, als er gesuggereerd wordt dat de mens zelf wil en kan geloven, dan ben ik het met zulke bedenkingen wel eens. Anderzijds, de Bijbel leert ons beslist niet dat je het dan allemaal maar moet afwachten. Nee, er staat duidelijk in onze belijdenis dat de belofte van het Evangelie moet gepredikt met bevel van bekering en geloof. En je moet maar durven om dat bevel naast je neer te leggen!

Farao is diep onder de indruk van de wijsheid van die Hebreeuwse gevangene. En dan zegt hij: ‘Gij zult over mijn huis zijn…’

Jozef hoorde het ongetwijfeld met verwondering aan. Een dag geleden zat hij nog in de gevangenis. En nu is hij de hoogste uitvoerende macht in Egypte!

Jozef krijgt de bevoegdheid om in naam van Farao te regeren. En als bewijs van die volmacht krijgt hij allerlei tekenen van de Farao uitgereikt.

Hij wordt officieel geïnstalleerd.

Hij krijgt de zegelring van Farao, waarmee diens bevelen worden bekrachtigd.

Hij krijgt dure fijn-linnen kleren aan, die alleen door de adel van Egypte werd gedragen.

Hij krijgt een gouden keten om zijn hals, een soort gouden kraag, die in het oude Egypte tot de uitrusting van de adel behoorde.

Ten vierde krijgt Jozef een nieuwe naam: Zafnath-Paäneah. Wat die naam precies betekent, daar bestaat wat onduidelijkheid over. De meeste verklaarders vertalen hem met ‘behouder des volks’ en daar zal het inderdaad wel dichtbij zitten.

En tenslotte laat Farao Jozef rijden op de wagen, die in de koninklijke stoet onmiddellijk na de zijne kwam. Jozef wordt op die schitterende praalwagen rondgereden, en ervoor gaan de herauten, die roepen: Knielt! En daarin komt openbaar dat de Farao het beste met zijn volk voor heeft!

Hij zoekt hun leven! Vandaar de naam van de onderkoning: ‘behouder des volks’. Maar wee die Egyptenaar die dacht: ‘Moet ik voor die Hebreeër knielen? Voor zo’n schaapherder? Dat weiger ik’. Bij de wagen van Jozef lopen soldaten met uitgetrokken zwaarden. Die hem niet alleen moeten beschermen, maar ook iedereen neerslaan die weigert te buigen. ‘Knielen zul je! De Farao heeft het bevolen!

Dat kost hen het leven.

Laten we de lijnen eens doortrekken. Jozef is immers een type van de Heere Jezus. Zijn leven en werk zijn een voorafschaduwing en een profetie van de Zaligmaker. En ten aanzien van deze Zaligmaker worden ook bevelen gegeven. We lezen in de Dordtse Leerregels: ‘En opdat de mensen tot bekering en het geloof in deze Christus zouden worden gebracht, zendt God goedertierenlijk verkondigers van deze zeer blijde boodschap, tot wie Hij wil en wanneer Hij wil’.

Er staan in de Bijbel bevelen. Predikers moeten in naam van God in de gebiedende wijs spreken: ‘Bekeert u, waarom zoudt ge sterven?’

En bevelen moeten gehoorzaamd worden. Wee de Egyptenaar die bleef staan. En ook: wee de mens die o zo grote Zaligheid geen acht geeft! (Hebr. 2 : 3).

Wij kunnen wel zeggen: ‘Ja maar, ik durf dat zomaar niet aan nemen! Ik durf zomaar niet te geloven!’

Ach, wij durven zoveel. Wij durven te zondigen, terwijl God zegt: ‘De ziel die zondigt zal sterven!’

Wij durven overeind te blijven staan, terwijl de Heere zegt: ‘Knielt’!

En nee, dan ontken ik onze totale onbekwaamheid en verdorvenheid niet. Ik wil slechts de klem van Gods bevel op jullie hart binden. Want knielen zullen we. Is het niet goedschiks, dan is het kwaadschiks. Is het niet vrijwillig, tijdens ons leven door bekering en geloof, dan zal het straks zijn, bij het laatste oordeel, als Hij zegt tegen Zijn engelen: ‘Doch deze mijn vijanden, die niet hebben gewild, dat Ik over hen Koning zoude zijn, brengt ze hier, en slaat ze hier voor Mij dood’ (Lukas 19 : 27).

Lieve jonge mensen, hoor dan toch de liefelijke aanmoedigingen: ‘Komt, buigen wij ons biddend neer, en laat ons knielen voor deze Heer’ (psalm 95).

En: ‘Zo zijn wij dan gezanten van Christus’ wege, alsof God door ons bade: wij bidden van Christus wege: laat u met God verzoenen (2 Korinthe 5 : 20).

8.       Man van de kansel (ds. L.J. Geluk, Rotterdam): gelezen in ‘de Waarheidsvriend’; orgaan van de Gereformeerde Bond binnen de PKN, van 11 december 2015

Hervormd-gereformeerde theologen (5, slot, ds. L. Kievit)

Leendert Kievit werd op 17 augustus 1918 te Benschop geboren. Hij studeerde theologie in Utrecht en was achtereenvolgens predikant in Schoonrewoerd (1942), Putten (1945), Woerden (1952), opnieuw Putten (1957), Leiden (1964) en Gouda (1969-1984). De predikant overleed 25 jaar geleden, op 20 april 1990.

In de vorige eeuw had de naam ‘ds Kievit’ in het rechtzinnige deel van de Hervormde Kerk van Nederland gedurende tientallen jaren een bijzondere klank. Het ging dan over vader en/of zoon.

De vader was ds. I. Kievit, die vele jaren in Baarn predikant was. Hij was een geleerd man, thuis in theologie en filosofie. Als prediker ging zijn invloed ver over de grens van de gemeente die hij van 1923 tot 1952 met het Woord diende.

De zoon was ds. L. Kievit. ‘Men’ wilde die twee nogal eens tegen elkaar uitspelen, maar dat was niet terecht. Zij waren eensgeestes. Elk van beiden was toegerust met eigen gaven, waarmee hij zich met liefde en toewijding voor de dienst van de Heere inzette.

Gentleman

De lagere school en het gymnasium bezocht Leendert Kievit in Baarn, het deftige dorp dat hem voor het leven stempelde, want wie ds. L. Kievit ontmoette, ontmoette een gentleman. Na zijn studie aan de Utrechtse universiteit werd Schoonrewoerd de eerste gemeente van ds. L. Kievit. Zijn vader bevestigde hem op 16 augustus 1942. Dat was midden in de oorlog. De tekst voor de intreepreek blijkt het motto geworden te zijn voor al de jaren die ds. L. Kievit in de kerk heeft mogen dienen: ‘Heere, open mijn lippen, zo zal mijn mond Uw lof verkondigen’ (Ps. 51 : 17).

Ds. L. Kievit was een prediker, een man van de kansel. Prediken, Christus prediken was zijn lust en zijn leven. Hij zag er ook steeds erg tegenop. Hij kende het gewicht van het ambt, en wist dat het gaat om niet minder dan de verkondiging van het goddelijk Woord. Dat deed hij met overgave, met alle gaven van hoofd en hart. Hij leefde en werkte vanuit het beginsel dat waar het Woord komt de kerk tevoorschijn komt. Zo sticht Christus Zijn kerk, terwijl het Woord de kerk ook richt.

Schoonrewoerd, Putten

De gemeente van Schoonrewoerd was meer dan twintig jaar zonder predikant geweest. Het werk werd toen gedaan door een godsdienstonderwijzer, wiens prediking zeer bevindelijk was, maar waardoor de betekenis van de sacramenten veel te kort was gekomen. De 24-jarige dominee had dus de gemeente wel het één en ander bij te brengen.

Een nog veel zwaardere taak wachtte hem toe na drie jaren de gemeente van Putten hem beriep. Putten was een dorp van weduwen, naar een woord van ds. J.T. Doornenbal. In de razzia van 1 oktober 1944 waren door de Duitse bezettende macht honderden mannen en jongens opgepakt en afgevoerd. Een deel van het dorp was in de as gelegd. Uit het concentratiekamp keerden na de bevrijding maar enkele tientallen mannen terug. Er was in Putten nauwelijks een familie te vinden waar geen dode was te betreuren. Soms waren het er meer dan één uit een gezin of familie. Overal was verdriet en rouw. Zo trof ds. Kievit de gemeente aan, toen hij in augustus 1945 in de vacature van ds. C.B. Holland aan haar verbonden werd. Die situatie vroeg in prediking en pastoraat veel van hem. Met inzet van al zijn krachten, met al de liefde van zijn hart gaf hij zich aan deze zwaar beproefde gemeente, die hij na zeven jaren verliet om er vijf jaren later terug te keren.

Richtingen

In die tussentijd diende hij de gemeente van Woerden. Dat was sinds jaar en dag een ‘confessionele’ gemeente, waar hij als eerste ‘bonder’ kwam. De situatie was daar totaal anders dan in Putten. Nu kreeg hij met de richtingenstrijd te maken. Hij was echter geen ‘richtingman’ en had ook geen strijdlustig karakter. Zijn vader had een enigszins onafhankelijke positie in de kerk ingenomen, met de zoon was dat niet anders. Hij bleek geen lid van de Gereformeerde Bond te zijn, toen hij in 1962 tot lid van het hoofdbestuur werd gekozen. Toen onder aanvoering van ds. G. Boer het hoofdbestuur lijnen ging trekken die voor hem toch wat te krap waren, wilde hij de voorzitter niet in de weg staan en trok hij zich uit het hoofdbestuur terug. Overigens werd hij in 1974 weer lid daarvan, hetgeen hij bleef tot 1986. Ds. Kievit was een man van het Woord en van de kerk. Dat betekent voor een dienaar van het Woord goede aandacht voor de grondtalen, het Hebreeuws en Grieks. Daarbij was hij bedreven in het Latijn en besteedde hij uiterste zorg aan de Nederlandse taal in preek en geschrift. Hij vond het nodig niet alleen ‘oude schrijvers’ te lezen, maar ook romans om de tijd en tijdgeest te onderkennen. Zo heeft hij het ook zijn leervicarissen voorgehouden. Tot wetenschappelijke publicaties kwam hij niet, hoewel hij een man van de wetenschap was.

Kerk

Een man van de kerk. Dat was hij ook. Niet een man van een groep. In een evangelisatie was hij nooit voorgegaan, verklaarde hij eens ter generale synode. Naar die ambtelijke vergadering vaardigde namelijk de classis Harderwijk hem in 1948 af. Zijn plaats werd in 1949 door ds. J. de Lange (Nunspeet) ingenomen, maar in 1950 (tot juni 1952) was ds. Kievit weer lid van de synode. Ook de classis Gouda vaardigde hem naar de synode af, waar hij van 1953 tot 1957 zijn plaats innam. Enkele jaren was hij ook lid van het moderamen van de synode. In die perioden kwamen in deze breedste ambtelijke vergadering van de kerk heel belangrijke onderwerpen aan de orde zoals: de nieuwe kerkorde, het ‘Dienstboek’, de openstelling van de ambten voor de vrouw en het zogeheten ‘Hervormd-Remonstrants gesprek’.

Ds. L. Kievit was geen debater. Hij was niet iemand die tijdens de zittingen van de synode steeds weer het woord vroeg. Later in de vergaderingen van het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond deed hij dat ook niet. Maar wanneer hij het woord gevraagd had, sprak hij met wijsheid en vaste overtuiging.

Synode

In november 1950 gaf hij in de synode uiting aan zijn bezwaar tegen de vele organen van bijstand die de nieuwe kerkorde kende. Hij voorzag de verzelfstandiging van deze organen tegenover de ambtelijke vergaderingen, zoals het later ook is gegaan. Ook bepleitte hij de voorrang in de kerkorde van het artikel over het belijden van de kerk (art. X) op dat over het apostolaat (art. VIII). Zijn grote bezwaar was dat de confessionele bepaaldheid van de kerk min of meer werd ‘opgeofferd aan een zekere apostolaire gerichtheid’. Hij kreeg slechts vijf synodeleden in zijn bezwaar mee. Het was er de oorzaak van dat hij tegen de nieuwe kerkorde moest stemmen. Dat deed hem wel leed, zoals hij uitdrukkelijk verklaarde. Ook hier hebben de ontwikkelingen hem helaas gelijk gegeven. In de volgende jaren is door de welhaast apostolaire obsessie de Hervormde Kerk ten koste van haar belijdenis en inhoud uitgehold, tot zij in haar historische gestalte verdween om op te gaan in de nieuw opgerichte Protestantse Kerk in Nederland.

Psalm 116

Zijn vierde gemeente was de universiteitsstad Leiden, waar hij getuige was van de vele en scherpe tegenstellingen die de kerk in die jaren verscheurden. Daarna kwam Gouda, waar hij vijftien jaren met grote vreugde en met zegen predikant was. In de St. Janskerk, zo rijk aan historie, voelde hij zich thuis. Bij zijn 65e verjaardag werd hem een ‘bundel opstellen over de dienaar en de bediening van het goddelijke Woord’ aangeboden. Kort daarna ging hij met emeritaat (29 april 1984). Zijn lichamelijke krachten waren toen sterk afgenomen. Met zijn geliefde vrouw, A.G. Kievit- van Ginkel, trok hij voor de derde maal naar Putten, dat voor hen beiden onvergetelijk was geworden. Daar nam zijn gezondheid verder af, tot hij op 20 april 1990 naar Huis mocht gaan. Op de rouwcirculaire werd een deel van Psalm 43 in de vertaling Gerhardt/Van der Zeyde afgedrukt: ‘Wat buigt ge u neer, mijn ziel, wat zijt ge ontrust in mij? Stel gij op God uw hoop: eenmaal loof ik Hem wéér die mij bevrijdt – mijn God’.

De stoet die de baar bij zijn begrafenis vanuit de Oude Kerk van Putten naar de begraafplaats volgde was een zingende stoet. Gezongen werd psalm 116. Alle verzen. De Psalm, die begint in de diepte van de banden van de dood en de angsten der hel, en eindigt met het huis des Heeren en het blijde ‘Halleluja’. Dat was de psalm van ds. L. Kievit.

9.       Psalm 135 (ds. G.J. Jansen): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 23 juni 2017 onder de berichten van de Hervormde Gemeente (PKN) van Voorthuizen

Het gaat in dit lied om de lofprijzing van God. Eigenlijk is heel deze Psalm een doorlopend groot maken van de God van Israël. Begin en einde worden ook gevormd door het meer voorkomende ‘Halleluja’. We komen dat ook tegen in de psalmen 104-106, 111-113 en andere. Wie de inhoud van deze psalm probeert te begrijpen en zich afvraagt wat in dit lied bezongen wordt, zal ontdekken dat opgeroepen wordt om de Heere te prijzen vanwege Zijn grote daden. God heeft met grote macht Israël verlost uit de onderdrukking van Egypte en het land Kanaän aan Zijn volk gegeven. God is ook geheel anders en veel hoger dan de afgoden. Deze psalm is zeer geschikt voor de dankzegging van het Heilig Avondmaal. Het meest kenmerkende van de psalm is wel vers 3 berijmd en dan dat woord ‘eigendom’. We kunnen daarbij denken aan Exodus 19 : 5 ‘zo zult gij Mij een eigendom zijn uit alle volken’. Dat houdt in: alles, wat Israël is, dat is het door het verkiezend en uitleidend handelen van God. Israël heeft dat voorrecht vaak op de voorrechte wijze geïnterpreteerd en telkens de neiging gehad zich daardoor boven andere goden te verheffen. De profeten hebben daar wel het hunne over gezegd. En het gevolg was de ballingschap. In Israël ingelijfd, zoals we wel zingen bij de bediening van de Heilige Doop en verbonden zijn met het heil in Israël door Jezus Christus gegeven en gezet aan de Avondmaalstafel, drukt niet uit dat ik mij kan verheffen. Het is de almachtige hand van Hem, Die Zichzelf gaf tot de dood, tot mijn redding! En wat houden we zo over? Gods lof vanwege Zijn grote daden. Want Hij, die eeuwige Heere voert uit naar vrijspraak en het licht! En bij het binnentreden van de heilige gebouwen zingen we: God is goed, loof Hem te saam!

Op de één of andere manier was deze Psalm 135 aan onze aandacht ontglipt. Maar gelukkig wist Liesbeth Zethoven-Jansen ook deze gedachten van wijlen ds. G.J. Jansen te vinden en te digitaliseren. Op 30 mei 1980 werd bovenstaande meditatie voor het eerst geplaatst in de Veluwse Kerkbode. Nu dus voor de tweede keer. De Veluwe tot zegen. De tegenkrachten van het heidendom met zijn afgoden tegen het Evangelie zijn helaas toegenomen. Laten wij in ieder geval de lofzang gaande houden! L.W. Smelt

10.   Begraven of resomeren  (ds. J. Koppelaar, Katwijk aan Zee): gelezen in de Kerkbode van de Hersteld Hervormde Gemeente van Katwijk aan Zee van 26 mei 2017

Misschien hebt u nog nooit van het laatste woord gehoord. Het is dan ook een nieuw woord en het betekent zoiets als verpulveren of verdampen. Resomeren (ook wel Hydrolyse genoemd) is een moderne manier om een gestorven lichaam in drie uur te laten ontbinden. Volgens de uitvinder, Sandy Sullivan (Schotland) is resomeren milieuvriendelijker dan cremeren. TNO heeft daar in Nederland al onderzoek naar gedaan en bevestigt deze opvatting. Het lichaam wordt eerst vanuit de kist in een installatie geschoven, waarin het wordt opgelost in water met loogzout, dat onder druk wordt verhit tot 150 graden. ‘Een natuurlijk afbraakproces, vergelijkbaar met dat in de grond. Alleen duurt dat enkele tientallen jaren en resomeren 2 tot 3 uur’, zeggen de voorstanders. Na afloop blijft van het lichaam alleen een klein beetje as en vloeistof over. Volgens de tegenwoordige Wet op de lijkbezorging is het in Nederland nog niet toegestaan. Minister Plasterk heeft inmiddels onderzoeken laten doen naar het draagvlak voor deze methode en berichtte daarover op 11 april jongstleden. Het bleek dat 66% van de Nederlandse bevolking geen bezwaar had tegen de invoering ervan. Naar verwachting zal deze methode binnen afzienbare tijd in het parlement aan de orde komen. De meeste bezwaren kwamen uit protestants-christelijke en islamitische hoek. De minister verwacht dat hij in het najaar van 2017 de kamer kan informeren over concrete beleidsvoorstellen. Hoe moeten wij hier tegenover staan? Prof. Dr. M.J. Paul schrijft daarover het volgende: ‘Christenen hebben de eeuwen door een grote voorkeur gehad voor begraven vanwege het gezaaid worden in de aarde en de verwachting van de opstanding van de doden (zie 1 Korinthe 15). Verbranding is in de Bijbel een straf (bijv. Joz. 7:25). De nieuwe methoden van lijkbezorging worden uiteraard niet in de Bijbel genoemd en daarom is het van belang de grondgedachten na te gaan om die toe te passen in onze tijd. Het is mogelijk met praktische argumenten te komen (kostenbesparing, milieu), maar wat willen wij tot uitdrukking brengen in het omgaan met onze overledenen? Het zaaien in de aarde en het uitzien naar de toekomst is iets anders dan het zo snel en correct mogelijk van de lichamen van onze doden afkomen. Gezien de hoge kosten van begraven zal er in de toekomst ongetwijfeld belangstelling zijn voor goedkopere methoden, zeker als die nog milieubesparend zijn. Ik hoop dat de christelijke gemeente zich zal laten leiden door andere motieven en vooral zal blijven wijzen naar de opstanding uit de dood. Het is waar dat God uit verbrande of geresomeerde lichamen ook een opstandingslichaam kan maken, net zo goed als uit lichamen die in het graf vergaan zijn. Voor mij is het belangrijkste punt: welk getuigenis geven wij af wanneer wij met de dood te maken hebben? Voor velen in onze maatschappij stopt het leven bij de dood en is slechts van belang dat de dode lichamen netjes verwijderd worden. Vanwege de behoefte aan een herinneringsplaats kan de as bijgezet worden op een begraafplaats. Mijn pleidooi is dat christenen in de vorm van lijkbezorging tonen dat zij weet hebben van een leven na de

dood, een eeuwig voortbestaan en een verwachting van de opstanding van het lichaam.’

11.   Een vermaning voor dit leven (ds. J.P. Verkade): gelezen in de Kerkbode van de Hersteld Hervormde Gemeente van Katwijk aan Zee van 16 juni 2017

Zo dan, mijn geliefde broeders, zijt standvastig, onbewegelijk, altijd overvloedig zijnde in het werk des Heeren, als die weet, dat uw arbeid niet ijdel is in den Heere. (1 Korinthe 15 vers 58)

 De apostel Paulus eindigt ons teksthoofdstuk met een vermaning waarin hij de taak en de roeping in dit leven aangeeft. Daar wij allen nog in dit leven mogen zijn, geldt deze vermaning ook voor ons. Ja, maar Paulus schrijft toch aan broeders? Inderdaad, in deze brief aan de gemeente te Korinthe spreekt hij hen aan als zijn geliefde broeders. Hij gevoelt de band des geloofs, der liefde en der gemeenschap.

 Dat deze band ook in onze dagen meer gevoeld mocht worden. Want de liefde bedekt alle dingen, gelooft alle dingen, hoopt alle dingen. De liefde denkt geen kwaad en zoekt zichzelf niet. Wat zijn wij daar ver vandaan. Nu was de gemeente van Korinthe alles behalve een volmaakte gemeente. Hoevele bestraffingen heeft Paulus niet aan hun adres gericht. En toch zegt hij: Mijn geliefde broeders. Het waren zijn geestelijke broeders, zijn geliefde broeders. Zo dan, mijn geliefde broeders, weest dankbaar voor hetgeen God in Christus voor ons en aan ons gegeven heeft. Laat ons God danken dat Hij ons de overwinning geeft door onze Heere Jezus Christus. Maar Gode zij dank, zo spreekt het geloof. Doch een geloof zonder de werken is dood. Daarom volgt vs. 58 op vs. 57. Geloof moet blijken. Een boom wordt toch aan de vruchten gekend. In de werken des geloofs wordt het geloof zichtbaar. Nu is het geloof van de gelovige zwak en klein. Daarom is deze vermaning niet overbodig. Zijt standvastig, onbewegelijk. Hebt u uzelf al als onstandvastig en bewegelijk leren kennen? Wat laat een mens zich gemakkelijk beïnvloeden door andere mensen, ook door andersdenkenden. Hoeveel mensen hebben zelf geen vaste mening omdat zij niet gegrond zijn in het Woord en standvastig zijn in het geloof en in de leer die ons is overgeleverd?

 Hoeveel mensen zijn een vriend van wie zij het laatste gesproken hebben? Waren zij nu maar een vriend Gods, zoals Abraham, en hadden zij nu het laatste gesprek maar met God gevoerd dan was het wel goed, maar daar ontbreekt het aan. Wat laat een mens zich gemakkelijk beïnvloeden door wat men leest, hoort en ziet via de moderne communicatiemiddelen. Dat men vanuit een bepaalde richting beïnvloed wordt heeft men niet eens in de gaten. En hoeveel invloed heeft de wereld waarin wij leven op ons? Wie is geen kind van zijn tijd? Welk gezin wordt niet beïnvloed door de geest van de tijd? Wie doet niet mee aan de gewoonten en mode van de tijd? Wie niet aan de vervlakking en afval van de tijd? En achter al deze genoemde factoren werkt de satan en tracht hij hierdoor alle mensen te verleiden.

Daarom, gij ouderen en jongeren, die dit leest, zijt standvastig, onbewegelijk in het Woord van God, waarin u wellicht van kindsaf bent opgevoed en onderwezen.

Zijt standvastig, onbewegelijk in de leer die ons is overgeleverd. Denkt aan de Drie formulieren van Enigheid.

Zijt standvastig, onbewegelijk in de beginselen die op het Woord van God en de leer der zaligheid gegrond zijn.

Laat u niet meevoeren door schoon klinkende leuzen en mooie beloften. Toetst al wat u leest en hoort aan het Woord van God en het geloof dat uit God is. Twijfelt niet aan God en Zijn Woord, zowel in bedreiging als belofte, want die twijfelt is een baar der zee gelijk.

Zijt standvastig onbewegelijk. Deze vermaning geldt voor ons allen! In het bijzonder wel voor onze jonge mensen. Wat komt er veel op hen af om hen tot andere gedachten, inzichten en meningen te brengen. En wat hebben allen, die in kerk of school, staat of maatschappij een verantwoordelijke plaats in mogen nemen deze vermaning in onze tijd nodig. Daar zijn wat uitwendige verzoekingen en inwendige slingeringen en wie zijn wij zelf?

Verwacht het daarom alleen van Hem Wiens kracht in zwakheid volbracht wordt.

Altijd overvloedig zijnde in het werk des Heeren.

 Dus met ijver en vlijt altijd voortgaan en toenemen in het werk des Heeren en in de werkzaamheid voor de Heere. Wij zijn zo gauw geneigd op onszelf en op de omstandigheden te zien en dan neemt de ijver zo gemakkelijk af. Laten we daarom niet op onszelf, noch op de mensen en de omstandigheden en vruchten zien, maar op de Heere die ons die arbeid opgelegd heeft.

 Het werk des Heeren.

Dat kan slaan op het persoonlijke werk van God door Zijn Woord en Geest in onze harten, bijv. Godskennis, zondekennis, gebed, geloof, genade, kennis van de Middelaar Jezus, van lijdzaamheid en heiligmaking. Dat we de kennis en genade, die God ons gaf ten nutte van anderen mochten aanwenden.

Het werk des Heeren.

Dat kan slaan op het werk waartoe God ons geroepen heeft. We moeten ons beroep of roeping naarstig waarnemen. De hand des vlijtigen zal gezegend worden. We moeten ons werk doen in afhankelijkheid van God, die ons de nodige wijsheid, bekwaamheid en krachten geven kan. We moeten ons werk doen uit het geloof, naar Gods wet en tot Gods eer.

Als die weet, dat uw arbeid niet ijdel is in den Heere.

Ziende op onszelf kunnen we geen vrucht en zegen op ons werk verwachten.

Maar volgens de beloften van God zal die arbeid niet zonder vrucht en zegen zijn, niet om onzentwil maar in den Heere, dus om Christus’ wil. Moge dit u tot troost zijn om door te gaan in die arbeid, gehoorzaam aan de roeping en blind voor de uitkomst. Laten we doen wat onze hand vindt om te doen en de uitkomst aan God overlaten.

12.   Catechisantenvragen (13; ds. W. Pieters, Garderen): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 23 juni 2017 onder de berichten van de Hersteld Hervormde gemeente van Garderen

De dertiende vraag luidt: We mogen niets aan de Bijbel toevoegen. Maar is de Catechismus ook niet een toevoeging?

Als we de Catechismus beschouwen als een stukje van de Bijbel, dan heb je gelijk: dat is verboden. Maar we beschouwen de Catechismus niet als een stukje van Gods heilig en onfeilbaar Woord. Nee, de Catechismus is een soort uitleg van de Bijbel, en wel een uitleg die de hele kerk van Nederland heeft aanvaard als belijdenisgeschrift.

Wat is een belijdenisgeschrift? Daarin schrijven we wat we belijden over de dingen die de Bijbel ons leert. Dus de Catechismus is geen toevoeging aan de Bijbel, maar een uitleg of belijdenis van de Bijbel.

13.   Op de sabbatdag: zondagswerk (ds. M. van Reenen, Oldebroek): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 16 juni 2017 onder de berichten van de Hersteld Hervormde gemeente van Oldebroek

Als je zo kijkt hoe veel afleveringen er al van deze rubriek geweest zijn, zou je bijna denken dat het houden van de zondag ingewikkeld was. In essentie is het echter heel eenvoudig. We worden immers in het vierde gebod tot 3 dingen opgeroepen: gedenken, heiligen en niet-werken.

Gedenken – daarom is de kerkdienst zo centraal.

Heiligen – daarom ziet deze dag er anders uit dan andere.

Niet-werken – daarom zullen we bepaalde dingen achterwege (moeten) laten.

Van dit laatste hebben we al enkele dingen genoemd, maar misschien wel de belangrijkste nog niet. Hoe zit het eigenlijk met zondagswerk? ‘Dan zult gij geen werk doen’ staat er. Dat lijkt eenvoudig: gewoon niet werken. De werkzaamheden van je dagelijkse beroep moet je laten liggen. Maar als je wat beter kijkt, is het toch de vraag hoe ver dat strekt. Zeker in onze complexe maatschappij is dat een ingewikkelde zaak. Voor sommigen is dat niet ingewikkeld: je doet je dagelijkse werk eenvoudigweg niet op zondag.

Een onderwijzer, ambtenaar of winkelbediende (in onze streek) zal dit automatisch niet hoeven. Anderen werken wellicht bij een bedrijf waar wel op zondag gewerkt wordt, maar voor wie het principe heel duidelijk is: je werkt pertinent niet op zondag. Als je vrachtwagenchauffeur bent, stratenmaker, automonteur of ict’er bijvoorbeeld. Wees daar tegenover de werkgever dan direct heel duidelijk in, bij het eerste sollicitatiegesprek al. Er zijn immers werkgevers die steeds weer proberen om je tóch op zondag in te schakelen. Als je dan niet heel duidelijk bent, dan is het eind zoek. ‘Als je hem één vinger geeft, dan neemt hij de hele hand’. Je geeft één keer toe (omdat je het toch wel erg lastig vindt voor je baas…) en daarna is het: ‘Toen en toen kon je ook, dus kun je het nu ook wel doen’. Niet aan beginnen! Is het dan niet flauw tegenover je collega’s, die wél op zondag moeten werken? Nee, zo hoef je het niet te zien! Het is hun eigen keuze (en nog wel tegen Gods Woord in). Wat wel belangrijk is: zorg dat je de rest van de tijd voor anderen klaar staat! Anders kan men gaan denken, dat je ‘principe’ om niet op zondag te werken alleen maar een excuus is om lekker lui te zijn. En: wees eerlijk naar jezelf. Er zijn er die uit principe niet op zondag werken, terwijl ze dan niet naar de kerk gaan…..

Ingewikkelder is de vraag voor beroepen waarin je ‘storingsdienst’ hebt. Voor sommige typen storingsdienst is dat duidelijk. Een melkmachine moet gerepareerd worden, de waterleiding van een ziekenhuis ook. Maar een riolering? De koelkast van een restaurant? Enzovoorts. Als vuistregel kun je de vraag stellen: werk ik zo mee aan werk van noodzakelijkheid (zoals koeien melken, verzorging van zieken) of aan onnodig zondagswerk?

Bij weer andere beroepen is het duidelijk: daarin móét ook op zondag gewerkt worden.

Dat geldt voor een dominee…Maar ook voor een boer of een verpleegster. Daar gaat het om werken van noodzakelijkheid. En toch moet je ook in zo’n beroep oppassen.

Als predikant ga ik geen preek voor de volgende zondag of catechisatie voorbereiden (ook al ben ik dan bezig met de Bijbel). Dat is immers mijn dagelijkse werk….

Een boer gaat niet hooien (maar mag hij de voergang aanvegen?).

In een verzorgingshuis doet een verzorgende niet allerlei gezellige activiteiten (maar mag zij de bedden opmaken?)

Helaas gebeuren in ziekenhuizen en verzorgingstehuizen dat soort niet-noodzakelijke werkzaamheden steeds meer ook op zondag; misschien is het wel eens goed om dat met je leidinggevende te bespreken). Niet altijd is de grens eenvoudig te trekken tussen noodzakelijk en onnodig werk. Dan komt het des te meer aan op de gesteldheid, op het verlangen om in elk beroep de rustdag te reserveren voor God.

Dat brengt me bij iets anders. Er zijn moeders die heel goed voelen, dat zij als moeder samen met haar man geroepen is om voor de kinderen te zorgen. Daarom verdelen zij het werk zo, dat er altijd één van hen thuis is. Dat is voor iemand die in de ‘verpleging/verzorging werkt heel makkelijk: dan kan de man doordeweeks overdag werken, en de vrouw ’s avonds en in het weekend. Wat mij betreft vind ik het te waarderen dat er op deze manier altijd één van beide ouders thuis is. Maar er schuilt toch een groot gevaar in. Niet alleen dat je elkaar als man en vrouw daardoor wel erg weinig ziet (als de één thuis is, is de ander er vaak niet….), maar ook doordat er wel een erg groot beslag gelegd wordt op de rustdag. Deze moeders verrichten soms bijna alleen nog maar zondagswerk. Zo worden zij ‘zondagszuster’. Dat lijkt mij geen wenselijke ontwikkeling. Vraag uzelf toch eens af, of u juist niet veel zuiniger moet zijn op de zondag. Juist als u een gezin gekregen hebt, wat is het dan belangrijk om als het maar enigszins mogelijk is sámen te kunnen zijn. En samen naar de kerk te kunnen gaan en op een andere manier met geestelijke zaken bezig te zijn.

Dit laatste is de kern. Daarom nog een laatste handreiking voor hen die noodzakelijk wél op zondag moeten werken. U zult het vast wel eens ervaren, dat de zondag zo erg veel lijkt op een doordeweekse dag. Wees daarom extra zuinig op die uren waarin u niet hoeft te werken (’s morgens of juist ’s avonds). Laten die uren extra gevuld zijn met de dingen van Gods Koninkrijk. Als je ’s ochtends en ’s middags allebei niet naar de kerk kunt, bezoek dan op zo’n zondag een gemeente waar er ’s avonds kerk is, of luister thuis een preek. Reserveer ook vóórdat je naar je werk gaat op zondag extra tijd voor Bijbellezen en gebed. Opdat je ook onder je werk niet vergeet, dat deze dag geen gewone werkdag is maar de ‘dag des Heeren’.

Dan kan Hij je ook onder het werk zegenen. Bovenal wens ik u en jou toe, dat het rusten van het dagelijkse werk zal staan in het licht van Hebr. 4 : 10: ‘Want die ingegaan is in Zijn rust, heeft zelf ook van zijn werken gerust’. Of zoals de catechismus het zegt (Zondag 38): ‘Dat ik al de dagen van mijn leven van mijn boze werken zal rusten, de Heere door Zijn Geest in mij laten werken en alzo de eeuwige sabbat al in dit leven aanvangen’.

14.   Oefenaar (ds. W.J. op ’t Hof, Gameren): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 23 juni 2017 onder de berichten van de Hervormde gemeente van Driedorp

Velen in den lande hebben hun verwondering erover uitgesproken dat ik de roep naar Driedorp heb gevolgd. Zo’n kleine en nog wel vrije gemeente is toch niets voor u, zo zei men tegen mij.

Degenen die dat zeiden, kennen mij niet. Ik heb mij nooit een echte dominee gevoeld. Ik heb wel getracht het te zijn, maar het is mislukt. Mijn ambtswerk is met alle lek en gebrek geweest. Ik ben nog nooit verder gekomen dan oefenen. Vandaar dat ik mijzelf het liefst als oefenaar beschouw. Titels doen in dat opzicht niet mee.

De zeer geleerde puriteinse predikant en doctor in de theologie John Owen heeft eens gezegd dat hij jaloers was op de ongeletterde ketellapper John Bunyan en dat hij hem hoger achtte dan zichzelf. Ik denk dat ik hem versta.

Dat oefenaar-zijn bleek gelijk de eerste de beste keer dat ik als uw voorganger het Woord mocht bedienen. Ik had een tekst, een thema en drie punten. Tijdens de bediening van het Woord kwam ik niet verder dan het eerste punt: Openbaring. Daar ga je dan weer met je preekervaring van tientallen jaren. U weet nu gelijk wie u voor u hebt: een voorganger die nooit het tentamen praktische predikkunde zou halen. Naar ik hoop zult u mij willen verdragen. En zo niet, dan moet het ook alzo zijn.

Het voorgaande is ook één van de redenen waarom ik als predikant nooit een toga heb willen dragen. Wie de geschiedenis kent – maar zo iemand is tegenwoordig een zeldzaamheid, ook binnen de zogeheten rechterflank van de gereformeerde gezindte - , weet dat de predikantenstand in het verleden uit emancipatiezucht is overgegaan tot het dragen van dat deftige en indrukwekkende kleed. Men wilde zo graag bij de wetenschappelijke en maatschappelijke elite behoren. Professoren en juristen droegen zo’n kleed. En zouden de predikanten dan achter blijven? Uit principe heb ik altijd geweigerd zo’n omhulsel om te doen. Als dienaar des Woords voelde ik mij allerminst rechter of geleerde. Door die nederigheid werd in zekere zin een streep gezet toen de roep tot mij kwam om hoogleraar aan de Vrije Universiteit te Amsterdam te worden. Toen moest ik toch nog een toga aanschaffen. Ook hoogmoedige nederigheid wordt door de Heere afgestraft!

Oefenaars moeten geen grote gemeenten hebben. Dan zijn ze zo oefenaar af. Driedorp is mij niet te min, integendeel, ik hoop dat ik daar mij op Gods plek mag voelen. In mijn jeugd zat ik zondags in een oude grote stadskerk met een schitterend interieur. Dat heeft zo zijn bekoring. Toch is mijn geestelijke leven grotendeels gevormd door de prediking die door de week in een klein zaaltje in die grote stad werd gehouden. Zondags was het volle bak, maar in dat zaaltje zat veelal maar een kuddeke van enige tientallen mensen. Het heeft de Heere behaagd om daar vele malen tot mijn ziel te spreken. Als ik ooit gesticht ben, is het daar geweest. Ik acht het een groot voorrecht te zijn om aan het eind van mijn leven voorganger te mogen zijn in een kleine gemeente die samenkomt in een kerkje dat zo maar letterlijk aan de kant van de weg staat.

Als ik dit schrijf gaan mijn gedachten terug naar mijn studietijd. Als student heb ik gezeten aan de voeten van de onder ons onbekende prof. dr. G. Quispel. Op zijn vakgebeid was hij een wereldautoriteit. Fier en frank kwam er hij er op college voor uit dat hij er een genoegen aan beleefde om door de week zich te zetten onder oud gereformeerde predikanten en allerlei oefenaars. Hij prees dat ons aan door te zeggen: ‘Daar hoor je iets van het ware geestelijke leven’.

Met al zijn geleerdheid voelde hij zich thuis onder een eenvoudige maar bevindelijke prediking waarbij taal van het hart gehoord werd. Ik zal nooit het moment vergeten waarop hij: ‘Mijne dame en mijne heren (Hij sprak deftig en ons jaar kende één vrouwelijke student), onthoud dit goed, de waarheid is in de loop der eeuwen niet zozeer bewaard gebleven bij en doorgegeven door geleerde theologen, maar bij en door de eenvoudige gelovigen die kunnen getuigen wat God aan hun ziel heeft gedaan’.

Nog iets over de wisseling van de wacht in onze gemeente. De gemeente moet goed weten dat de ene zwakkeling de andere opvolgt. Mijn college en vriend W. Roos werd het werk, dat hij met veel liefde verricht heeft, te zwaar. Zijn hart trok het niet meer. Voor de ene hartpatiënt komt nu de volgende in de plaats. Dus verwacht maar niets van de nieuwe voorganger. Het zou al heel wat zijn als hij u als oefenaar voor mag gaan in het Woord, dat van goddelijke oorsprong en gezag is en dat als het zaad der wedergeboorte onder de zaligmakende bearbeiding des Heiligen Geestes doemelingen vernieuwt. Verwacht van die Geest maar alles en bidt om Zijn komst en werking. ‘Och, dat Gij de hemelen scheurdet en dat Gij nederkwaamt’!

 

Mede-oefenaar (dr.W.J. op ’t Hof, Gameren): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 7 juli 2017 onder de berichten van de Hervormde gemeente van Driedorp

Twee kerkbodes geleden schreef ik dat ik mij meer oefenaar dan dominee voel. In een reactie op dat stukje bleek mij dat ik een mede-oefenaar op de Veluwe heb. Een collega meldde zich namelijk ook als oefenaar en hij was zo hartelijk om mij een gezegende ingang in Driedorp toe te wensen. Nu zullen veel lezers van deze kerkbode natuurlijk graag willen weten wie die predikant is, maar dat houd ik voor mij. Het leven zou ontzettend saai zijn als wij alles zouden weten. Er moet het één en ander te gissen overblijven.

15.   Pastoraat in de praktijk (8 ;ds. H. Hofman, Kalamazoo): gelezen in ‘de Saambinder’; orgaan van de Gereformeerde Gemeenten, van 17 november 2016

Pastoraat bij de pastor (2)

Van het één komt het ander. Nu we het toch over de dominees hebben, komt er een nieuwe gedachte op. Onlangs vroeg een meelevende lezer mij iets over ambtsdragers te schrijven. Hier dan een eerste aanzet.

Wat is pastoraat in de praktijk een wijd begrip! Welnu, hier een werkelijke ‘heartcry’ in de richting van ambtsdragers die geroepen worden het consistoriegebed te doen voor de dienstdoende predikant. Ik ben er diep van overtuigd dat ook dit onderwerp hoort bij pastoraat in de praktijk. Pastoraat dus op zondag in de consistoriekamer voor de man die er weer voor staat.

De nood der tijden

Het consistoriegebed is ontstaan ‘door de nood der tijden, in de Afscheiding, toen de kerken vervolgd en de samenkomsten soms uiteengedreven werden’ (ds. K. de Gier). Doel is ‘hulp en bijstand te vragen voor de dienaar des Woords, en om de zegen des Heeren voor de dienst des Woords’.

Me dunkt, beknopter en duidelijker kan het niet. Onze vaderen kwamen soms samen onder benarde omstandigheden. Dan werd er dus voor de kerkdiensten een zegen afgesmeekt van de Heere of alles met orde en stichting mocht verlopen. Of de dominee zijn preek mocht afmaken, zonder meegenomen te worden voor verhoor of erger. Ds. De Gier schrijft ook dat dit gebed strikt genomen geen kerkrechtelijk of liturgisch karakter heeft. Het is dus geen preek, en evenmin onderdeel van de kerkdienst. Toch hoort het er echt bij. Dit eenvoudige gebed!

Vijf jaar lang mocht ik het zélf doen. Ik spreek dus enigszins uit ervaring. Elke zondag en elke dienst. Er wás namelijk op het zendingsveld voor lange tijd geen kerkenraad of dienstdoende ouderling. Wel trok ik me dan voor de dienst altijd even terug. Om dus maar voor mezelf te bidden…

Daar stond je dan. Het leek wel practicum in een leeg klaslokaal. Je kon met stemverheffing bidden, met mooie, grote woorden, met lang en vakkundig geformuleerde volzinnen…de nood van land en volk, overheid en onderdaan, arm en rijk, noemt u het maar op. Zelfs de gehele orde des heils mocht je de Heere uitleggen. Maar alleen de Heere luisterde. Ik heb maar veel gevraagd of de Heere de dominee nog eens wilde leren preken….

Veel franje en opsmuk viel in die tijd dus weg. Er bleef soms slechts een armzalige zucht over. Arm en zalig. Soms zo arm dat je blij was dat er niemand meeluisterde. Maar toch zalig omdat je mocht weten dat je het gezegd had zoals het nu werkelijk was: ‘Heere, zó is het nu met me. Ik kan het niet, ook ditmaal niet. Maar wil me – net zoals voorheen – ook ditmaal er doorhelpen. Mag Uw eer nog eens klimmen uit het stof. Wilt Gij vandaag eens een zondaar in het hart grijpen. Wil Uw volk onderwijzen, stichten, leiden, naar Uw welbehagen. En alstublieft deze arme man die er weer voor staat helpen, sterken, schragen’.

Zo stond je dan meest voor jezelf te worstelen en te bidden. Zalig ook, omdat je weleens mocht ervaren dat mijn gebed verhoord was volgens de beschrijving daarvan in Zondag 45 van de Heidelberger.

Moedgevend en vertroostend

Nu doet het weldadig aan als je voor de dienst opgedragen wordt door een ambtsdrager die al dragend mee zucht. Bidden is een tere zaak. Ik weet ook dat het publieke gebed soms anders ingevuld moet worden, omdat er andere mensen meeluisteren en hopelijk meebidden. En een gebed op de kansel is in zeker opzicht geen persoonlijk gebed, want je bidt namens kerkenraad en gemeente. Maar toch, wat kan het moedgevend en vertroostend zijn als je iemand anders vóór de dienst hoor worstelen om een zegen, worstelend voor die man die geroepen wordt om straks de mond des HEEREN te zijn tot een volk dat wacht op de zegen des HEEREN. Wat hij zo dadelijk moet zeggen op de kansel hoeft hij niet van te voren reeds te horen want die waarheid is als het goed is al overdacht. Of de HEERE hemzelf nog eens wat wil leren, mág gevraagd worden, maar kan de indruk wekken dat de ambtsdrager zelf wat meer van dit of dat wil horen. En hoe de Heere Zijn volk bekeert, weet de Heere Zelf het beste.

Dus een hartelijk pleidooi deze keer voor een oprecht, zakelijk en kort gebed in de consistorie. En dat is een schreeuw uit de diepte van albedervers. Van mensen die niets hebben van zichzelf en niets hebben dan wat ze ontvangen hebben. Die weten wat onmogelijkheden zijn.

Een volgende keer misschien iets over het gesprek ná de dienst. Als dat er tenminste is….Want daar valt ook wel het één en ander over te schrijven.