Kerknieuws
Gereformeerde Gezindte
Openingspagina
Boekbespreking
Foto's
Persoonlijk
Kerkbodes
Spreuk van de week
Overig
Ware gebeurtenissen
Kerkelijk leven
Jongerenrubriek
Muzikale pagina + agenda
Columns
Links
Uw aandacht voor:
Veluwse Kerkbode
De Vijgeboom
Kerknieuws Gereformeerde Gemeenten
De Vijgeboom

 

 

1.       Ik ga de gemeente uit….het zijn allemaal hypocrieten (ds. M.C. Schreur, Harskamp): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 23 februari 2018 onder de berichten van de Hervormde gemeente (PKN) van Harskamp

Onlangs ontving ik van iemand een berichtje dat hij de moeite waard achtte om mij toe te zenden. Het leek me nuttig om u en jou mee te laten lezen:

Een vrouw gaat naar de pastor van haar kerk om te zeggen dat ze de kerk gaat verlaten.

De pastor zei: ‘Mag ik vragen waarom?’

Zij zegt: ‘Ik zie mensen die aan het appen zijn, sommigen zijn aan het roddelen, anderen die leven niet op de juiste manier, sommige slapen, anderen kijken naar me, het zijn allemaal hypocrieten!’

De pastor was stil en zei toen: ‘Mag ik je vragen om één ding te doen voordat je definitief je beslissing maakt?’

Zij zegt: ‘Tuurlijk, wat is het?’

De pastor antwoordt: ‘Neem een glas gevuld met water, loop er twee keer de kerk mee rond zonder iets te morsen’.

Zij zegt: ‘Ja, dat kan ik doen’.

Ze ging weg en zoals belooft loopt ze twee keer de kerk rond met een gevuld glas met water en komt terug en zegt trots: ‘Het is gedaan’.

De pastor vroeg: ‘Heb je iemand zien appen? Heb je iemand horen roddelen? Heb je iemand zien slapen? Heb je iemand zien staren naar je?’

De vrouw antwoordt: ‘Nee natuurlijk heb ik dat niet gezien, ik was zo druk met focussen op het water dat ik niks zou morsen’.

De pastor zegt: ‘Als je naar de kerk komt, moet je net zo gefocust zijn op God, zodat je niet valt! Daarom zei de Heere Jezus ook: ‘Volg Mij’. Hij zei niet: ‘Volg christenen!’

Laat jouw relatie met God niet bepaald worden door hoe anderen hun relatie met God hebben. Laat het bepaald zijn door de manier waarop jij gefocust bent op God en Zijn Woord!’

(Toch wel aardig om eens te onthouden, vindt u niet?)

2.       Paspoort van het Koninkrijk (ds. J.W. van Estrik, Goedereede): gelezen in ‘Onder de vijgenboom’ van 20 december 2017 als boekrecensie

Al vele maanden, meer dan wenselijk is, ligt het boekje Paspoort van het Koninkrijk van de hand van ds. P. de Vries op een korte bespreking te wachten. Geruime tijd na de verschijning in het jaar 2015 is het boekje over de betekenis van de Heilige Doop ter recensie toegestuurd.

In zijn Woord vooraf stelt de auteur dat de Heilige Doop het Evangelie zichtbaar maakt en ook de inlijving in de Kerk van Christus betekent. Daarom mag het een paspoort heten waarbij de vraag aan de gedoopte te stellen is of het paspoort terecht gedragen wordt. We moeten onszelf die vraag stellen. ‘Ik ben gedoopt, maar ben ik gereinigd door het bloed van Christus? Leun ik op Hem? Wandel ik godzalig?’

Zeggen we ‘neen’ op deze vragen, dan ontheiligen we de Heilige Doop die wij als kind ontvangen hebben.

‘De Doop is geen paspoort dat je kunt weggooien. Wie gedoopt is, kan de Doop niet ongedaan maken. Eenmaal moeten we voor de rechterstoel van Christus verantwoording afleggen van het teken en zegel van de Heilige Doop dat wij ontvingen. Daarom is het verstaan van de Doop belangrijk en de schrijver beoogt met het lezen van het boek het leren belijden en verheerlijken van de Heere.

In een zestal hoofdstukken biedt ds. de Vries een uiteenzetting van de Heilige Doop.

In het eerste hoofdstuk stelt hij met nadruk dat een thema als de sacramenten wel ‘ondergeschikt is aan de boodschap van verzoening met God door Christus’ bloed en door het geloof in Hem. Belangrijker dan de Doop is het geloof’. De Doop in de Naam van de Drie-enige God is voorbereid door de doop van Johannes de Doper. Zowel de Doop van Johannes als die in Naam van Jezus staat in de context van het komende oordeel. Jezus heeft het bevel tot de Doop in Zijn Naam gegeven. Onder verwijzing naar de gegevens uit de Schrift is over het bevel en de noodzaak van de Doop geschreven en hoe de Doop moet worden bediend.

In hoofdstuk 2 schrijft ds. de Vries over de betekenis van de Heilige Doop, zij is verbonden met het kruis en de opstanding van de Heere Jezus Christus. Wat de Heere in de Doop schenkt legt de auteur uit. De Heilige Doop getuigt volgens hem van Gods verbondstrouw van geslacht tot geslacht, maar het verbond zelf reikt verder dan het teken ervan.

In het derde hoofdstuk is de volwassendoop aan de orde gesteld. De kerkgeschiedenis met de catechumenen in de Vroege Kerk is beschreven en het kerkelijke leven met Doop-Avondmaal-belijdenis des geloofs wil aan de Heilige Schrift getoetst zijn.

Het vierde hoofdstuk bevat het pleidooi van de auteur voor de kinderdoop. Hij concludeert na het lezen van de Bijbel dat de allerkleinsten tot het nieuwe verbond worden gerekend en ‘dan is het ondenkbaar dat het teken en zegel daarvan hen zou mogen worden onthouden’. Vervolgens luistert de schrijver naar de geschiedenis en vertelt over de praktijk van de kinderdoop daarin.

In hoofdstuk 5 komen de bezwaren tegen de kinderdoop aan bod. Afwijzing van de kinderdoop is volgens de schrijver echter als ‘een breuk met de traditie van de kerk der eeuwen’ te beschouwen. De Vroege Kerk besefte maar al te goed dat zij terugging tot de apostelen. Met veel (h)erkenning schrijft ds. P. de Vries over de Reformatorische baptisten in Nederland, in dit verband brengt hij de Doopsgezinde Gemeente van Ouddorp ter sprake die een gereformeerde kleur heeft gehad. In hetzelfde hoofdstuk constateert de schrijver met zorg dat in Nederland meerderen die gereformeerde gezindte heten, weggroeien van de gereformeerde leer.

In zijn laatste hoofdstuk vraagt de schrijver aandacht voor de realiteit ‘wel in het verbond zijn maar toch niet van het verbond’. ‘De kerk van Christus telt niet alleen levende maar ook dode leden’.

Hierna is gezegd dat ‘de Heilige Doop en het Heilig Avondmaal ons alleen tot zegen zijn als wij die in het geloof ontvangen’. Ds. P. de Vries merkt op dat ‘in het licht van de eeuwigheid de uitverkorenen niet alleen in het verbond zijn, maar ook van het verbond’. Het is de taak van ouders en opvoeders kinderen tot Jezus te leiden, zij kunnen het levende geloof echter niet schenken, dat is het werk van God. De bede moet zijn dat de Heere het goede werk in hen begint en voortzet.

In een Slot geeft ds. de Vries een aantal persoonlijke ontboezemingen. Hij werd als kind gedoopt en toen hij ongeveer 15 jaar oud was raakte de boodschap van het Evangelie echt zijn hart. Rond zijn twintigste vroeg hij zich af of het wel juist was dat zijn ouders hem als kind hadden laten dopen. Gaandeweg leerde hij toen steeds dieper zien dat de Heilige Doop niet een stempel is op ons geloof, maar van het lidmaatschap van de ene, heilige, algemene of katholieke christelijke kerk. Hij zag juist de waarde en de Bijbelse grond van de Heilige Doop van kinderen van christenouders. Ouders behoren hun kinderen niet van Christus af te houden maar zij moeten er alles aan doen hun kinderen aan de voeten van de Heiland te brengen. Wie zich in de betekenis van de Heilige Doop en ook in de geschiedenis van de kinderdoop wil verdiepen, kan uit dit boekje wel wat ter verrijking vinden. De auteur heeft geprobeerd te luisteren naar de Heilige Schrift en schrijvend kijkt hij in onze kerkgeschiedenis terug.

3.       Verwonderd  aan het Avondmaal (ds. M.A. Kempeneers, Katwijk aan Zee): gelezen in ‘Bewaar het Pand’; orgaan binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken, van 10 oktober 2017

….dies verwonderden zich de mannen onder elkander (Genesis 43 : 33)

Nergens lees ik dat een zondaar huppelend naar het Avondmaal gaat, zo schreef ik vorige keer. Maar ik lees wel dat een zondaar verwondert aan het Avondmaal zit. Laat de zondaar dan niet als een lammetje naar het Avondmaal huppelen, maar hij gaat ook weer niet als een schaap naar het slachthuis.

Daar komen de broers in dat prachtige paleis.

De onderkoning zal pas in de middag komen, dus ze hebben wel een poosje moeten wachten. En die tijd gebruiken ze om hun geschenk in orde te maken, zo lezen we in vers 25. En dan komt Jozef binnen. Ze vallen voor hem neer en ze bieden hem hun geschenk aan. Natuurlijk om hem vriendelijk te stemmen. Ach, ze hebben een heel verkeerde kijk op Jozef. Zouden die paar nootjes en dat beetje honing zo’n ontzaglijke rijke koning mild kunnen stemmen? De broers zijn er nog zo blind voor, dat die onderkoning hen allang liefheeft. Ondanks wat ze hem hebben aangedaan.

Hoe kan een zondaar bezig zijn om wat mee te nemen. Om de Heere te bewegen om genadig te zijn.

Hoe kan een zondaar naar het Avondmaal toe bezig zijn om alles bij elkaar te schrapen om Gods ontferming op te wekken. Ach, die paar traantjes en die paar gebedjes. Nee, ik zet daar geen streep door. Het hoort bij de weg naar de Heere toe. Was het er maar meer. Maar laten we toch goed begrijpen dat onze gebeden en tranen nooit de grond zijn van genade. En ook niet van de Avondmaalsgang.

Daar zitten die broers en ze eten van de spijze van Jozef. En hoe moeten we dat nu verklaren, vooral naar het Avondmaal toe? Want ze kennen Jozef nog niet en hun schuld is nog niet vergeven. En toch eten ze van zijn tafel? Wel, de maaltijd in het Oude Oosten was van diepe betekenis. Dat was niet zomaar een zakenlunch, nee, dan gaf je te kennen dat je met je tafelgenoten als broeders wilde zijn. Als we dat overbrengen naar het Avondmaal: mag een zondaar die Christus niet kent daar aan? Nee, dat mag niet. ‘Doet dat tot Mijn gedachtenis’, zo heeft de Heere Jezus gezegd. Het formulier zegt dat Christus het alleen voor Zijn gelovigen heeft verordineerd. Maar de vraag is of de broers Jozef echt niet kennen. Nee, hij heeft zich nog niet bekendgemaakt als Jozef en ze hebben nog niet de bewuste kennis van Jozef. Hij heeft nog niet gezegd dat hij hen alles heeft vergeven.

Maar is dat de eis? Dat een zondaar pas naar het Avondmaal mag als hij in de bewustheid van het geweten zeker weet dat zijn zonden zijn vergeven? Dat staat nergens in de Bijbel. Al had Jozef zich nog niet met zijn naam aan de broers geopenbaard, dat wil niet zeggen dat ze helemaal geen kennis aan hem hadden. Ze waren immers tot hem gevlucht? Door de nood gedreven en door de overvloed gelokt. Ze hebben zichzelf toch als schuldige mensen leren kennen? Ten dele, ja, maar toch oprecht.

En weet je wat het geheim van die tafel was? Niet dat zij zich daartoe waardig achtten. Integendeel. Stel je voor, dat hadden ze nooit gedurfd, om aan de tafel van de onderkoning te gaan zitten!

Maar wat lezen we in het slot van vers 16? Jozef zegt daar: ‘….want deze mannen zullen met mij eten’. En dan hoor ik daarin de echo van de stem van de Meerdere van Jozef: ‘Ik heb grotelijks begeerd, dit pascha met u te eten, eer dat Ik lijde’. Met wie? Met mensen die aan de tafel zaten te ruziën wie de meeste was en die Hem een paar uur later allemaal zouden verlaten. Mensen die echt nog niet alles konden vertellen over Christus. Maar Hij zegt: ‘Ik heb grotelijks begeerd….’

En dan blijft er de verwondering over.

Voor de broers van Jozef. Want hij blijkt hen te kennen. Ze zitten precies op volgorde van leeftijd aan tafel. En dat is ook de ervaring van de ware Avondmaalganger. Diepe verwondering dat er voor hem een plaatsje is aan de tafel, dat er woorden klinken waaruit blijkt dat de Gastheer hem kent. Hij daalt af naar het allerlaagste en Hij bekommert Zich om het allerkleinste. En die krijgen soms nog meer te zien en te beleven dan de oudste en de grootste.

4.       Citaten als Nalezing Heilig Avondmaal (ds. M.C. Schreur, Harskamp): ): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 23 februari 2018 onder de berichten van de Hervormde gemeente (PKN) van Harskamp

Citaat 1: De goede strijd van het geloof (Luther)

Daarom, wanneer u voelt dat u verootmoedigd wordt, leg u dan neer aan de voeten van uw hemelse Vader en zeg: ‘Ach lieve Heere, als U tóch zo met mij handelt, dan wil ik het geduldig dragen en bekennen dat ik wel een veel zwaardere straf verdiend heb. Daarom, ontferm U over mij: wilt U niet hebben dat ik een erfgenaam zal zijn, maak het dan zo met mij dat ik maar een knecht zou mogen blijven (vgl. Lukas 15 : 19)….

Ja, net als de Kananese vrouw zegt: wil ik graag in Uw huis een hondje zijn, dat ik tenminste de broodkruimels zou mogen eten, die anders toch achteloos op de grond vallen en vertrapt zouden worden (vgl. Matth. 15 : 27).

Ik heb nergens recht op en U bent mij niets verschuldigd, daarom houd ik mij alleen aan Uw genade en barmhartigheid’. Dit is de goede weg waardoor wij tot genade en zaligheid komen.

Citaat 2 (Octavius Winslow)

‘Opdat ik Hem kenne en de kracht Zijner opstanding en de gemeenschap Zijns lijdens, Zijn dood gelijkvormig wordende.

Dit was het edele gebed van deze heilige. Hij begeerde met Christus gekruisigd te zijn; hij begeerde een kruisiging der zonde, der inwonende zonde, der zonde in elke vorm, der zonde in beginsel, in temperament, in gelijkvormigheid aan de wereld, in gesprekken, in gedachten, ja in de blik van het oog. Hij begeerde niet slechts een kruisiging der zonde, van een bijzondere zonde, maar van alle zonde; niet slechts van de zonde die hem lichtelijk omringde, die zonde, die hij dagelijks zag, en gevoelde, en betreurde; maar ook de zonde die geen oog gezien heeft dan Gods oog; de zonde van het inwonend beginsel; de wortel van alle zonde, de zonde van zijn natuur. Dit is gemeenschap hebben met Christus in Zijn lijden. Hebben wij gemeenschap met Hem in dit lijden? Uitwendige zonden kunnen afgesneden worden, ja zelfs oprecht beleden en betreurd worden, terwijl men toch het verborgen beginsel, de wortel der zonde voorbij ziet, er geen acht op slaat, zodat men hem dan toelaat sterker te worden en zich uit te breiden. Wij zeggen niet, dat het aanklevende bederf van de gelovige in zijn tegenwoordig bestaan ooit geheel en al uitgeroeid zal worden. Dit te verwachten, zou wezen iets te verwachten wat Gods Woord niet heeft beloofd. Maar dat het in grote mate ten onder gebracht en overwonnen kan worden, dat laat Gods Woord ons hopen, daarnaar zegt het ons te streven. Hoe kan dit worden verkregen? Door het geloof, dat veel en dikwijls met Christus handelt, door dagelijks het geweten te besprengen met het bloed der verzoening, de toevlucht te nemen tot de Fontein, Die geopend is, door voortdurend neer te zitten aan de voet van het kruis, er op ziende met standvastig, onwankelbaar geloof, ziende op Jezus.

Citaat 3: (Andrew Gray)

Komt tot Mij…- Ik zal u rust geven.

Zie, hoe Hij u nodigt, zonder één enkele voorwaarde te stellen. Hij maakt geen uitzondering voor uw schuld en onwaardigheid. Het woord luidt: Komt tot Mij, in andere woorden: gelooft in Mij.

Komen, dat is niets dan eenvoudig geloven. En o, hoe zullen wij de rust ten volle kunnen voorstellen, die in Jezus gevonden wordt? Laten zij het getuigen, die met hun schuld de toevlucht namen tot Zijn bloed, met hun slechtheid gingen tot Zijn gerechtigheid, met hun zonde tot Zijn genade, met hun lasten tot Zijn arm, met hun leed tot Zijn hart. Laten zij het verhalen, hoe in één ogenblik hun gevoel van vermoeidheid was verdwenen, en door rust, liefelijke, zachte rust voor hun ziel werd vervangen. Mijn lezer, is uw ziel vermoeid door de zonde? Dan is die uitnodiging ook tot u gericht: Kom tot Mij, tot Mij, de Zaligmaker; Die even machtig als gewillig ben u rust te geven. Tot Mij, Die nooit een enkele ziel heb uitgeworpen, welke de zaligheid en de hemel door Mij heeft gezocht.

David Brainerd:

Als u stopt met werken, vul dan uw tijd met lezen, mediteren en gebed, en terwijl uw handen arbeiden, laat uw hart zich bezighouden, zo veel als mogelijk met geestelijke gedachten.

Het maakt niet uit waar ik ga, of hoe ik leef, of wat ik moet verduren, als ik maar zielen mag redden. Als ik slaap of droom, en wanneer ik wakker word, dan is mijn eerste gedachte: zielen redden.

Zo lang als ik zie dat er iets gedaan kan worden voor God, is het leven de moeite waard. Maar o, hoe onwaardig is een leven dat geleefd wordt voor een lager doel.

H.W. Beecher:

De kerk is geen galerij van voortreffelijke christenen, maar een school voor de opleiding van de nog onvolmaakten.

C.H. Spurgeon:

Jezus zeide tot hen: Komt herwaarts, houdt het middagmaal.

Met deze woorden wordt de gelovige uitgenodigd een heilige gemeenschap met Jezus te oefenen. Deze woorden brengen ons in het huis van de vreugde. Zij geven ons een voorsmaak van de vereniging met Jezus, omdat het enige voedsel dat wij kunnen genieten, wanneer wij het middagmaal met Jezus houden, Jezus Zelf is. O, wat een vereniging is dat! Ons met Jezus te voeden, is een verborgenheid, die door het verstand niet kan gepeild worden. ‘Die Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem’. Het is ook een uitnodiging om de gemeenschap der heiligen te genieten. Aan de tafel der gemeenschapsoefening met Jezus is het één brood en één drinkbeker. Wanneer de drinkbeker der liefde rondgaat, dan verenigen ons daarbij ook onderling onze harten. Wij zien ook in deze woorden de bron van kracht voor elke Christen. Op Christus te zien, is het leven, maar de kracht om Hem te dienen, ontvangt u pas als u komt en het middagmaal houdt. Wij gaan gebukt onder veel onnodige zwakheid, omdat wij dit gebod van de Meester veronachtzamen.

5.       Verlangen naar Kerstfeest (dhr. A.W. Koole, Krabbendijke): gelezen in Kerkelijk Nieuws Gereformeerde Gemeenten, classis Tholen, van 23 februari 2018

Ik verlang naar Kerstfeest. U ook?

Kerstfeest!!!

Dat hebben we toch nog maar net gehad?

Ja, ik hoop het voor u/jullie.

Nu begrijp ik het niet.

Ik leg het uit.

Inderdaad, nog niet zo lang geleden is het 25 en 26 december geweest, ja.

Wat hebben we toen gedaan?

Of nog voor die datums gedaan?

Even denken.

We zijn naar een zangavond geweest en naar een kerstconcert in De Doelen.

De basisschool heeft zijn kerstavond gehouden, de koren hebben gezongen, we hebben onze inkopen gedaan, onze kerstpakketten uitgepakt, onze kerstgeschenken overhandigd, onze wenskaarten geschreven en gepost.

En vooral….inkopen gedaan voor de maaltijden.

Het was druk in de winkel, er waren veel mensen op de been.

Ieder had het druk.

De slager, de bakker en de visboer hadden goede weken zo net voor kerst.

Een prachtige omzet binnengehaald.

Dat zijn goede weken zo op het eind van het jaar.

Mensen letten dan even niet op aanbiedingen.

Het was wel druk en hard werken, alles moest gemobiliseerd worden om het ‘te redden’.

Van slapen kwam weinig.

Soms konden leerlingen, studenten de vrijdag ervoor niet naar school.

Al dan niet gefiatteerd door ouders bleven ze weg van school om te werken, het is zo druk in de winkel, geld verdienen hè!

Maar het lukte, zaterdagmiddag ploften velen finaal uitgeput neer.

Na een werkweek van 60,70, 80 of 90 uur!!!

De dag erop was het zondag. De rustdag dus.

Om te heiligen.

Wat hebben we nog meer gedaan die dagen?

Nu treffen wij het nog dat we geen kerstboom te installeren hebben of allerlei andere lichtjes die je soms overdadig aantreft in en om woningen.

We houden het gezellig bij elkaar als families, wandelingen gemaakt, familiebezoeken afgelegd en last but not least ook nog….naar kerk geweest, ja, dat hoort er ook bij hè op kerst.

Inderdaad, geliefde lezer, dat hoort er ook bij. Zeker.

Gaat het daar niet vooral om? Toch?

Ik blijf met mijn verlangen zitten.

Verlangen naar Kerstfeest.

Naar een kerstfeest zonder al te veel sociale verplichtingen en overdadige maaltijden.

Naar een kerstfeest met kerkdiensten.

Naar een kerstfeest zonder toeters en bellen.

Naar een kerstfeest waar de geboren Koning in het middelpunt staat.

Naar een kerstfeest met lege winkelstraten, lege koelkasten, lege agenda’s, zonder speciale kerstkleding.

Naar kerstdagen met gevulde harten van een geboren Koning.

Naar kerstdagen die gevuld zijn met dat Koningskind wat toch door genade ons deel moet worden.

Geliefde lezer: alvast gezegende Kerstdagen voor 2018 toegewenst (en daar hoeft het geen 25 of 26 december voor te zijn).

6.       Op de zeef van de satan (ds. I. Kievit): gelezen in ‘Onder de vijgeboom’ van 21 februari 2018 onder de berichten van de Hersteld Hervormde gemeente van Ouddorp

De hoogste Profeet en Leraar onthult de toekomst, de naaste toekomst zo vol van beroering en schrik. Het ogenblik dat Jezus hen gaat verlaten nadert en nu wordt hun de nadering der hel aangekondigd. Ja, Hij ziet het schrikwekkend beeld van satan met zijn helse machten reeds dicht bij. Satan, zo deelt Hij mede met ontroerd gemoed, satan heeft om ulieden gevraagd, en u Simon in het bijzonder, om zijn macht aan u te tonen.

Hoe is het mogelijk zó door Hem voor de feiten te worden gesteld en…te volharden in eigen gedachten.

Het is met hun bekering niet veel gedaan, zo heeft satan ingebracht. Laat mij het bewijs leveren. Zo handelt hij nog. Wij weten niet welke snode plannen hij zoal smeedt. Zeker is er altijd oorzaak te waken en te bidden, want de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak. Gemakkelijk worden wij overhoop geworpen. Heere, geef dat wij sterken weerstand mogen doen.

Bewaak ons als de appel van het oog, wil ons met Uwe vleugelen dekken.

Indien de Heere niet bewaarde dan was het gewis verloren, nog na alles wat Hij deed door genade. Evenwel, het vaste fundament Gods staat hebbende deze zegel: de Heere kent degenen die de Zijnen zijn en….die de Naam van Christus noemt sta af van ongerechtigheid.

Ook dat laatste staat op den fundamentsteen; wordt gewaarborgd door de God des verbonds.

In de zeef. Hoeveel lijden en smart wordt daaruit geboren, angst en zorgen.

Mijn ziel, vol angst en zorgen wacht sterker op den Heere dan wachters op den morgen. Den morgen, ach wanneer? Zo klagen zij vaak, als de zeef hevig wordt geschud en…zonder dat zij het weten stuift het stro der eigengerechtigheid weg, en het kaf der ijdelheid. De stenen van hardigheid des harten worden uitgeworpen en de kluiten van aardsgezindheid afgezonderd. Hulpeloos en verlaten gaan wij ons gevoelen. Onder het wannen van Christus bij het doorzuiveren van den dorsvloer schudt ook satan de zeef, maar Jezus heeft de leiding.

Gelukkig, anders was het een verloren zaak.

7.       Jezus, de Timmerman (ds. M. van Kooten, Elspeet): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 23 februari 2018 als meditatie

Is deze niet de Timmerman, de zoon van Maria? (Marc. 6 : 3)

Er is een mooi schilderij van Barent Fabritius (1626-1673), een leerling van Rembrandt, waarbij hij ‘de heilige familie’ op het doek heeft gelegd.

Op dat schilderij zien we Maria met op haar schoot de Zaligmaker met daarachter Anna die volgens buitenbijbelse bron de moeder van Maria zou zijn geweest. Jozef zien we die druk bezig is met een schaaf aan zijn werkbank. Daarnaast staat Johannes de Doper op de vingers van Jozef te kijken terwijl een lam vlakbij hem staat.

Jozef was timmerman in Nazareth. Of hij een bekwaam of doorsnee vakman was weten we niet. De Rooms Katholieken gaan van het eerste uit en beschouwen hem derhalve als beschermheilige van de bouwvakkers. Wat wij wel weten is dat de Heere Jezus in de volksmond verachtelijk de Zoon van de timmerman werd genoemd. Blijkbaar was er toch onderscheid tussen het werk als timmerman in Jeruzalem en Nazareth.

In de dagen van de ballingschap werden immers niet de timmerlieden uit het Joodse land maar bijzonder uit Jeruzalem meegevoerd in ballingschap (Jeremia 24 : 1).

Voor het onderhoudswerk aan de tempel of het paleis zoals ten tijde van David zal deze nakomeling van David wel nooit uitgenodigd zijn. Hij kwam niet verder dan de nederige woninkjes en schuurtjes van het verachtelijke Nazareth, waar niets goeds vandaan kon komen volgens de volksmond. Aldaar leerde de Heere Jezus van Jozef om hamer, zaag en schaaf te gebruiken.

Wat een wonderlijk denkbeeld toch, Jezus de Timmerman.

Hij Die doden opwekte, zieken genas en predikte als machthebbende en niet als de Schriftgeleerden was (met eerbied gesproken) niet bekend als een geleerde die vaak twee linkse handen heeft, maar als timmerman. Niet ging de Zoon van God in een purperen koningskleed of in hogepriesterlijk ornaat door het leven, hoewel Hij Koning en Hogepriester was, maar in het gewaad van een timmerman. In ieder geval de eerste dertig jaar. In onze tijd zouden we zeggen in overall met spijkerschort.

Wat heeft dat toch te betekenen? De Heere Jezus was timmerman ten teken dat Hij echt waarachtig mens was. Toen de eeuwige Zoon van God in het Oude Testament op aarde kwam was het steeds de gedaante van een engel of een mens. En die gedaante was er voor slechts enkele ogenblikken of hoogstens een dag zoals we weten toen Hij verscheen aan Abram bij Mamré. Maar hier zien we na de wonderlijke geboorte dat Christus waarachtig mens was. Die zelfs een vak leerde om in het onderhoud te voorzien. Vooral het onderhoud van moeder Maria.

Echt mens.

Want verloren zondaren hebben een Middelaar nodig die echt mens en echt God is om de kloof te overbruggen die door de zonde geslagen is tussen de gevallen mens en de Allerhoogste.

Jezus de Timmerman.

Hij is geworden uit een vrouw, maar ook onder de wet gekomen om degenen die onder de wet waren te verlossen. Bij die wet behoort ook het gebod: ‘Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen’.

Hoe had Hij op een eenvoudige wijze tot de stenen kunnen zeggen dat ze brood moesten worden zoals Hij water in wijn veranderde op de bruiloft te Kana. Zeker, Hij waarschuwt duidelijk om niet overbezorgd te zijn: wat zullen we eten en wat we zullen we drinken, maar dat doet niets van de verplichting af met vlijt te arbeiden. Het kan niet zo zijn dat wanneer iemand door God bekeerd wordt voor de dagelijkse arbeid onbekwaam is. Eerder het tegendeel. Arbeid is geen vies woord. Arbeid adelt. Niet wat vroeger de communist David Jozef Wijnkoop stelde dat twee uur arbeid per dag genoeg was. Niet een paar uur, maar een volle dag. We zien duidelijk in de gelijkenis van de arbeiders in de wijngaard dat het niet normaal was om zo min mogelijk uren te maken. Op z’n minst wordt er dan zelfs van negen uren gesproken. Een mens heeft arbeid nodig. Wie niet werken wil zal ook niet eten. Ook is ledigheid des duivels oor kussen.

Wanneer we Markus 6 : 3 helemaal uitlezen dan worden ook broers en zusters van de Heere Jezus genoemd die weliswaar niet op zo bijzondere wijze waren geboren als Hij maar wel Maria tot moeder hadden. Waar de Zaligmaker Jozef als pleegvader had was deze hun werkelijke vader. Toen Jozef wegviel zal Hij juist ook de zorgende taak op Zich genomen hebben om daarin weduwe en (half) wezen in honger en kommer staande te houden. Wat kwam daarin openbaar Zijn liefde tot het vijfde gebod ‘Eert uw vader en uw moeder’, maar ook de hoofdsom van de tweede tafel der wet, de naaste lief te hebben als zichzelf. Aan het kruis merken we die zorgzaamheid nog een keer op wanneer Hij haar aan de zorgen van Johannes toevertrouwt.

Jezus de Timmerman.

We mogen uit dat feit ook zien dat Hij echt de tweede Adam was.

Adam had de roeping om de hof van Eden te bebouwen en te bewaren. Dat was geen zware arbeid omdat er nog geen doornen en distels waren. En wat was het bewaren gemakkelijk. Roven en moorden was nog onbekend. Na de zondeval is echter het Paradijs gesloten. Toen was het bebouwen en bewaren van de aarde niet zo eenvoudig meer. Het ging gepaard met bloed, zweet en tranen. Toen is langzamerhand ook het beroep timmerman geboren.

De Zoon des mensen is niet alleen geroepen om aan de voeten van de Schriftgeleerden te gaan zitten. Letterlijk bouwen behoorde tot Zijn taak. Opdat Hij de mens in alles gelijk zou zijn, uitgenomen de zonde. En opdat Hij volmaakt zou volbrengen waar al ons draven en slaven met zonde en tekortkomingen bevlekt is.

Jezus de Timmerman.

Wanneer vandaag een ouder zegt dat zijn of haar zoon timmerman is, dan zou het wel eens kunnen zijn dat een ander denkt: ‘Dat is maar gewoontjes’. Een leidinggevende functie en een hoge scholing, liefst universitair, ligt meer in de smaak. Maar zie nu eens de Heere Jezus. Hij is eenvoudig timmerman geweest. Hij heeft met het hout moeten werken en zal ongetwijfeld de splinters daarbij hebben gevoeld. Dat zijn immers de doornen en distels van de timmerman. Het zweet zal van Zijn voorhoofd hebben afgegutst, zeker bij gebrek aan de moderne gereedschappen en de temperatuur van het Midden Oosten.

Hij is in een nederige omgeving gekomen.

Omgeven door verachte herders bij de geboorte, gevlucht naar Egypte en terug uit ballingschap verzorgd door een eenvoudige timmerman in het verachte Nazareth.

In ieder geval was daarmee de afstand niet groot voor mensenkinderen die niet naar een paleis zouden durven gaan.

Laten we van de Heere Jezus ook leren om voor geen enkel werk onze neus op te halen.

Spurgeon vertelde eens van een staljongen die een paard aan het roskammen was. Spurgeon vroeg de knaap of hij soms met het paard uit moest. En weet u wat de jongen zei?

‘Nee mijnheer, maar ik denk, stel eens voor dat de Heere Jezus vanmiddag dat paard nodig had, dan moet het toch prachtig glanzen voor Hem!’

Daar wees vroeger Luther ook op als het ging om het Goddelijk beroep. Hij vond dat eenvoudige meisjes beter werk deden dan alle monniken met hun vasten en bidden. Hij zei dat de dienstbodes maar moesten denken dat ze lakens vouwden en ramen wasten voor de Heere.

Daarin is de Heere Jezus voorgegaan. In Jesaja 44 : 13 wordt uitgebreid over een timmerman gesproken. Met behulp van passer, richtsnoer en schaaf vervaardigt deze een beeld. Voor dat beeld knielen de mensen. Een timmerman die afgoden maakt. Zo’n timmerman was de Heere Jezus niet. Integendeel. Hij Die tot Jozef en Maria zei: ‘Wist ge niet dat Ik moest zijn in de dingen van Mijn Vader’ zal zeker ook hierin een voorbeeld geweest zijn voor het gilde van de timmerlieden, ja voor elk beroep waarvan de Heidelberger zegt dat men dat dient te doen zo getrouw als de engelen in de hemel. Anders kon Hij onze Zaligmaker niet zijn daar wij in zoveel te kort schieten, ook op de werkvloer. Ontevredenheid over de werkdruk, of dat het niet uitdagend genoeg is of omdat het loon niet naar wens is. In het Louvre te Parijs hangt een schilderij van Murillo ‘het wonder van St. Diago’ genaamd. Het stelt een geopende deur voor naar een keuken. Allerlei edelen lopen er door. En wie zijn het die in de keuken werken? Engelen. Wie kan toch zeggen zijn werk zo gewillig gedaan te hebben en nog doet, en dat volkomen? Ook daarom was een Middelaar nodig die volkomen deed waar wij faalden.

Jezus de Timmerman.

Wat Hij echt gemaakt heeft weten we niet. Hij zal niet aan de tempel, paleis of profetenschool hebben gearbeid. Toch ook wel. Want in zekere zin is Hij timmerman gebleven. In die zin heeft Hij naar Zijn Eigen gemaakt bestek dat in eeuwigheid zal rijzen gearbeid.

Hij maakte onwoonbare krotten van ongeestelijke goddeloze vijandige mensen tot tempels van de Heilige Geest. Krotten waar de vorst der duisternis het voor het zeggen had, holen van ontucht, moord en diefstal tot scholen van leerlingen van de enige Profeet en Leraar.

Zoals een timmerman de schaaf gebruikt om af te snijden en pasklaar te maken heeft Christus dat gedaan. Hij heeft ze als het ware bij moeten schaven zoals we zien bij Johannes. Deze begeerde dat de Heere Jezus vuur van de hemel zou willen laten nederdalen waarop Hij zei: ‘Gij weet niet van hoedanige geest gij zijt. Ik ben niet gekomen om de zielen der mensen te verderven maar te behouden’.

Zoals de timmerman aan de oever van de Jordaan ging hakken om timmerhout te verkrijgen, hakt en zaagt Christus door Zijn prediking mensen af van de oude stam Adam.

Zoals de timmerman met draadnagels zaken aan elkaar verbindt zo verbindt Hij door het geschonken geloof verloren zondaren op het nauwst met Hem.

In Prediker 12 : 11 spreekt Salomo over de woorden der wijzen die zijn als nagelen, diep ingeslagen.

Wat heeft Zijn hamer een steenrotsen te morzel geslagen (Jeremia 23 : 29).

Harde stenen harten werden verbroken. Of het nu een Schriftgeleerde was als Nicodémus of een slet als de Samaritaanse vrouw. Zo werkt Hij nog door Woord en Geest. Elke keer wanneer Zijn Woord uitgaat komen we onder de prediking in de werkplaats van Zijn Heilige Geest, maar ook in de werkplaats van Hem van Wie gezegd werd: ‘Is Deze niet de timmerman’ middels bijl, zaag, hamer en nagelen.

Mogelijk heeft de Heiland nog een instrument gebruikt, namelijk het kruishout. Dat is een oeroud gebruiksvoorwerp van de timmerman om maten af te tekenen die afgezaagd, weggehakt of geschaafd moesten worden.

Mocht Hij dit gereedschap niet gebruikt hebben, Hij is wel aan het kruishout gehangen. Dat staat in deze lijdensweken centraal in de bediening der verzoening.

Bij een timmerman behoort hout, hamers, spijkers, nagels en kruishout. Temidden van die attributen groeide de Heere Jezus op. Maar zo stierf Hij ook. Hij werd aan het kruishout genageld. Ruwe soldaten deden dit. Er zijn wel legenden die zeggen dat Jozef vanouds kruisen moest leveren aan de Romeinen en dat zodoende de Zaligmaker aan een kruis zou zijn gehangen dat Hij zelf gemaakt had. Dat zijn slechts menselijke bedenksels. Wel heeft Hij Zelf de boom geplant waaruit het kruis is gemaakt en het ijzererts in de aarde gelegd waaruit de nagels zijn gemaakt. Zeker is bovenal dat Hij aan het kruishout heeft gehangen en zo tot een vloek is geworden om zo arme zondaren van de vloek te verlossen. Als timmerman heeft Hij mede de dadelijke en als gehangene de lijdelijke gehoorzaamheid aangebracht, opdat een ieder die in Hem gelooft niet zou verderven maar het eeuwige leven hebben.

Een vraag.

Waar woont u?

In een tempel van de Heilige Geest of in door diezelfde Geest genaamde onbewoonbaar verklaarde woning? Dichtgetimmerd tegen de prediking van het Evangelie. Redt u met alle instortingsgevaar onder de verrotte balken van eigen gerechtigheid en hebt u ze gehakt met een vernisje van doe het zelf godsdienst?

Dichter-etser Jan Luyken schreef onder de tekening van een timmerman het volgende gedichtje.

Zo ’t aardse huis tot nut kan strekken

Om ons voor ongeval te dekken

Gelijk het zeer beminnelijk doet;

Wat behoort men dan met vlijt te bouwen

Daar ’t leven eeuwig huis zal houwen

Wanneer ’t van hier verhuizen moet.

Dat is niet te doen als doe het zelver. Dan moet men zijn bij Hem van Wie ze zeiden: ‘Is Deze niet de Timmerman, de Zoon van Maria?’

8.       Dordtse Leerregels (6; ds. W. Pieters, Garderen): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 23 februari 2018 onder de berichten van de Hersteld Hervormde gemeente van Garderen

Het was een uiterst belangrijke synodevergadering die in november 1618 begon. Nu zien we waarom deze synode niet eerder was bijeengeroepen.

In de dagen van de kerkhervorming vond de staat dat ze heel veel te zeggen had in kerkelijke dingen, onder andere het wel of niet toestaan van een synodevergadering. De overheid in Nederland hield jarenlang een nationale synode tegen, al vroegen de kerken er nog zo vaak en nog zo dringend om. Waarom deed de overheid dit? Omdat de remonstranten het niet wilden, en die hadden veel vrienden bij de overheid. Ondertussen sudderde het conflict voort. Rechtzinnige predikanten werden afgezet, gemeenten scheurden en het land raakte zelfs op de rand van een burgeroorlog.

Pas toen in 1617 prins Maurits de kant van de contraremonstranten koos, kon er een nationale synode worden bijeengeroepen.

Nu bezien we wat de beroemde vergadering van Dordrecht allemaal heeft mogen bereiken. Het eerste wat op de synode aan de orde werd gesteld, was de dringende noodzaak van een nieuwe vertaling van de Bijbel. Er was wel een Nederlandse vertaling, maar die was volgens de predikanten niet goed. De meeste gemeenteleden dachten hier anders over, omdat zij geen grondtalen kenden en gewend waren aan hun vertaling – waarmee martelaren zelfs de brandstapels waren op gegaan … Maar predikanten wisten wel dat de bestaande vertaling (de Deux-Aes-vertaling van 1562) onnauwkeurig was. De kerk had al in 1586 besloten dat er een goede vertaling moest komen, maar de vraag was, wie deze zou maken. Er waren weinig predikanten die de grondtalen beheersten; en die er waren, hadden het in die roerige tijden veel te druk, zodat er keer op keer niets van kwam. Eindelijk werd er iemand gevonden die de tijd en de capaciteit had om een betrouwbare vertaling te maken: Marnix van St. Aldegonde. Hij gaf zich er volledig aan. Maar toen hij het boek Genesis klaar had, stierf hij. En zo raakte de zaak van de Bijbelvertaling opnieuw in het slop.

Maar nu, in 1618, worden er ‘spijkers met koppen geslagen’. Op 19 november wordt uitgebreid gesproken over de vraag hoe men het beste Gods heilig en onfeilbaar Woord in het Nederlands getrouw zou kunnen vertalen.

Omdat de Generale Staten deze vertaling hebben bekostigd, noemen wij deze vertaling wel de Statenvertaling. Dit houdt dus niet in dat de Staten van Nederland aan de vertaling hebben meegewerkt, maar dat zij de vertalers hebben betaald en alle andere kosten die eraan verbonden waren, voor hun rekening namen.

Volgende week zien we volgens regels de vertaling tot stand moest komen.

 

9.       In antwoord: huisgodsdienst – met wie? (ds. M. van Reenen, Oldebroek): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 23 februari 2018 onder de berichten van de Hersteld Hervormde gemeente van Oldebroek

Ik heb in de vorige kerkbode toegezegd, dat ik de vragen wil gaan beantwoorden met het oog op kinderen. Nu kreeg ik vorige week een vraag die zó niet direct geschikt is voor kinderen. Daarom beantwoord ik eerst deze vraag, om daarna er voor de kinderen nog wat aan toe te voegen.

Gisteravond heb ik uw artikel in de Veluwse Kerkbode gelezen over sabbat en huisgodsdienst, met veel instemming en daarnaast met vele vragen rondom dit onderwerp. Mijn situatie is, dat ik moeder en weduwe ben, die twee puberdochters heeft. Zij hebben al jong hun vader verloren. Regelmatig lees ik artikelen over huisgodsdienst. Maar altijd dat je hier samen als vader en moeder probeert gestalte aan te geven. Dan kan dit al moeilijk zijn, maar u kan zich niet voorstellen hoe moeilijk dit is als je alleen bent en alleen verantwoordelijk bent om tegelijk vader en moeder te moeten zijn. Wat kan in het bijzonder op zondag wat ook een dag van het gezin is juist de leegte gevoeld worden bij het gemis van een vader en man. Doopdiensten bijvoorbeeld zijn altijd moeilijk voor me, omdat je samen ‘ja’ gezegd hebt op alle doopvragen en nu die taak alleen op mij rust.

Wat begrijpelijk dat u deze vraag hebt, en wat waardevol dat u deze ook stelt! Er zijn veel anderen die hiermee ook worstelen. Weduwen, weduwnaren, maar ook anderen: die gescheiden zijn, of die elkaar in deze dingen niet steunen.

In mijn stukje ‘op de sabbatdag’ heb ik aangetekend: ‘als je elkaar als man en vrouw nog mag hebben’. Jawel, maar als dat dan niet zo is?

Het gemis dat je op allerlei gebieden voelt, komt juist hierin zo dringend naar voren. Je hebt elkaar zo nodig! Ik merk het vaak – ook al zijn onze kinderen nog geen puber – dat je elkaar als man en vrouw om raad vraagt, dat je samen overdenkt wat er voor de kinderen goed en nodig is. Zó moeilijk dan, als je daar als ouder alleen in staat….

Wie ben ik om te zeggen hoe u dat doen moet of kunt? Als er een vader of moeder in de gemeente sterft, dan probeer je mee te leven en (enigszins) mee te lijden – maar ik ken uw situatie niet van binnenuit, volstrekt niet. Aanwijzingen kunnen dan zo gemakkelijk klinken. En toch wil ik het proberen. U hebt uw ‘ja-woord’ samen gegeven, maar toen uw man wegviel is de uwe overgebleven. Nu bent u als moeder hoofd van het gezin. Wat kan dat zwaar zijn, terwijl je als echtgenote je hoofd al zo mist…

Dan hoop ik dat u allereerst zult zoeken én mag merken, dat Christus uw Hoofd is. Dan hoef je niet ‘ont-hoofd’ te zijn. Een Ánder wil u leiden. Met minder kan het niet maar dat hoeft ook niet. Dan legt Hij op u de taak om uw gezin te leiden. Voorgaan in gebed, lezen, onderwijzen. Telkens sta je daar alleen voor, dat maakt het moeilijk; maar al voelt het vreemd om het als vrouw steeds te moeten doen, het is wel uw roeping, en dat maakt het ook mogelijk. ‘Hij Die u roept is getrouw’.

In die zin staat u voor dezelfde opdracht als een echtpaar (ook al is het voor hen (soms) gemakkelijker). Regelmaat is belangrijk, vaste tijden. Dat betekent ook, tijd er voor reserveren. Zodat de kinderen, oud en jong, eenvoudigweg weten: het is nu tijd voor bidden, zingen, Bijbelstudie – of wat er dan ook maar aan de beurt is. Ook op zo’n moment missen die kinderen natuurlijk hun vader (net als u); misschien maakt dat hen ook wel eens onwilliger. Maar hopelijk kunt u hen er ook op aanspreken, en kunt u vanuit een gemis dat u samen voelt ook samen zoeken naar Gods zegen en vertroosting.

Om de kinderen te onderwijzen, moeten we zelf onderwezen worden. Dat kost tijd. En die is juist zo schaars, als u álles alleen moet doen. Toch is het onmisbaar! Bezoek bijeenkomsten in de gemeente (ook al is het soms moeilijk om anderen te zien die wél elkaar hebben), zonder tijd af om in de stilte Gods aangezicht te zoeken. En neem dan ook echt tijd voor de kinderen. Zij hebben hun moeder extra nodig. Alleen, als u die tijd nu juist bijna niet vinden kunt? Misschien moet u wel (veel) buitenshuis gaan werken, om in het onderhoud te voorzien. Je voelt je aan alle kanten klem zitten.

Maar! Hier is nu juist de gemeente voor. Ik hoop dat u een diaconie hebt die bij het overlijden van uw man al bij u is geweest. Neemt u anders gerust een diaken in vertrouwen. De weduwen waren in de Bijbel juist degenen die gesteund werden en waar God bijzondere zorg voor had (Psalm 10, Psalm 146 enzovoorts). Vraag gerust om hulp, zodat u meer tijd beschikbaar hebt om er voor uw kinderen te zijn. Ook verder hebt u mensen om u heen nodig. De kinderen missen niet alleen een vader, maar ook een man in het gezin. Een man heeft toch weer een eigen benadering. Ik hoop dat u nog uw vader of schoonvader mag hebben, en dat er een goede band is. Een godvrezende opa kan veel betekenen in de geestelijke vorming van de jeugd. Een goede jeugdleider of docent ook. Laat hen maar ‘meehelpen’. Dat past ook bij uw doopbelofte. Daar hebt u niet beloofd om het alleen te doen, maar ook om hen te ‘doen/laten onderwijzen’. Het voelt heel kwetsbaar om hulp te vragen en te laten merken dat je het niet alleen kunt. Zouden anderen het echt vreemd vinden? Anderen de gelegenheid geven om te helpen, dat is ook een geestelijke zaak!

En nog één ding. U hebt in uw doopbelofte niet gezegd dat u meer zult doen dan u kunt. U voelt dat u ‘vader en moeder’ tegelijk moet zijn, maar dat kunt u niet, en dat hoeft ook niet (ook al gunt u het uw kinderen zo). U hebt beloofd, dat u ze ‘naar uw vermogen’ zult onderwijzen. Niet minder dan in uw vermogen ligt, maar ook niet méér. God vraagt niet dat u alles zult doen. Waarom niet? Omdat Hij wel mensen wil gebruiken, maar niet van hen afhankelijk is. Kinderen opvoeden is ons werk, kinderen verlossen is Zijn werk. Ik hoop dat u met minder niet tevreden kunt zijn dan dat u weten mag, dat Hij uw dochters tot een Vader is. Zijn zegen gewenst.

Voor de kinderen

Kinderen, weten jullie wat ‘huisgodsdienst’ is? Dat is, dat je bezig bent met de godsdienst in je gezin. Je doet thuis dingen die je ook in de kerk doet: bidden, Bijbellezen, zingen, leren. Waarom?

Omdat je zo God kunt leren kennen en eren. Op zondag heb je daar extra veel tijd voor, maar doordeweeks hoort het er ook bij. Doe je dan goed mee?

Net als in de kerk: eerbiedig zijn en goed opletten!

Het is bedoeld voor iedereen, voor de kleinste kinderen en voor de grootste kinderen.

Je kent Jozua wel, de opvolger van Mozes. In de Bijbel staat dat hij zei: ‘Aangaande mij en mijn huis, wij zullen de Heere dienen’. Wat bedoelde hij met zijn ‘huis?’

Zijn familie, dus hij en zijn vrouw, zijn kinderen en zijn kleinkinderen. Jozua kon niemand missen; hij wilde dat ál zijn kinderen de Heere liefhadden. Jozua heeft het beloofd. Maar dan moesten die (klein)kinderen wel meedoen.

Jouw vader en moeder hebben het ook beloofd. Maar dan moet jij ook meedoen! Goed opletten. En vooral: echt de Heere zoeken. Bid dan ook maar stilletjes, of de Heere het wil zegenen. Ook als je het soms moeilijk vindt of er geen zin in hebt! En doe ook maar je best. Doe op school je best als je leert lezen, want dan kun je ook de Bijbel lezen. Probeer een instrument te leren spelen: orgel of fluit bijvoorbeeld. Dan kun jij spelen als de rest zingt. Zorg ervoor, dat je er echt met je aandacht bij bent. Dat is fijn voor je vader en moeder – maar het is vooral belangrijk tegenover de Heere.

Maar….nu zijn er kinderen die hebben geen vader of geen moeder meer. Misschien jij ook wel.

Wat verdrietig! Je zult daar wel vaak aan moeten denken. Zeker als je met het hele gezin bij elkaar bent. Die ene stoel is leeg….Vind je het daarom ook wel eens extra moeilijk als je aan God denkt? De Heere had toch ook wel kunnen zorgen dat je vader of moeder bij jullie kon blijven?!

Soms…heb je daardoor misschien wel niet zo veel zin meer om met de dingen van God bezig te zijn. Opstandig, noem je dat. Al weet je ook wel: dat is zondig, dat is niet goed tegenover God. En het is ook niet goed voor jezelf. Je hebt de Heere juist zo hard nodig! Als je je vader of je moeder zo mist, dan hoop ik dat het een extra reden is, om de Vader in de hemel te zoeken. En dat je merken mag, hoe goed Hij voor je wil zijn – ook al begrijp je niet altijd waarom Hij het zó doet. En er is nog iets: als je laat merken dat je geen zin hebt in huisgodsdienst, dan is dat voor je moeder (of vader) extra moeilijk. Maak het haar (of hem) niet te moeilijk! Jullie voelen samen het gemis, zoek dan ook samen de Heere! Hopelijk mag je horen, geloven en merken hoe goed de Heere is. En dat voor slechte mensen. Wij hebben niets verdiend, nog geen klein beetje leven. En de Heere wil genade geven. Weet je hoe? Door Zijn Zoon te geven. Jij mist je vader. De hemelse Vader verloor Zijn enige Zoon. En de Zoon raakte Zijn Vader kwijt. Hij weet echt wat gemis is, tot in het allerdiepst. En waarom liet Hij dat gebeuren?

Om mensen bij God te kunnen brengen. Als je dat mag kennen, ben je nooit meer alleen. Die zegen geeft Hij niet alleen aan ouders, maar ook aan kinderen (Ps. 115 : 13).

10.   Abrahams pleiten voor Sodom (ds. R.P. van Rooijen, Oosterwolde): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 23 februari 2018 onder de berichten van de Hersteld Hervormde gemeente van Oosterwolde

Op de laatste gehouden Bijbelkring spraken we over Abrahams pleiten voor Sodom. We zagen dat Abraham ‘bleef staan voor het aangezicht des HEEREN’. We vonden daar in de bundel ‘Studeren en mediteren’ van wijlen ds. F. Kijftenbelt een meditatie over getiteld ‘Abraham en het Lam’ naar aanleiding van Gen. 18 : 22b en Openb. 5. Een klein stukje hieruit geven we u graag door met het bijbehorend gedicht onder de meditatie.

‘Wat een kostelijk exempel (voorbeeld) is Abraham hier voor ons. Mag ik u van Christus’ wege deze raad meegeven? Wanneer de preek uit is en de godsdienstoefening, och blijf dan nog even staan voor het aangezicht des Heeren! Toef nog wat na in de Geest! De Heere wil nog even opgehouden worden. Misschien heeft Hij u wel meer verteld dan een ander. Het was wel hetzelfde Woord, maar misschien zei het u meer. Vraag Hem dan ootmoedig om nader bescheid, opdat Hij u ook het pleiten lere voor uzelf en voor anderen! Opdat gij uw pleitrede leert gronden op die ene Rechtvaardige, die de zonde der wereld wegnam en om Wiens wil de hemel nog met de aarde blijft staan.

Hier hebben wij dan de zekerheid dat die éne Rechtvaardige er nog is.

Johannes op Patmos vestigt de aandacht op Hem. Hij aanschouwt Hem in hemels visioen. In het midden van de troon en van de vier dieren en van de ouderlingen ‘een Lam, staande als geslacht’. Met de littekenen Zijner slachting, als de Middelaar tussen God en Zijn volk.

Welk een verademing en ruste, o kerk des Heeren!

Hij, Die meer dan Abraham is, staat daar als het Lam voor het aangezicht des Heeren en het spreekt al maar door één taal: ‘Vader, verdelg de wereld nog niet om Mijnentwil, totdat al Uw uitverkorenen zijn toegebracht!’

Hoe lang heeft dat Lam daar al gestaan? Het stond er reeds van vóór de grondlegging der wereld. Wanneer Adam valt in het Paradijs, dan staat het Lam er al.

In de volheid des tijds zendt God Zijn Zoon naar de aarde. Zijn eigen volk vergrijpt zich aan Hem. Getsémané komt; Golgotha komt. Daar staat Gods Lam aan het kruis voor het aangezicht des Heeren! Christus staat uit de doden op. Gods Kerk is gekocht tot de prijs van Zijn bloed. Veel is er gebeurd. Vele dingen moeten er nog gebeuren en nog is het einde niet. Maar zie, o kerk des Heeren, vóór de troon dat Lam!

Rustig staat Het er, alle tijden door, ook uw bange tijden door, verslagen zondaarszielen!

Geen geweld of duivel kan Het van Zijn staand- en staanplaats meer weg krijgen. Loopt alles u tegen; vliegen dood en hel u in het aangezicht, hebben de vijanden Gods besloten, dat het kruis de wereld uit moet, het pleidooi van het Lam staat niet stil. Hij, de Christus weet meer dan Abraham. Hij kent degenen die de Zijnen zijn. Hij zegt tot Zijn Vader: ‘Vader, Ik wil dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt!’

Vergeet dan nooit o schapen Mijner weide: Zolang het Lam daar staat, is alles veilig. Houdt vast hieraan voor uzelf en in de kerk hier op aarde. Want zonder dit staande Lam was er geen kerk.

Abraham blijft nog staan voor het aangezicht des Heeren,

Ook als twee mannen reeds naar Sodom zijn gegaan.

Voor een verdorven stad durft hij ’t behoud begeren.

Hij neemt Gods boodschap niet voor kennisgeving aan.

 

Die zelf is vrij gepleit zal zijn pleidooi hier gronden:

‘God stort Zijn volk niet meer in grote wereldbrand.

Zo daar slechts tien rechtvaardigen in Sodom zijn gevonden,

Zou Hij om hen niet sparen een stad, ja zelfs een land?’

 

Als Abraham nog blijft staan is Christus dan geweken,

In volheid van de tijd, toen Hij op aarde kwam.

En Hij hier drinken moest uit Belials hellebeken,

Terwijl de vijand Hem Zijn eer en kroon ontnam?

 

Wat stond Hij daar al lang voor ’t aangezicht des Heeren.

Hij was met Vader daar, in stille eeuwigheid

Om door Zijn dood eenmaal het leven te begeren,

Van Zijn rechtvaardigen, die Hij heeft vrijgepleit.

 

Mijn Jezus staat altijd voor ’t aangezicht des Heeren,

Sinds Hij op Golgotha het werk voor mij volbracht.

Hij zal mij uit de hemel door Woord en Geest regeren.

Zie, vóór de troon het Lam, daar staande als geslacht!

11.   De praktijk van de Schriftlezing in de eredienst (ds. W.J. op ’t Hof, Gameren): gelezen in de Veluwse Kerkbode van 23 februari 2018 onder de berichten van de Hervormde gemeente van Driedorp

Dat de Schriftlezing het belangrijkste onderdeel van de liturgie is, heeft praktische consequenties voor de gemeenteleden. Velen laten de Schriftlezing lijdelijk over zich heenkomen en gaan pas rechtop zitten als de preek begint. De gedachte is dan: met de preek begint het eigenlijke.

Zoals in de vorige aflevering van het Kerknieuws is aangegeven, berust deze gedachte op een groot misverstand. De eredienst bereikt haar toppunt in de Schriftlezing. De preek is slechts uitwerking van de Schriftlezing. Als Gods Woord in de eredienst wordt gelezen, moeten wij dus nog veel meer opletten dan onder de preek. De Schriftlezing is het centrum van de eredienst, waarom alle andere onderdelen heen zijn gegroepeerd.

Een kerkganger kan de extra aandacht voor de Schriftlezing bij zichzelf stimuleren door het opgegeven Bijbelgedeelte mee te lezen. De praktijk bewijst dat bewust meelezen een nuttig hulpmiddel is voor de ontvangst van Gods Woord. In de werkelijkheid van een kerkdienst zie je veelal dat zij die hun Bijbeltje onder de Schriftlezing dicht houden, dat uit onverschilligheid doen. Zij gebruiken hun Bijbeltje alleen om onbekende psalmen mee te zingen. Maar het belangrijkste, de heilige Schrift zelf, laten zij dicht. Dat is niet goed. Dat behaagt de Heere niet. Sommigen lezen maar niet mee met de voorlezer, omdat zij van zichzelf weten dat zij niet goed in de Bijbel thuis zijn. En als er dan een hoofdstuk of gedeelte uit een onbekend Bijbelboek wordt opgegeven, moeten zij voorin in het register kijken om te weten waar zij de Schriftlezing in hun Bijbeltje kunnen vinden. Voor andere mensen willen zij echter niet weten dat zij niet echt in de Bijbel thuis zijn en dus zorgen zij ervoor dat zij door hun Bijbeltje dicht te laten, niet als zodanig openbaar en in opspraak komen. Als dat bij ons het geval is, moeten wij ons schamen. Is de Heere ons zo weinig waard dat wij niet de moeite nemen om in Zijn Woord goed de weg te weten?

Enige tijd geleden preekte ik door de week in een gemeente die uit de Afscheiding voortkomt. De tekst stond in een niet zo bekend Bijbelboek. En het was alsof het zo moest zijn. Mijn oog viel op de dienstdoende ouderling die zichtbaar alle moeite deed om de Schriftlezing te vinden. Die man was net als ik. In zo’n geval is het zeer verstandig om direct maar je onkunde te erkennen en het register voorin te raadplegen. Maar nee, je wilt je niet laten kennen. Dus die arme man in zijn  Bijbel bladeren en het opgegeven hoofdstuk maar niet vinden. Hij werd hoe langer hoe zenuwachtiger. Toen ik al een eindje met de Schriftlezing op weg was, zag ik met een schuin oog dat hij van armoede maar ophield en zijn Bijbel dichtsloeg. Als dit bij ambtsdragers al voorkomt, hoe zal het dan met gemeenteleden gesteld zijn?

Er zijn ook kerkgangers die afwisselend wel en niet meelezen. Zij doen dat wel in het geval er een onbekend hoofdstuk wordt opgegeven. Dan willen zij de mogelijkheid om mee te lezen benutten om zoveel mogelijk van de opgegeven Schriftlezing tot hen te laten doordringen. Wanneer er echter een bekend gedeelte wordt opgegeven, laten zij de lezing van de heilige Schrift passief over zich heen komen, omdat zij denken dat zij dat stuk wel kennen. Dat is om twee redenen jammer. In de eerste plaats wil het tijdens het meelezen nog wel eens gebeuren dat ons oog op een tekst, een aspect of een woord valt dat ons tevoren nooit is opgevallen. De Schrift is altijd rijker dan wij denken. Voorts kan de voorganger bij zijn uitleg van het Schriftgedeelte attenderen op zaken die wij als kerkganger nog nooit gezien hebben en die ons bij de Schriftlezing ook niet zijn opgevallen. In dat geval spreekt zo iets veel meer als wij meegelezen hebben dan als wij dat nagelaten hebben.

Het verdient niet alleen aanbeveling om de Schriftlezing zelf mee te lezen, maar ook om het Bijbeltje tijdens de prediking bij het opgegeven Schriftgedeelte open te laten liggen. Zelf praktiseer ik het geregeld dat ik bij de uitleg van de tekst uitdrukkelijk verwijs naar één of meer Bijbelteksten die in het verband van de tekst van de prediking staan of die elders in de Bijbel voorkomen. Heel vaak is het leerzaam om in geval van een nieuwtestamentische tekst te laten zien dat die een oudtestamentische achtergrond kent. In zo’n geval kan de voorganger volstaan met die tekst op te lezen. Het is echter veel leerzamer voor kerkgangers als de predikant de gemeente opwekt om die tekst eerst zelf op te zoeken en dan mee te lezen. De voorganger moet dan wel een pauze inlassen. Die pauze is zo belangrijk omdat dan kerkgangers des te meer geneigd zullen zijn om de genoemde tekst in hun Bijbeltje op te zoeken en die mee te lezen. Op deze wijze word je als kerkganger actief bij de preek betrokken.

Terwijl ik dit neerschrijf, krijg ik er steeds meer zin in om tijdens de prediking regelmatig teksten op te geven en de gemeente te verzoeken die op te zoeken en mee te lezen. Onder het preken zie ik nog weleens catechisanten en ouderen zitten die zichtbaar met hun gedachten elders verkeren. Door een tekst op te geven en dan te pauzeren kan ik toehoorders des te beter bij de les houden. Omdat de jeugd de bijzondere liefde van mijn hart heeft, zal ik daarbij met name de catechisanten in het oog houden. Want wie jong leert op een gepaste wijze met het Woord in een eredienst om te gaan, zal dat ouder gewend zijn. Jong geleerd is toch oud gedaan?

Ik wil dit stuk beëindigen met een beetje prikkelend aspect.

Wij zijn in Nederland gewend de eredienst zittend op ons zitvlak door te brengen. Alleen met de zegen aan het einde van de kerkdienst staan wij op om staande zegen te ontvangen. Verder staan wij van onze zitplaatsen op tijdens een Doopdienst en een trouwdienst om de kinderen en het bruidspaar zingend de zegen des Heeren toe te wensen. Maar als het gaat om het belangrijkste onderdeel van de liturgie, namelijk de Schriftlezing, blijven wij gewoon zitten.

Buiten ons vaderland is het echter in diverse buitenlandse kerken gebruik om tijdens de Schriftlezing te gaan staan. Waarom? Omdat men daar vindt dat het Woord van God zo belangrijk is dat men tijdens het lezen daarvan niet mag blijven zitten.

Opstaan om uitdrukking te geven aan de grote eerbied voor het Woord van God.

Wanneer ergens de koning binnenkomt, moeten de aanwezigen gaan staan.

Wanneer de rechter voor een rechtszaak binnenkomt, moet men gaan staan.

Wanneer bij een promotieplechtigheid de stoet van hoogleraren verschijnt, dient men te gaan staan. Dit is ook het geval bij het binnenrijden van de lijkkist tijdens een begrafenisplechtigheid en bij het binnenschrijden van een trouwpaar tijdens een trouwdienst.

Maar als God in het gewaad van Zijn Woord de kerkdienst binnenkomt, blijven wij zitten.

Wij behandelen Hem derhalve minder dan een mens.

Wordt het niet tijd dat wij er eens serieus over na gaan denken om staande het Woord van de levende God te gaan aanhoren? Een beetje meer eerbied in onze diensten zou niet verkeerd zijn!

12.   Hij zal Zijn engelen van u bevelen (gelezen in zendingsblad Mbuma, mei 2017)

Een zendeling vertelt: ‘Toen ik in Zuid-Afrika werkte, woonde ik in een huis van twee vertrekken. De ene kamer was als keuken ingericht, de andere als woonslaapkamer. De keuken had een deur naar buiten. Op een zaterdagavond zat ik nog laat mijn toespraak voor de zondag te overdenken. Mijn vrouw was naar bed gegaan en de kinderen sliepen reeds. Buiten hoorde ik de wind blazen door de bomen waaronder ons huisje stond, maar verder was het doodstil in het kaffersdorp waar ik mijn post had. Eindelijk zocht ik ook mijn bed op, en na het licht uitgeblazen te hebben wilde ik de deur binnen gaan. Maar op dat moment riep mijn vrouw mij toe, of ik de buitendeur wel gesloten had. Ze was altijd bang voor ongenode gasten en daar kon in deze eenzame streek reden toe wezen. Ik verzekerde haar, dat de deur op slot was, maar zoals dat gaat, mijn vrouw kon niet tot rust komen en vroeg me toch nog even te kijken of alles veilig was. Om haar gerust te stellen liep ik verder op mijn blote voeten naar de keuken. Nauwelijks echter was ik in de keuken gekomen, of ik hoorde duidelijk een stem, die op gebiedende toon riep: ‘Steek licht op!’

Verschrikt liep ik een paar stappen terug. Ik vroeg mijn vrouw of ze mij iets had toegeroepen?

Zij antwoordde ontkennend. Het vreemde was, dat de woorden van de tegenovergestelde kant van de keuken schenen gekomen te zijn. Daarop vroeg ik mijn vrouw of zij ook de stem had gehoord? Zij had echter niets vernomen, maar ze drong er met klem op aan, aan de stem gehoor te geven en licht op te steken. Dat deed ik natuurlijk. Voorzichtig liep ik nu met de lamp de keuken binnen. Toen ik de buitendeur bereikt had, stond ik ontsteld stil. Een gevaarlijke en zeer giftige slang richtte zich plotseling op en siste me toe, zodat ik van schrik terugdeinsde. Door ervaring wist ik echter, hoe men met deze gevaarlijke vijanden moest omgaan en plaatste het licht in een verwijderde hoek, zodat het licht de slang in de ogen kon schijnen. Nu kwam het reptiel tot rust en rolde zich na enkele ogenblikken weer ineen om de slaap te hervatten waaruit het licht het gewekt had. De slang lag zo dicht bij de deur, dat wanneer ik in het donker had willen voelen of deze gesloten was, ik bijna zeker op het ondier zou getrapt hebben en deze zou mij zeker een dodelijke beet toegebracht hebben.

Voor dit zware vergif is ook wel het genezende serum te verkrijgen, maar dan zou ik meer dan anderhalve dag hebben moeten reizen en het gif werkt reeds na een half uur dodelijk. Het zou dus met mij beslist gedaan zijn geweest. Ik ging vlug naar het rek waarin een zware bijl hing, greep die en naderde andermaal voorzichtig de slapende slang. Met één slag sloeg ik het ondier de kop af, waarna ik met mijn vrouw God dankte voor Zijn bewaring, de God Die getoond had door Zijn engel op mij toe te passen de woorden uit Psalm 91.

 

13.   De mollen (ds. A. Schot, Nunspeet): gelezen in Kerkblad Gereformeerde Gemeente Capelle a/d IJssel van 10 februari 2018

Ze zijn er weer: de mollen!

Het landschap is op veel plaatsen bedekt met molshopen. Het is ingrijpend wat die kleine dieren kunnen aanrichten. Hele weilanden liggen omgeploegd. De Heere spreekt door Zijn Woord. Hij spreekt ook in het rijk van de natuur. Die sprake is alleen te verstaan vanuit het Woord. Het zou leerzaam zijn om het boek van de natuur voortdurend te leggen naast het boek van de Schriftuur. In de Bijbel wordt ook over de mollen gesproken. In Leviticus 11 vers 30 lezen we over de mol. De naam komt van uithollen, graven. De mol is in de ceremoniële wet een onrein dier. Iemand die een dode mol aanraakte, was onrein tot aan de avond. Op veel plaatsen in Kanaän is de grond te ondiep voor de mol, zoals wij die kennen. De Palestijnse mol is meer een molmuis en lijkt wel enigszins op onze mol, maar die molmuis is een planteneter. Die molmuis maakte ook tunnels en veroorzaakte molshopen. In vruchtbare streken was de mol zeer schadelijk. De mol heeft maar hele kleine oogjes en zijn zichtsvermogen is heel gering. Vandaar dat men vaak spreekt over een blinde mol. Ik heb weleens iemand horen zeggen dat zijn ogen vaak pas open gaan als hij dood is. Het is niet zo best als ons beeld in de mol getekend zou zijn. De mol is schadelijk in de natuur. Zijn gang is duister en onnavolgbaar. De schade is groot en verwoestend. Blinde zondaren zijn ook schadelijk in het kerkelijke leven.

Er wordt wat gewroet op geestelijk gebied. Er worden wat schadelijke hopen veroorzaakt. De Bijbel spreekt ook over de kleine vossen die de geestelijke wijngaard verderven. Van nature doen ze de dienst des Heeren helaas geen goed. Hebben wij onszelf al als een blinde mol leren kennen? De vergelijking is niet aangenaam, maar wel leerzaam. Het zou nuttig zijn als we getrokken mogen worden vanuit de duisternis. In sommige delen van ons land worden de mollen door de hoge waterstand naar boven gedreven. Ze houden het in de duisternis niet meer uit. Moge de Heere ons zo uit onze duisternis uitdrijven tot Zijn wonderbaar licht. Dan wordt de mens, die eertijds onnut was, nuttig. Zie het aan Onésimus.

In Jesaja 2 vers 20 lezen we: In die dag zal de mens zijn zilveren afgoden en zijn gouden afgoden, welke zij zich gemaakt hadden, om zich daarvoor neder te buigen, wegwerpen voor de mollen en de vledermuizen. Het gaat daar over de dag van het oordeel. Als de Heere komt, zullen de mensen overtuigd zijn van de waardeloosheid van hun afgoden. Eerst hebben zij die afgoden aanbeden en omhelsd. Als de Heere komt, worden ze weggeworpen in de molshopen en in de holen van de vleermuizen. Goud of zilver is dan totaal waardeloos. Mensen zullen zichzelf verstoppen in de spelonken en de rotsen van schrik voor de grote Rechter. Het zou groot zijn als we voor het aanbreken van de dag des Heeren onze afgoden leren wegwerpen voor de mollen en vledermuizen. Dan hoeven we straks niet te vluchten in de steenrotsen vanwege de schrik des Heeren. Het was een uitdrukking die vroeger nogal eens gebruikt werd: Werp dat maar weg voor de mollen en de vledermuizen. In Bijbels licht is dat geen slechte raad. Er wordt door velen te weinig weggeworpen. Gods kinderen leren alles wegwerpen voor de mollen en vledermuizen, omdat zij voor het oordeel al in aanraking komen met Gods recht. Dan verliest alles wat uit de mens komt zijn waarde. Het enige dat dan nog waarde heeft, is genade. Paulus schrijft dat hij alles schade en drek heeft leren achten om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus. Werd u al getrokken uit de duisternis?

 

 

14.   Christus’ zorg voor Zijn moeder (inmiddels wijlen ds. L. Terlouw, Utrecht): gelezen in ‘De Saambinder’; orgaan van de Gereformeerde Gemeenten, van 25 februari 2016

Serie: De zeven kruiswoorden

Het derde kruiswoord: ‘Jezus nu, ziende Zijn moeder, en de discipel dien Hij liefhad, daarbij staande, zeide tot Zijn moeder: Vrouw, zie, uw zoon. (….) Zie, uw moeder’. Johannes 19 : 26,27

Te midden van de strijd tegen alle helse machten en krachten aan het vloekhout des kruises sluit de Heere Jezus Zijn ogen niet. Hij ziet Maria Zijn moeder staan. Zijn ogen vol van innerlijk ontfermen reiken tot de bodem van haar hart. Een zwaard gaat door haar ziel: Is dit nu de weg die haar Zoon moet gaan? Moet ze haar Zoon na 33 jaar verliezen? Is Hij nu zo: Jezus, Zaligmaker van zondaren? Ze raakt haar Zoon kwijt, maar nog veel erger, ze verliest ook haar Zaligmaker.

Christus’ ogen doorlopen ook vandaag de ganse aarde. Waar vindt Hij u, welke nood treft Hij in uw hart aan? Kunt u in uw zondenood niet buiten de Zaligmaker? De duivel zit dan ook niet stil, hij roept ons toe: U hebt geen heil bij God in en door Hem. Het is voor u niet, het kan voor u niet. Als God Hem aan het kruis niet hoorde, Hij hoort ook u niet en buiten God zult u eeuwig omkomen.

Zie, uw zoon

Christus ziet het en Hij zag haar, maar ook Johannes, de discipel der liefde. Ondanks wat Hij doorworstelt, spreekt Hij met één van Zijn laatste ademtochten tot Zijn moeder: ‘Vrouw, zie uw zoon’. ‘Vrouw’, zo heeft Hij ook tot Maria gesproken tijdens de bruiloft te Kana. Wij zouden er misschien iets denigrerends in horen in onze tijd. Toen was dat niet zo, het is een aanspraak vervuld met Zijn liefde en zorg. ‘Vrouw’, het schept wel afstand. Maria’s moedertaak is vervuld. Haar Zoon moet ook nu in deze lijdensweg bezig zijn in de dingen Zijns Vaders en zo vervult Hij tegelijk tot eer van Zijn hemelse Vader, het gebod: eert uw vader en uw moeder.

Maria is inmiddels weduwe geworden en als haar oudste Zoon droeg de Heere Jezus verantwoordelijkheid voor Zijn moeder. Hij kan nu niet meer voor Zijn moeder zorgen zoals tijdens Zijn omwandeling op aarde, maar Johannes zal dat doen. De liefde waarmee Christus Johannes liefheeft, zal als uitwerking hebben dat Johannes de opdracht ‘Zie uw moeder’ zal vervullen. Johannes zal Maria in huis nemen en voor haar zorgen. In die zorg zal Maria door het oog des geloofs de zorgende, bewarende hand van haar Zoon opmerken. Bij voortduur zal ze na Zijn opstanding onder die zorg mogen opmerken: Mijn Zoon ging voor mijn zaligheid die weg. De weg is zwaar voor Maria, maar Hij zorgt voor haar, niet alleen haar Zoon, maar ook haar oudste Broeder. Hij zal niet rusten totdat ze ook daar is waar Hij naar toegaat, terug naar Zijn hemelse Vader. Wat valt ons de weg ook dikwijls zwaar. Velerhande kruis vanwege onze zonde. Waar zoekt u uitkomst? Al onze wegen lopen door eigen schuld dood. De raad van mensen maakt de nood alleen maar groter. Wat kan er een zwaard door de ziel gaan. Waar Hij doorwondt, waar Hij onze wegen laat doodlopen, klinken ook vandaag woorden tot eeuwig behoud: Mijn oog zal op u zijn.

Zie, uw moeder

In de woorden: ‘Zie, uw moeder’ krijgt Johannes een opdracht van Zijn meester. Als Christus deze woorden spreekt, dan krijgt Johannes liefde, kracht en inzicht om de opdracht te vervullen. Johannes wil en kan niet anders. Hij ontfermt zich over Maria in haar zielsverdriet. Zo blijft er ook vandaag, als Gods Woord kracht doet in het leven, niets anders over dan door genade te volgen de weg die Hij wijst. Van die ure neemt Johannes haar in huis. Het zijne wordt het hare. Hij doet haar delen in de gave die hij ontving van God, materieel en geestelijk. Wie Johannes daarin ook als dienstknecht van God mag ontvangen, ontvangt Christus. In deze zoon, ontvangt Maria haar Zoon terug, het Woord van haar Zoon. Woorden tot zaligheid. In Johannes’ huis wordt Christus’ moeder blijvend gebracht onder de zorg van Zijn Woord. Van het kruis klinken niet Zijn laatste woorden tot haar. Dan zou het nog eeuwig kwijt zijn. Maar Zijn Woord zal blijven klinken, zal haar voortleiden, troosten vanuit de enige troost en zal haar doen aankomen op de bruiloft des Lams, eeuwig thuis. Hebt u zo Zijn Woord nodig gekregen? Hongert en dorst u naar dat Woord dat door Zijn Geest zondaren rechtvaardigt om niet? Kunt u niet verder buiten dat Woord? Daarom, als u Christus hier Zijn derde kruiswoord hoort spreken, Hij leeft en Hij spreekt nog. In al uw zielsverdriet, grijpt moed. Krijg Hem toch zo nodig!

15.   De belijdenis (dr. C.A. Tukker): ontvangen van een lezer t.g.v. herdenking Dordtse Synode 2018-2019

De voorgeschiedenis van de nationale synode te Dordrecht 1618/19 wordt met name door twee problemen beheerst:

a) het gezag van de belijdenis,

b) de verhouding tussen Kerk en Staat.

Hierin - zo leren ons de geschiedenisboeken terecht - stonden "preciesen" of kerkelijken en "rekkelijken" of politieken tegenover elkaar. De laatsten achtten zich niet van de paus te Rome ontslagen om nu onder de "paus" van Gelieve of een papieren paus (namelijk de confessie) gebracht te worden. De eersten gaven het recht Gods niet over aan politieke normen.

Het kerkrecht van de Gereformeerde (Hervormde) Kerk is in de eerste tijd, in haar ontstaans- en organiseringsperiode, cumulatief. Het Convent van Wezel heeft de basis voor dit kerkrecht gelegd, hoewel de artikelen van dit convent er nooit direct in geparticipeerd hebben.

Het bindende kerkrecht begint pas met de Kerkorde van Emden, maar toch ziet men in de artikelen van Wezel reeds het stramien, waarop voortgeborduurd zal worden, en dat blijft zo tot Dordrecht 1618/19 toe. Nu is in dit kerkrecht begrepen de eis tot ondertekening van de Nederlandse Geloofsbelijdenis en/of de Heidelberger Catechismus. Wezel eiste van predikanten en doctores, dat zij in alles overeenkwamen "met die Leere, welcke in de Kerke openbaerlick wordt onderhouden, ende vervat is in de Belydenisse (welcke eerst van de Kerckendienaren in Vrankrijk aan den Fran-schen Koning is overgelevert, ende daer na in het Nederduytsch overgeset zynde, aen den Koning van Hispanien, ende de andere Overheden van Nederduitschland is toegeschreven ende behandigt), gelijck oock in de Catechismus" (Wezel 11-8).

De cursivering is niet van mij, doch is in dit handschrift aangebracht. Die Catechismus zou voor de Walen de Catechismus van Genève zijn, voor de "Duytsche Kercken de Heydelbergsche: doch wy laten dit in de vryheit derzelve tot de eerste aenstaende Synode" (Wezel 111-2).

Tot mogelijke ketterij van een predikant rekent Wezel: het zich meer dan billijk is vermaken in vreemde en curieuze vragen en ledige spektilaties; het naarstiger dan betaamt lezen van ketterse boeken; het nawandelen en ten voorbeeld noemen van mensen met vreemde gevoelens "ende haere droomen toegevende" (denk aan het apokalyptisdh doperdom, Joris en Niclaes).

 

De synode van Emden eist ondertekening (art. 2): "Om die eendrachtigheid in de Leere tusschen de Nederlandsche Kercken te bewyzen, heeft het den Broederen goetgedocht de belydinge des geloofs der Nederlandsche Kercken te onderschryven" en de Franse Confessie om reden van verbondenheid en enigheid met de Franse Kerken tevens te ondertekenen, met vertrouwen dat omgekeerd de dienaars van de Franse Kerken ook de Nederlandse Geloofsbelijdenis zouden onderschrijven. Dat laatste is wel via Datheen en Taffin in Frankrijk gevraagd, maar niet geschied.

Voor de Heidelberger stelt Emden geen dwang, maar men behoort die te gebruiken (usus; art. 5 K.O.). Waar echter een "andere forme van Catechismus (den Woorde Gods gelykformich zynde)" gebruikt wordt, zal men niet aandringen op verandering.

F. S. Knipscheer wijst er in zijn boek De invoering en de waardering der Gereformeerde belijdenisschriften in Nederland vóór 1618 herhaaldelijk op, welk een onkunde er was aangaande de belijdenis. Het kwam bij predikanten voor, dat zij eerst uitleg behoefden, wanneer hun gevraagd werd de confessie te ondertekenen. In dit licht en tegen deze achtergrond 'zullen wij het allereerste artikel van de provinciale synode te Dordrecht 1574 - een provinciale synode met nationale betekenis - moeten lezen: "Word voor goet aengesien, dat in iedere Consistorie ofte Kerkenraet, ende Classe, een Copye van de Belydinghe des Gheloofs der Nederlantsche Kercken ende Articulen bewaert worde, soo wel van de Articulen des Embdischen Synodi, als die nu besloten zyn", waar uiteraard een tekst van de Belijdenis zo niet van de Catechismus bij inbegrepen was. Overigens zien wij hier W. Niesels mening bevestigd, dat de Kerkorden een confessionele inslag en betekenis hadden. Dan vervolgt de orde van Dordt 1574 met art. 2: "De Broeders hebben besloten, dat men eenderley Catechismus in allen onsen Kercken houden sal. Welcke Catechismus sal wesen de Heydelbergsche, tot dat in Synodo generali anders besloten word."

Tot het onderzoek van predikanten rekent de Kerk (art. 14) ,,de Confessie ende Articulen doen onderschryven". Knipscheer beijvert zich op blz. 64 van voornoemd boek duidelijk te maken dat de bedoeling van een en ander is samenbundeling van alle partijen, zowel die van Caspar van der Heyden als die van Jan Arentsz. tot één Kerk. Dat zal zeker ook een, zo niet de bedoeling zijn geweest. Van Emden tot Dordt 1618 was men binnen de gereformeerde gezindte oecumenisch, en wellicht ook daarbuiten voorzover het Lutheranen, Zwinglianen en Philippisten gold. Ook dat heeft Knipselheer in de eerste vijfentwintig bladzijden van zijn werk duidelijk uit de doeken gedaan Maar dat dit argument tevens een samengaan van "rekkelijken" en "preciesen" inhoudt, zoals hij op blz. 60-62 'suggereert, wens ik te betwijfelen, en wel om de volgende reden. Wanneer in 1576 op gezag van de Staten van Holland en Zeeland Kerkelijke Wetten worden uitgevaardigd door toedoen van een der deelnemers aan het Convent van Wezel, Willem van Zuylen van Nijevelt, waarin prompt 'bovengenoemde ondertekening vervalt en vervangen wordt door een predikantseed met tamelijk zwakke termen als "alle t' geene tegens den wille Godts ende myn ampt niet en sal stryden ... het woord Godts op t' aldersuiverlyckste sal handelen ... alleen ter eeren Godts", dan komt daarop een duidelijk afwijzend antwoord van de Kerk op de nationale synode van Dordrecht 1578 (art. 53): "Wy achten, om eendrachticheyt in der Leere te betuyghen, dat men in allen Kercken der Nederlanden de belijdenis des geloofs in 37 artikelen, in dit jaer 1578 herdruckt, en den Koning Philippo over veel jaren overgelevert, onderschryven sal, ende gelijk dit van den Dienaren des Woorts ende Professoren der Theologie ,gedaen sal worden, soo waert het goet, dat het-, selve oock van den Onderlinge geschiede." Dat bij de bevestiging der dienaren vragen uit 1574 gebruikt worden, waarin geen sprake is van Confessie of Catechismus (Knipscheer, blz. 67), is na deze ondertekening via de classes geen argument voor het veronderstellen van latitudinarisme.

Op de provinciale synode van Dordrecht 1574 verzocht de classis Walcheren, de voor te leggen en te ondertekenen tekst van de Nederlandse Geloofsbelijdenis "de Fransche editie van D°. Beza, laestmael uuytgegaen, ghelycformich" te maken, maar de synode besloot te wachten ,,tot op den Synodum generalem".

In 1580, op de synode te Antwerpen, was de Franse editie t.b.v. ,de Walen al in een herzien handschrift aanwezig, in 1581 kreeg Daniël de Dieu van de nationale synode te Middelburg de opdracht om de belijdenis van De Bres opnieuw uit het Frans te vertalen. Dat werk kreeg na veel moeite in 1583 zijn beslag. Genoemd voorstel van de classis Walcheren duidt m.i. opnieuw op de Gereformeerde oecumene, zoals die te Emden bedoeld was (vgl. Knipscheer blz. 67 met 69), temeer omdat een Geneefs exemplaar en uitgave ten grondslag moest liggen aan een nieuwe vertaling in het Nederlands. Inmiddels eiste de synode van Middelburg in art. 37, dat de dienaren des Woords, ouderlingen, professoren in de theologie ("twelck ,oock den anderen Professoren wel betaemt") en schoolmeesters de Nederlandse Geloofsbelijdenis zullen ondertekenen. Knipscheer is van mening dat, gezien de woorden "sullen ... onderteyckenen", men met deze eis wilde wachten tot het ogenblik wanneer de herziene tekst zou verschenen zijn. Eerder moeten wij bij dit "sullen" denken aan het Duitse sollen: het geldt de plicht tot onderschrijving van dit geloofscompendium!

Op de nationale synode van 's-Gravenhage 1586 werd ook niet - zoals Naber en Knipscheer vermoeden - een Leicesterse dwang tot ondertekening der confessie ingevoerd, die na het vertrek van de Engelse gezant Leicester mèt de "Leicesterse" kerkorde zou zijn opzij gelegd; integendeel, beide bleven van kracht en blijken hun plaats ingenomen te hebben in het cumulatieve Gereformeerde kerkrecht. Zodat wij die dwang uit de Haagse K.O. art. 47 in letterlijk dezelfde bewoordingen terugvinden in art. 53 van de Dordtse K.O. 1618/19. Veel gegevens uit classicale archieven zouden hierbij te noemen zijn.

Dat cumulatieve ontwaren wij ook, wanneer het gaat om ondertekening van de Catechismus. Pas rond 1610 komt dit gebruik in zwang; in Zeeland werd aan de schoolmeesters de keus gelaten, of zij de Geloofsbelijdenis dan wel de Catechismus wilden ondertekenen. Hetzelfde wordt in 1618 terzake van de schoolmeesters bepaald (art. 54): "Insgelycks sullen oock de Schoolmeesters gehouden zyn: de Artykelen als boven (bedoeld de 37 - CAT) ofte in de plaetse van dien den Christelyken Catechismum te onderteekenen."

Nu is er me dunkt genoeg materiaal verzameld om op enkele principiële vragen in te gaan. Heeft de Dordtse synode met de woorden "revisabel ende reformabel" t.o.v. de belijdenis 1) bedoeld, dat die belijdenis van synode tot synode ter revisie zou liggen, afgezien van de mogelijkheid tot indiening van gravamina?

Terecht schrijft Knipscheer ergens dat men de beslissing over de herziene en te 'ondertekenen tekst van de belijdenis opschoof naar een nationale synode. Maar het is niet juist, wanneer men meent dat opzettelijk de Nederlandse Geloofsbelijdenis, die men ondertekende, openstond op elke synodevergadering voor revisie. Ik voor mij houd het ervoor dat de twee woorden eerder op de tekst en tekstuitgave zien, dan dat zij een gedurige inhoudelijke censuur niet alleen mogelijk maken, doch veronderstellen. Daar is na 1583, toen dan de bijgewerkte en herziene uitgave bij Canin (Kaen) in Dordrecht uitkwam, zowel te 's-Gravenhage in 1586 als te Dordrecht in 1618/19 geen sprake van.

Allereerst is er na de Dordtse synode nooit zo'n generale of zelfs nationale meer geweest, en het naschrift van de Dordtse leerregels noemt met zekere klem: "Daarna vermaant deze synode ook ernstig de lasteraars, dat zij toezien, welk zwaar oordeel Gods zij op zich laden, die tegen zoveel Kerken en zoveler Kerken belijdenissen vals getuigenis spreken ..."

Ten tweede wijzen de te Dordt opgestelde ondertekeningsformulieren 2) in een andere richting. Toen op 14 mei 1619 des namiddags, volgens de Postacta, als gravamen werd ingediend ,,het instellen van een bequaem Formulier van onderteyckeninge der Belydenisse, ende des Catechismi, voortaen te doen van alle, die 'in Kerkelycke bedieninge zyn", resulteerde dit in meer dan waarom gevraagd werd, n.l. in een "accuraat formulier" waarmee niet alleen Belijdenis en Catechismus, doch ook "de verklaringe des Synodi Nationalis over de vyf Remonstrantsche Articulen" wordt ondertekend "om haer regtsinnigheyt klaerlik te betuygen, en sommige verkeerde uytvlugten omtrent de onderteykeninge voor te komen". Aan die uitvluchten worden dan nog 16 mei 1619 de minder vriendelijke woorden toegevoegd: ,,daermede sy de Kerken plegen te bedriegen". Hier valt het argument van eenheid van alle partijen weg om plaats te maken voor de bij Knipscheer (blz. 197) minder geliefde "bindende formule voor de beschrijving van het Christelijk geloofsleven".

Dat inderdaad een verbindtenis werd bedoeld, die daarom ook ál niet te renisabel geweest zal zijn, behalve op het punt van vertaling en uitgave, bewijzen de drie formulieren, die op 18 mei voor predikanten, en rectors met schoolmeesters, op 25 mei voor professoren in de theologie met regenten en subregenten van collegia als het Statencollege zijn uitgevaardigd.

Ook de eventueel te eisen "nader verklaringe van ons gevoelen over eenigen Artykel deser belydenis, des Catechismi, of verklaringe des Synodi Nationalis", die in geval van hoogleraren en regenten door de synode, ingeval van predikanten door kerkeraad, classis of synode afgenomen wordt, laat geen ruimte tot andere inhoud der voornoemde geschriften, maar wel voor de exegese van bepaalde zaken - men denke aan het infra- en supralapsarisme. De regel des geloofs heeft zogoed als de Schrift een scopus ecclesiasticus, een kerkelijke zin, een kerkelijke normering en speelruimte wat betreft de interpretatie.

Ik schreef over een cumulatief kerkrecht. Ook de bepalingen rond ondertekening der belijdenis worden hierdoor gekenmerkt. Wezel kende geen ondertekening, Emden wel. Dordrecht 1578 acht het goed dat alle hoogleraren en ook de ouderlingen de Nederlandse Geloofsbelijdenis ondertekenen, Middelburg eist dit. 's. Gravenhage voegt er de bepaling ingeval van "refusie" (weigering) aan toe, Dordrecht 1618/19 neemt zulks over en maakt formulieren klaar, waarin de drie formulieren van enigheid zijn opgenomen en moeten worden ondertekend. Zeker, een cumulatief kerkrecht, doch materiële uitbreiding van de belijdenis heeft men niet bedoeld. Zo moeten wij ook de toevoeging van de Catechismus en de Dordtse Leerregels niet zien als een inhoudelijk "meer" dan tevoren. Aanleiding hiertoe is geweest, mede althans, het merkwaardige feit dat 21 december 1618 de Remonstrant Henricus Leo in de synode verklaarde, geen bezwaren tegen de Nederlandse Geloofsbelijdenis te hebben. En iets later de Remonstranten Ryckewaert en Vezeling: geen bezwaren tegen de Catechismus. Begrijpelijk dat de Canones toegevoegd werden om elk bedrog of misverstand te vermijden. Doch niet om daarmee nu meer te gaan leren en inhoudelijk meer aan christelijke leer te laten ondertekenen dan tevoren!

Ik wees er reeds op dat een versie als van de Canones, die door een binnen- en een buitenlandse kommissie was geredigeerd, nl door Carleton, Scultetus, Deodatus, Polyander, Walaeus en Trigland, alleen al om het ,gereformeerd-oecumenisch aspekt niet spoedig zou worden herzien. Een ander argument is, dat de Remonstranten wèl aandrongen op omgieting van de hele Nederlandse 'Geloofsbelijdenis. Toen kwam in april 1619 plotseling de eis van Staten-Generaal via de politieke Gekommitteerden ter synode, om in 'deze vergadering de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Catechismus te herzien.

Spoedig werd duidelijk - en H. Kaajan heeft dat in zijn boek over de Groote Synode aangetoond - dat de Staten synodale bekrachtiging van deze geschriften bedoelden. Zij .zouden immers, door deze internationale vergadering bekrachtigd, in aanzien stijgen! Buitenlanders en binnenlanders keurden hen rond 1 mei unaniem goed, en hetzelfde vond na veel discussies plaats rond 6 mei (plechtige afkondiging) met de Canones. Wij moeten van die discussies niet schrikken: zij hebben bijgedragen tot het evenwichtig karakter der Canones. De definitieve tekst hield op deze wijze een gematigde, Augustiniaanse middenweg in tussen supra- en infralapsarisme.

Knipscheer ziet een ontwikkeling van Wezel tot Dordt 1618/19. Het komt z.i. hierop neer, dat de voorstanders van ondertekening der Geloofsbelijdenis rond 1568 daarin geen gevaar zagen voor de vrije ontwikkeling en vorming der geloofsmeningen, terwijl ditzelfde feit van ondertekening zulke ontwikkeling rond 1618 juist onmogelijk heeft gemaakt. Ook meent hij, dat de belijdenis eigenlijk de Kerk opgelegd is. Mijn vraag is: hoe moest het anders in een Kerk die van de grond af werd opgebouwd, en bij zoveel onkunde, zelfs onder de ambtsdragers? Wat er ook van waar zij: ik acht van belang dat de leertraditie der Kerk èn het gereformeerd-oekumenisch aspect de grens van het belijden bepaalden en de ondertekening ons doen zien als een blijk van ingevoegd-zijn en opgenomen-zijn in de leertraditie. Dat is heel wat positiever dan een afsnoering en inperking.

Wordt vandaag de dag gevraagd, of de belijdenis ter zake van Israël, de eschatologie, de pneumatologie niet op de helling moet en of er geen artikelen aan de Nederlandse Geloofsbelijdenis moeten worden toegevoegd, dan vergete men niet dat een nationale consensus nauwelijks 'haalbaar is, een internationale als bij de Wereldraad niet verder komt dan het belijden van Jezus Christus als God en Heere, en dat er voetangels en klemmen zijn op deze weg.

Het kan de bedoeling van de Kerk niet zijn om het in termen van gericht en genade, verkiezing en verwerping gestelde artikel 37 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis om te vormen of uit te bouwen tot een complete eschatologie. Het kan evenmin de bedoeling zijn om meer te geven aan pneumatologie dan in de artikelen 5, 11 en 24 qua compendium aan lijnen gegeven is.

Een belijdenis is geen handboek van dogmatiek, maar de hoofdmomenten moeten vastliggen. Met Israël is het een andere zaak. Hoewel het voor de geschiedenis van het Nederlandse Calvinisme troostvol is, dat verdreven Joden herademden in het vrije Amsterdam en die stad de erenaam Mokum (makoom, de plaats) gaven, is het Joodse volk niet of nauwelijks opgenomen in de theologie van de Gouden Eeuw.

Niet alleen hebben wij voorbeelden in aanmerking te nemen als dat van ds. Costerus van Hoge- en Lage Zwaluwe, van wie R. B. Evenhuis in zijn boek Ook dat was Amsterdam II, blz. 170-171 vermeldt hoe hij in zijn werk Historie der Joden en ook de facto protesteerde tegen de bouw van een synagoge in Amsterdam en de kerkenraad van die stad op zijn hand kreeg - Costerus was een aanzienlijk man! - maar vooral zullen wij in rekening moeten brengen, dat theologisch het verband tussen de Schriften en het Joodse volk, bijv. bij iemand als Plancius alleen maar als tegenstelling gold.

Verondersteld nu dat iemand of een kerkelijke vergadering daar een gravamen over indient, - bij wie en bij welke synode dan, wil dit gravamen op het niveau van 1618 behandeld zijn? Daar komt nog iets bij. Wie een belijdend artikel over Israël en het Joodse volk wil doen opnemen, verkeert - zoals u zien kunt in Fundamenten en Perspectieven van belijden - ogenblikkelijk in de omgeving van de theologische verantwoording der geschiedenis. Moet ook daarover een artikel aan de Geloofsbelijdenis toegevoegd worden ? Dan zal er unanimiteit moeten zijn of komen over termen als "Kerk" en "wereld", die nu nog in verschillend spraakgebruik misverstanden veroorzaken.

Laten wij tevens niet vergeten - en het moge ons oordeel over de kerkelijke geschiedenis tussen 1568 en 1619 milder maken - dat het Convent van Wezel niet milder in zijn uitspraken was, omdat het "rekkelijker" was, en dat Dordrecht 1618/19 niet omlijnder was, omdat de synode "precieser" was. Dezelfde of nog grotere inspraak dan te Wezel van de kant van de overheid is er te Dordrecht via commissarissen- politiek. Maar ook die verschuiving van "eendrachticheyt" tot "onderteykeninge" hangt samen met het cumulatieve kerkrecht. De Gereformeerde Kerk wás in 1568 niet die qua organisatie geconsolideerde grootheid, die zij in 1618 is geworden. Zien wij dit in, dan ontdekken wij tevens, dat de veelvuldige gereformeerd-oekumenische kontakten, waar Wezel blijk van gaf, ook in Dordrecht alleen al in de "synode van buitenlanders" leefde.

De formulieren van enigheid liggen er. De mogelijkheid tot het indienen van gravamina is gebleven, doch een constante mogelijkheid van revisie wordt tegengewerkt, doordat de Gereformeerde Kerk van 1568 tot 1619 een kerkrecht had met belijdende inslag en een belijdenis met kerkrechtelijke kanten. En het is niet in te zien dat dit vandaag de dag anders zou zijn; men denke aan de Kerkorde in enger verband en de ordinanties.

1) Zie J. N. Bakhuizen van den Brink, De tekst van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, 2 art. in Woord en Dienst 27 juni en 11 juli 1959.

2) Wij onderschreven Bedienaren des Goddelyken Woorts/Rectoren ende Schoolmeesters/Professoren der H(eilige) Theologie ofte wy Regent en Onder-Regent, verklaren opregtelyk en in goeder conscientie, met dese onse onderteekeninge, dat wy van herten gevoelen en gelooven, dat alle de Articulen en stucken der Leere, in de Belydenis en Catechismus der Gereformeerde en Nederlantsche Kerken begrepen, midtsgaders de Verklaringe over eenige Poincten der voorseyde Leere/eenige Articulen der selver Leere, in de Nationale Synodus Anno/in den jare 1619 tot Dor- dregt gedaan, in alles met Gods Woort over een komen ...