Kerknieuws
Gereformeerde Gezindte
Openingspagina
Boekbespreking
Foto's
Persoonlijk
Kerkbodes
Spreuk van de week
Overig
Ware gebeurtenissen
Kerkelijk leven
Jongerenrubriek
Muzikale pagina + agenda
Columns
Links
Uw aandacht voor:
Interviews
Contact
Persoonlijk

Op 9 september 1967 ben ik in Dirksland, op het eiland Goeree Overflakkee geboren als jongste van 3 zonen. Ik hoop dat wat u binnen korte tijd hier kunt lezen tot bemoediging mag zijn voor jongeren en ouderen die tobben over de vraag of zij wel zalig kunnen worden. Verder moeten u en jullie maar niet goed of groot van mij denken, maar wel van Hem Die mij getrokken heeft uit de duisternis der zonde tot Zijn wonderbaar en heerlijk licht. Laat mij maar verdwijnen, als Christus maar mag verschijnen in uw en jouw leven. Calvijn zei het zo: Laat mij maar verteren, als ik maar nuttig mag zijn. En dat is ook mijn wens en bede bij het verder ontwikkelen van deze site, om zo nuttig te zijn op deze wijze aan het verspreiden van het Evangelie van vrije genade. En dat Evangelie laat geen spaan van u en mij heel, maar het brengt telkens weer opnieuw aan de voeten van Hem Die gezegd heeft: Wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen. Het Evangelie doet wat de Wet nooit kan doen. De Wet verbrijzeld alleen maar, maar het Evangelie doet meer: Het richt door de kracht van Christus verbrijzelde zondaren op. Dat het maar in uw en jouw leven gekend mag worden: die 3 stukken (ellende, verlossing en dankbaarheid), die 2 wegen (brede en smalle weg), maar bovenal die Ene Naam onder de hemel tot zaligheid gegeven. Zijn Naam moet eeuwig eer ontvangen. En dan doet mijn naam niet meer mee, al mogen we nooit vergeten dat de Heere mannetjes uit het stof verrezen nog wil gebruiken om Zijn Naam bekend te maken onder de volken, zowel hier in ons land alsmede tot aan het uiterste der aarde. Ik hoop dat de Heere mij bewaren zal voor zelfbedoelen als we Zijn Weg met ons via deze weg met u en jullie willen delen, maar dat het nog mag uitdrijven tot Hem Die Zich ook over zo'n mens als ik ben heeft willen ontfermen. De Heere beware mij er ook voor om deze weg als meetlat aan te leggen bij u en jullie. Want gelukkig zijn het niet alleen goddeloze Manasses die tot bekering komen, maar ook vrome Saulussen. Zult u en jij nooit wanhopen aan de Heere? Want Hij zegt zo in Zijn Woord: Welke wil dat alle mensen zalig worden en tot kennis der waarheid komen. En wat zegt Johannes Polyander bij deze woorden? God wil, maar de mens wil niet!

Deel 1: Na Mara volgt Elim

 

Als u de titel hierboven leest, dan herinnert dat aan de weg die de Heere met het volk Israel ging door de woestijn. Nee, vanuit Egypte ging het niet rechtstreeks naar Kanaän, dat zouden zij en wij wel willen, maar zo is Gods weg met Zijn kinderen niet! Al mag het wel eens zijn dat er in het Mesech der ellende pleisterplaatsen zijn opgericht. Zo moest het volk Israel na de doortocht door de Rode Zee eerst ervaren het bittere water van Mara. Dan moet je zo’n dorst hebben en dan is het na gedronken te hebben niet te drinken: Mara=bitterheid. Maar na het Mara kwam er al snel een Elim waar ze even op adem mochten komen na zoveel bange tegenspoed. Kent u en ken jij ook de bitterheid van Mara al? Zijn we al bekendgemaakt met onze diepe val in Adam? O geliefde lezers, jong en oud, dat is nodig, hoor! Enkele jaren geleden op zondagmiddag zei ds. Visser het in een nabetrachtingsdienst nog dat zonder kennis der ellende er geen sprake kan zijn van verlossing! Deze drie stukken blijven het hele leven nodig! Ook als de Heere u uit de duisternis getrokken heeft tot Zijn wonderbare licht komen er weer tijden van verdorring en verschraling. Geestelijke stilstand is ook achteruitgang. Daarom is het zo’n wonder als de Heere met een mens beginnen mag, maar het is een nog groter wonder als de Heere met Zijn levendgemaakte Kerk verder wil gaan, temeer daar Hij wel weet wie ze zijn en blijven, juist ook na ontvangen genade. Het is nog niet eerder voorgekomen in de jaren dat we kerknieuws mogen schrijven dat ik over persoonlijke zaken geschreven heb. Soms wat zijdelings, maar ik mag het toch niet nalaten om met de dichter te zeggen: Komt, luistert toe, gij Godgezinden, gij die den Heere van harte vreest, hoort wat mij God deed ondervinden en wat Hij gedaan heeft aan mijn geest. Want geliefden, als u iets van genade mag kennen in uw of jouw leven, dan kunnen we er toch niet van zwijgen? En dan loop ik zo menigmaal als een stomme hond over deze aarde totdat de Heere vrijmoedigheid geeft om te spreken. Want het is ook waar dat er veel gepraat wordt, maar weinig gesproken! Wie het vatte, vatte het! Enkele jaren geleden was het voorbereidingsweek in onze eigen gemeente en ik weet niet hoe het mijn mede-Avondmaalgangers onder de lezers vergaat, maar ik breng er niets van terecht! Toch lag er een wonderlijke week achter mij. Ik hoop er in het hiervolgende iets van door te geven met de bede of de Heere het nog ter bemoediging wil doen zijn voor een vermoeide pelgrim die niet meer weet of het ooit nog goed met hem of haar zal komen. Schep dan maar moed uit mijn behoudenis. Al verzucht ik ook menigmaal: Ik vrees nog dat ik alles mis en dat mijn werk geen waarheid is. En het is nog waar ook, want mijn werk doet niet mee. In het werk der bekering zijn er twee die werken: God en ikzelf! De Heere doet er alles aan om zondaren te trekken, maar die zondaar doet er alles aan om tegen te werken. Maar goed, voorbereidingsweek. Niet de eerste die meegemaakt mocht worden. In 1967 geboren mocht ik al vroeg indrukken ontvangen van dood en eeuwigheid. Maar indrukken zijn nog geen afdrukken. Alleszins godsdienstig wat blijkt uit het feit dat ik al op 15-jarige leeftijd vertellen mocht op de zondagsschool. En o, wat was ik trots als de kinderen aan mijn lippen hingen, maar alles gebeurde zonder God werkelijk nodig te hebben. In 1985 deed ik examen op de toen nog zo geheten LEAO in Zierikzee nadat ik het jaar ervoor gezakt was. Toen ik in de hal zat te wachten om de uitslag te ontvangen viel ik Luther bij en riep het uit: Heere, als ik mag slagen dan zal ik in Uw Koninkrijk gaan arbeiden. En de Heere verhoorde mij, ik mocht slagen, maar mijn belofte aan de Heere? Ik had inmiddels werk gevonden in een supermarkt in Stellendam. Plannen werden gemaakt, carrière maken door in de toekomst hard te studeren en later een eigen zaak te openen en dat alles zonder God. Totdat zondag 18 augustus 1985 aanbrak, een zondag om nooit te vergeten. In de avonddienst preekte onze predikant ds. J. van den Born over zondag 10 van de Heidelberger waar het gaat over: In voorspoed dankbaar en in tegenspoed geduldig te zijn en die preek mocht inslaan in mijn hart. Maar o, wat is satan er dan als de kippen bij om verwarring te brengen.
’s Avonds toen ik op bed lag maakte hij mij wijs dat God niet bestaat en dat het alles maar zoethouderij is wat er in de kerk gebeurt. Ik werd benauwd van alle zijden, maar mocht toen de Heere aanroepen en vroeg in mijn onwetendheid om een teken van Zijn Goddelijke almacht. En de Heere verhoorde metterdaad door te laten zien dat ik die week in het ziekenhuis zou bekennen dat de HEERE God is! Dinsdag 20 augustus 1985 had ik een vrije dag en zou naar Middelharnis gaan om iets op te halen. De bromfiets gepakt en tussen Nieuwe Tonge en Middelharnis werd ik door een overstekende automobilist geschept en vloog over de auto de sloot in. Daar kwam heel mijn korte leven in snel tempo terug. Bijna 18 jaar lang geleefd zonder een God voor mijn hart en zonder Borg voor mijn schuld. Daar mocht zonde zonde en schuld schuld worden en konden we niet anders dan God God laten, wat er ook zou gebeuren. We kwamen in het ziekenhuis terecht met een gebroken bovenbeen en een verbrijzelde knie en later bleek dat vanaf mijn knie tot en met mijn voet de spieren en zenuwen verlamd waren geraakt. Waarschijnlijk door de klap ten gevolge van het ongeval. Maar in het ziekenhuis mocht  Psalm 130 waarheid worden dat vanuit de diepte er een roep naar omhoog geboren werd. Zo Gij in het recht wilt treden o Heere en gadeslaan mijn ongerechtigheden, ach, wie zal dan bestaan? En dan zag ik echt niet gelijk dat er vergeving bij de Heere te verkrijgen was. En toch vers 3: Ik blijf den Heere verwachten. Terwijl ik in het ziekenhuis gebracht werd en dit voor mezelf hield ontving ik de volgende dag bezoek van onze predikant, wijlen ds. J. van den Born en hij gaf me een klein tegeltje met deze woorden: Ik blijf den Heere verwachten. U kunt begrijpen dat deze Psalm mij altijd dierbaar gebleven is, zeker ook het 8e vers is menigmaal in mijn leven waarheid gebleken:
Ik zal u onderwijzen en u leren van den weg die gij gaan zult;
Ik zal raad geven,
Mijn oog zal op u zijn.
Bij beslissingen op kruispunten in mijn leven heeft de Heere menigmaal de waarheid van deze woorden willen bevestigen. Toen in die eerste tijd der liefde er bediening was van het Heilig Avondmaal heb ik menigmaal in de bank mogen smaken en proeven dat de Heere goed is en dat voor zo eentje als ik ben! Een lange periode van revalidatie volgde waarin we zo de nabijheid van de Heere mochten ervaren dat Hij met zo’n vijand als ik ben nog te maken wilde hebben. Ik snood rebel, die niets verdien dan hel, mocht nog in het heden der genade verkeren. Al waren er vaak ogenblikken dat het allemaal lichamelijk teveel werd. Temeer omdat het ene ziekenhuis na het andere bezocht moest worden en we tenslotte uit de mond van de artsen te horen kregen dat we binnen niet al te lange tijd in een rolstoel terecht zouden komen, want iets wat verlamd is komt nooit meer goed. Daar gaat je carrièreplanning! Om maar te zwijgen over alle bezoeken aan Arbodiensten enzovoort! Zie ook wat onder de rubriek: Intervieuw geschreven is! De mens wikt, maar God beschikt. Daarom jonge vrienden, verwaarloos je talenten die je van de Heere ontvangen hebt niet, maar denk er wel goed om dat het in dit leven om meer gaat dan vooruit komen. Want je hebt maar ene ziel en die is toch te kostbaar om verloren te laten gaan? Omdat we toch niet doelloos thuis wilden zitten heb ik in een paar maanden tijd een schriftelijke Bijbelcursus met goed gevolg af mogen leggen om daarna mij in te schrijven aan de Rijksuniversiteit van Utrecht. Ik zal u de details onthouden, maar de Heere brak de studie voor predikant op een gevoelige wijze af. De periode 1987-1989 hebben we theologie gestudeerd, maar in oktober moest ik door toenemende knieklachten, weer geopereerd worden, zodat deze studie moest afgebroken worden. Toch wilde de Heere ons door afbraak heen meer en meer onderwijs schenken. Inmiddels mocht ik werk vinden in een verpleeghuis waar we vanaf 1990 – 1997 onze arbeid mochten verrichten. In 1994, we hadden net verkering, moest ik weer een operatie ondergaan. In 1995, net voor ons trouwen, mocht ik voor de eerste maal ten dis geleid worden in de gemeente Montfoort waar mijn vrouw vandaan komt. Ds. M. van Kooten bediende het Woord n.a.v. Hooglied: Zijn linkerhand zij onder mijn hoofd en Zijn rechterhand omhelze mij. De nodiging ging uit en de woorden klonken: De Meester is daar en Hij roept u. Tot driemaal klonk de nodiging en de derde keer klonk het: De Meester is daar en Hij roept goddelozen. O, toen mocht ik proeven en smaken dat niet alleen anderen maar ook mij volkomen vergeving geschonken werd en dat enkel om de verdienste van Christus wil, zoals in Zondag 7 van de Heidelberger kernachtig verwoord wordt! Maar toen in de dankzeggingsdienst de naam Judas klonk werd het heftig bestreden. En kan het nu ook nog voor huichelaars? Enkele zondagen na ons trouwen was er voorbereiding op het Heilig Avondmaal in Nieuwe Tonge en preekte ds. A. Belder over de geschiedenis die in Johannes 11 beschreven staat. De opwekking van Lazarus waar deze woorden de tekst vormden: De Meester is daar en Hij roept u. U zult begrijpen dat zaken weer opnieuw beleefd mochten worden. Zeker toen op de daarop volgende Avondmaalszondag, die in de week van Hemelvaartsdag viel, ik als een Simeon mocht uitroepen: Nu laat Gij Heere Uw dienstknecht maar heengaan in vrede, want mijn ogen hebben Uw Zaligmaker gezien! Maar het oude volk zei vroeger: Zo genoten en zo weer toegesloten en inderdaad zijn het maar ogenblikken dat de ziel wel eens versmolten mag worden door Zijn liefde. Maar het blijft hier altijd weer de strijd tussen oude en nieuwe mens. Paulus zei het toch niet voor niets dat het vlees zich der wet Gods nooit onderwerpt? Dan maar zondigen opdat de genade te meerder worde? Dat zij verre; juist te meer de strijd aangaan. En wij hebben de strijd te voeren tegen die driekoppige vijand: de duivel, de wereld en ons boze en verdorven hart. Maar o wat een wonder dat we die strijd nooit in eigen kracht hoeven te strijden, we zouden bij voorbaat al onder liggen, maar Zijn kracht wordt nu in onze zwakheid volbracht. In 1997 kwam ik volledig thuis te zitten door toenemende knieproblemen, t.g.v. waarvan ik in 1999 weer geopereerd ben. Na lang gevochten te hebben om overeind te blijven ben ik in 2001 compleet ingestort. Ik kon Jakob zo goed begrijpen toen hij het zei: Al deze dingen zijn tegen mij. Want als het vlees gekruisigd wordt komt alles van mij en van u er tegenop,hoor! Maar al gingen Gods golven en baren hoog en moest ik zinken, toch hoefde ik niet te verdrinken want de Heere ondersteunde mij ook toen in het leed dat mij genaakte. Een jaar later, oktober 2002, zijn we verhuisd naar Papendrecht, maar de gang naar het Avondmaal kon ik niet maken om allerlei oorzaken. Maar nu het wonder dat de HEERE nooit het werk van Zijn handen loslaat. Al heb ik het duizendmaal en meer verzondigd en het waardig gemaakt dat de Heere nooit meer naar mij om zou zien, Hij denkt altijd weer aan Zijn genade. Dwars door alle tegenstand van mij en van u heen. Eind november 2007mochten we gedenken hoe de Heere ons 12,5 jaar in de band van het huwelijk verbonden had. En laat de zondag ervoor er nu weer voorbereiding gehouden worden met de woorden uit Johannes 11!  En de Heere wrocht mede en als een Mefiboseth mocht ik ten dis geleid worden. Wat is Uw knecht, Heere, dat Gij omgezien hebt naar een dode hond als ik ben? Altijd maar weer jezelf zien in het licht van Gods Woord en er steeds weer en meer achter te komen dat er in mij, dat is in mijn vlees, geen goed woont. En weet u, ik wil altijd nog een beetje meetellen in het leven, he! Hetzij in de maatschappij of in het kerkelijke, maar om er nu gans en al tussen uit te vallen. En nu was het enkele maanden later weer voorbereiding en preekte ds. Visser over Jeremia 18: ziet, gelijk leem in de hand des pottenbakkers, alzo zijt gijlieden in Mijn hand, o huis Israëls! O geliefden, het kon die week voor iedereen in Papendrecht, maar niet meer voor mij. Want was en ben ik beter dan de inwoners van Israel? Duizendmaal verzondigd en verbeurd. Maar de Heere wrocht mede. Op een avond las ik het Eilanden Nieuws en vond daar een brief van Th. Van der Groe (die ik straks aan u hoop door te geven). Welke overwegingen en overdenkingen ik de laatste tijd had, stond daar zo maar, nee niet zomaar!, neergeschreven! Maar eer het zondag was, was alles kwijt en was het van binnen: Magor-Missabib= schrik van rondom. Zondagmorgen was de Schriftlezing uit Jeremia 19 en 20 waar o.a. geschreven staat dat toen Jeremia, nadat hij door Pashur in de gevangenis geworpen was maar de andere dag weer vrijgelaten was, Pashur de naam gaf: Magor-Missabib. En dan moet je jezelf als zo’n schrik van rondom zien. Nee, onmogelijk voor zo eentje! HEERE! Gij hebt mij overreed en ik ben overreed geworden; Gij zijt mij te sterk geweest, en hebt overmocht. O dan kan het ook nog voor dezulken! Maar nadat de eerste nodiging uitging bleef ik zitten, want het kon toch niet. Vrees niet, want Ik ben met u!, zo mocht het klinken en weer leidde de Heere mij in een wonderlijke gang van omkomen met alles wat geweest is aan Zijn tafel. Omkomen met jezelf om te ontkomen in Die geliefde Bruidegom Die Zich heeft doodgeliefd voor doodschuldige zwarte bruiden! Dan zijn woorden te kort om dat wonder uit te wonderen dat de Heere zo laag wil afdalen. Niet hebbende mijn rechtvaardigheid die uit de wet is, maar die door het geloof van Jezus Christus is, die woorden mocht ik overdenken aan Zijn heilige dis. O geliefde lezers, jong en oud, waarom ik dit neer moest schrijven weet ik niet, maar de Heere geve dat het voor u en jou nog tot eeuwige zegen mag zijn. Denk niet groot van mij, maar wel van mijn Koning. Want volk des Heeren, wij hebben een Profeet, wij hebben een Priester, wij hebben een Koning. Een Profeet Die ons wil leren hoe wij wandelen moeten, een Priester Die van Zijn eigen bloed medicijn gemaakt heeft om zondaren zalig te maken en een Koning Die het voor het zeggen heeft in mijn leven! Echt, de zaligheid ligt voor eeuwig vast, hoor! Nee, niet bij mij en ik kan het ook niet vast houden. Na een tijd van geestelijke genietingen zei ik het eens tegen iemand: ik zou het wel vast willen houden. Die persoon antwoordde mij heel kernachtig: Gelukkig hoef jij het niet vast te houden, als het maar mag wezen dat je weet vastgehouden te worden door een Ander! En inderdaad, als dat niet zo zou zijn dan was het nog reddeloos verloren. Om nu zo gezegend te worden en voor anderen tot zegen te zijn. Dan verdwijn ik en verschijnt Hij. Ik realiseer me dat ik me door dit alles aan het papier toe te vertrouwen redelijk kwetsbaar opstel, zeker omdat dit de eerste keer is om iets dergelijks met meerderen te delen, maar spreek de wens uit dat de Heere het nog wil gebruiken voor deze of gene. Mochten er vragen leven bij u of bij jou, schroom niet om ze mij te stellen.
  

 

Deel 2: Deze ziekte is niet tot de dood!

Tussen hetgeen hierboven is vermeld en wat nu volgen mag ligt weer in enige tijd.
In het verleden mocht ik u al het nodige vertellen en nu we weer al 7 jaar in Papendrecht mogen wonen heeft de Heere Zelf ons hier een plaats gegeven om te wonen, te werken en te kerken. Maar het was de laatste jaren zo ingezonken, zo dor en doods. En dat is altijd eigen schuld, hoor! Ik kon de Heere zo aan Zijn plaats laten. Het zij tot schande opgemerkt! Maar dan dat nochtans des geloofs, dat de Heere Zich nog met zo’n grote zondaar wil inlaten. Enkel genade van Zijn kant. De laatste jaren was ik lichamelijk niet precies zoals ik behoor te zijn. Moe, lusteloos enzovoort. Maar toch niet naar de huisarts gaan. Mijn vader heeft al jaren de ziekte van Crohn en ik moest ook veel naar het toilet en op een gegeven ogenblik hoorde ik van mijn moeder dat een nichtje van vaders kant een preventief onderzoek zou ondergaan n.a.v. de ziekte van Crohn, omdat haar moeder daar ook al jaren last van heeft. Het zit dus echt in de familie. Dus ik ook in juni 2009 een afspraak gemaakt bij de huisarts. Na mijn klachten verteld te hebben verwees ze mij gelijk door naar de specialist in het ziekenhuis. Ik kon mijn voorkeur aangeven en dat werd het Erasmus in Rotterdam. Maar daar kon ik pas eind augustus terecht, dus heb ik via de huisarts gedaan gekregen dat ik een afspraak kon maken in het Albert Schweitzerziekenhuis in Dordrecht waar ik begin augustus al terecht kon. Al heb ik de afspraak in Rotterdam wel laten staan. Toen begon het ziekenhuisbezoek pas echt. Want in Dordrecht werd na het eerste bezoek al duidelijk dat het geen ziekte van Crohn was, maar er zouden onderzoeken gedaan worden naar ontlasting, bloed afgenomen en ik zou een Echo moeten laten maken. Na het maken van de Echo bleken mijn darmen schoon te zijn, maar er zaten wel galstenen. Maar goed, daar had ik, dacht ik, geen last van. Donderdag daaropvolgend was ik bezig met een zware vracht post weg te werken (ik werk vanaf januari 2004 als postbode bij Select Mail). En toen kreeg ik me daar toch een pijn. Vrijdag nog wel gewerkt bij Adullam, waar ik sinds november 2008 voor 21,5 uur als huishoudelijk medewerker mag werken. Zondag was het bij ons bediening van het Heilig Avondmaal. Het was donker van binnen, veel onzekerheid wat betreft het lichamelijke en ik kon niet anders dan zuchten of de Heere nog genadig wilde zijn. Ds. Tj. De Jong uit Staphorst mocht het Woord bedienen vanuit Openbaring 3 : 20: Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. Laodicéa was een gemeente waar ik me ‘thuis’ voelde. En toch, ondanks de lauwheid klonk Gods stem: Ik sta aan de deur. Ik wil binnengelaten worden en Ik wil avondmaal met u houden. Heere, ook met mij? O, wat zou dat een wonder zijn. De nodiging mocht uitgaan en de dominee wees zo op Mefiboseth die genodigd werd om de maaltijd bij koning David te gebruiken. Hij was kreupel aan beide voeten, maar zei de dominee, onder de tafel zag je zijn voeten niet. Daar mocht zoveel kracht van uitgaan en de Heere schonk zoveel geloof dat Hij me ten dis wilde leiden. Dat wonder dat Hij nog met kreupelen van doen wil hebben, het mocht bewonderd worden aan Zijn heilige dis! Maar het leven gaat weer verder en dan is er weer zo snel die teruggang. Je bent zoveel met het lichamelijke bezig. Die zondagmiddag/avond werd de pijn bij mij zo hevig dat we samen nog naar Dordrecht gegaan zijn om zetpillen te halen, die echter niet hielpen. De volgende dag me ziek gemeld en donderdag erop zouden we de uitslagen halen in het ziekenhuis. De arts zei dat ik in ieder geval geen Crohn heb, alleen zijn er galstenen gevonden. Toen ik zei dat ik daar vanaf vorige week zo’n last van heb, zei hij verwonderd: Nou, ook vreemd, je hoort dat je galstenen hebt en je hebt er last van! Ik zei: Ja dokter, het is vreemd, maar waar! Nu ja, dan ga je maar naar de chirurg om je galblaas + galstenen weg te halen. Is de pijn dan over, dan is het daarvan geweest, en anders moeten we verder zoeken. Zo kon ik gaan. Gelukkig had ik de afspraak in Rotterdam nog laten staan en die afspraak was zelfs weer al verzet naar 11 september, maar ik kon toch 8 september al terecht. En daar begon weer het hele traject van onderzoeken. Begonnen werd met een bloedafname/urineonderzoek/Echo en tenslotte een inwendig darmonderzoek. Vrijdag 16 oktober zou ik de uitslag ophalen en daar bleek dus dat ik PDS heb, een Prikkelbare Darm Syndroom + galstenen. Maar men zou eerst m.b.v. vezels en medicijnen het darmprobleem aanpakken. En warempel, had ik eerst elke week wel diarree, nu bleef het ineens drie weken weg en gaat het wat dat betreft stukken beter. Maar tijdens het werk bleef ik pijn houden. Ik werkte i.p.v. 21,5 uur bij Adullam nu maar 12 uur en i.p.v. 6 wijken bij de post liep ik er nu maar 4. Dus dat is een aanmerkelijk verschil. Daarom weer naar de huisarts. Zij bleef het ook volhouden dat het wel degelijk de galstenen zijn die in de weg zitten, dus ze stuurde me naar de chirurg in Rotterdam. Maar die vond niets om mij van de galstenen af te helpen, want als je nog zoveel en goed kan eten, heb je daar geen last van. Je bent overbelast, dus die verwees me weer door naar de huisarts en Arbodienst. U begrijpt dat ik ontzettend heen en weer geslingerd werd, maar toch mocht ik enige vertroosting vinden door de stem des Heeren vanuit Zijn Woord Die me zei: Deze krankheid is niet tot den dood, maar ter verheerlijking Gods. Hoe dat zou zijn? Wist ik op dat moment niet, maar na dezen zult gij het verstaan. Het gaf wel enig lucht, maar toch…Dus weer naar de huisarts die me doorverwees naar een GZ-psycholoog die dan naar mijn werkhouding zou kijken. Maar omdat zulks via mijn werk moest gaan zou dat nog wel even duren. Op een dag was de pijn zo erg dat ik bijna niet verder kon. Ik was de post aan het bezorgen en liep krom van de pijn. Dus vrijdag weer naar de huisarts gegaan en heb aangedrongen op nader onderzoek. Zij verwees me weer naar de chirurg, nu in Dordrecht. Daar kon ik de volgende week, 2 december, al terecht. Na uitgebreid onderzoek wilde hij me graag van de pijn afhelpen d.m.v. een galoperatie. D.m.v. een kijkoperatie zouden dan de galblaas en de galstenen verwijderd worden. Hij zette er nogal spoed achter, want ik kon vrijdag 11 december al terecht. Maandag 7 december nog gewerkt en toen de ziektewet ingegaan. Maar innerlijk was het een donkere tijd. Zondag bediening van het Heilig Avondmaal, voor de eerste maal bediend door onze eigen predikant, ds. K. Veldman, die 10 september intrede mocht doen in onze gemeente. Maar de strijd was zo zwaar en mijn plaats moest leeg blijven. Ik moest ook van iedereen af, ook van de dominee.  
Maar wat lezen we in de Bijbel? Er was niemand bij toen Jozef zich aan zijn broeders bekend maakte. Wat een wonder als de Heere een mens eens apart wil nemen en opnieuw wil onderwijzen van de weg die hij te gaan heeft. In Psalm 32 : 8 lezen we het zo mooi: Ik zal u onderwijzen en u leren van den weg die gij gaan zult; Ik zal raad geven, Mijn oog zal op u zijn. Die God Die mij in 1985 stil wilde zetten op de weg van Hem af en mij van de brede weg des verderfs wilde voeren op de smalle weg ten leven is Dezelfde Die mijn voeten ook nu weer wilde zetten op dat spoor achter Hem aan. O geliefde lezers, wat ik u nu wil laten lezen is niet uit profilering van mijn persoontje. Dat late de Heere verre van mij zijn, maar als ik nu zal zwijgen dan zouden de stenen haast gaan spreken. De Psalmdichter mocht er zo van getuigen: Komt luistert toe, gij Godgezinden, Gij Die den Heere van harte vreest, Hoort wat mij God deed ondervinden, wat Hij gedaan heeft aan mijn geest. En daar neemt de Heere wel eens mensen voor apart in onderhandeling en afhandeling. Ik hoop dat er onder mijn lezers nog ouderen en jongeren zijn die deze taal mogen verstaan, niet met het verstand alleen, want het verstand laat na de ware grond van het weldoen op te merken. Maar met hun hart deze zaken mogen bijvallen. Want hoe donker ook en ooit Gods weg moog' wezen Hij ziet in gunst op die Hem vrezen. Niet om iets in die mens, jong of oud, maar alleen om die lieve Borg en Middelaar. O geliefden, ik gun u alleen maar aan Hem. Predikanten en kandidaten onder onze lezers, prijs Hem maar aan in de komende tijd, hoor! Want we hebben te doen met een levende Koning Die in Bethlehem geboren wilde worden. Hij was rijk, maar wilde arm worden om arme zondaren voor eeuwig rijk te maken.  
Dit zou de zesde keer zijn dat ik geopereerd zou worden. In 1985 geholpen aan een linkerbeenbreuk, in 1986 plaat uit been weggehaald, in 1989 1e operatie aan linkerknie (kruisbanden vernieuwd), in 1994 losgeschoten botje linkerknie weg proberen te halen en in 1999 achterste kruisbanden in linkerknie vernieuwd. Maar elke keer is weer anders, juist ook in geestelijke zaken. Ik kon het niet doen met wat de Heere deed ondervinden in de vorige keren. De Heere wil met verse olie overgieten. We eten toch ook geen brood wat beschimmeld is? Maar o, wat zijn we toch in alles van Hem afhankelijk. Donkerder dan ooit te voren. Onlangs mochten we het nog tegen een jonge vriend zeggen: Weet je wanneer het op z'n donkerst is? Tegen het dagen van de morgen! Maar dat is achteraf gesproken, hoor! Geen troost in het Woord kunnen vinden. Ach geliefden, laat ik u daar niet mee vermoeien. Totdat...o Goddelijk totdat. De woensdag voor de operatie schreef ik nog aan iemand dat het de vorige keren zo'n goede tijd mocht zijn maar nu alles zo toegesloten is. Toen verscheen het kerkblad De Vijgeboom met daarin een meditatie van ds. H. Lassche over Jesaja 64 : 1: 'Och, dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt'. Enigszins mocht het donker wat opgeklaard worden. Maar het volle Licht mocht de volgende dag doorbreken toen we een mailtje van een jonge vriend mochten ontvangen. Een onvergetelijk mailtje dat het middel mocht zijn om mij weer aan Zijn voeten te brengen. De hemel mocht scheuren en Hij mocht in de ziel Zijn genadewerk voortzetten. Nee, niet ons, o Heere, niet ons, Uw Naam alleen de eer! Toen mocht ik ook zeker weten dat de operatie goed zou zijn en dat de Heere geen half werk doet. En Hij heeft lichamelijk doorgeholpen, maar geestelijk Zich ook niet onbetuigd gelaten. Zaterdagmiddag net voor het eten pakten we het Kerstnummer van de Gezinsgids en lazen daar de meditatie over dezelfde woorden uit Jesaja 64 : 1. Toen enkele ogenblikken later dezelfde jonge vriend op bezoek mocht komen mochten we ons samen verwonderen over Zijn genadewonderen. De Heere gaf te spreken met elkaar n.a.v. de geschiedenis van Zacharias die na lange tijd weer mocht spreken, nadat hij mocht zeggen: Johannes is zijn naam. Harten mochten ineen vloeien. De Heere wilde het bevestigen toen we zondagmorgen de dienst mochten beluisteren via de kerktelefoon. Onze predikant, ds. Veldman, mocht het Woord rijkelijk bedienen uit Lukas 1: de geschiedenis van Zacharias en Elisabeth. Het was net alsof de dominee zaterdagmiddag in de ziekenzaal getuige was van een gesprek tussen twee vrienden. De Heere bevestigde Zijn Woord d.m.v. Zijn dienaar. Zoals de mond van Zacharias na lange tijd weer geopend mocht worden, wilde Hij deze week ook mijn tong en mond losmaken om Zijn Woord door te geven. De dominee sprak zo tot troost van ongetroosten, ook wat aangaande het kruis van kinderloosheid. En toch mochten we deze week opmerken dat de Heere dan één en andermaal kinderen wil schenken. De Heere heeft ooit beloofd vanuit Jesaja 54: Al uw kinderen zullen van den Heere geleerd zijn en de heerlijkheid uwer kinderen zal groot zijn. Dat het nog tot moed en troost mag zijn voor lezers die in het donker verkeren. Het volk dat in duisternis is gezeten zal een groot licht zien. Het Licht dezer wereld dat reddend verschenen is. Hij heeft banden verbroken, maar ook banden geschonken. O jongeren en ouderen, wroet toch niet zo in de dingen van deze wereld. Want de wereld gaat voorbij en al haar begeerlijkheid, maar die de wil van God doet, blijft in der eeuwigheid. We hebben toch met zo'n wonderdoend God te doen. Hij roept de dingen die niet zijn alsof ze waren. Dat gebeurde al bij de schepping van hemel en aarde, maar zo doet Hij het ook in het werk van de herschepping. Lege vaten wil Hij vervullen met Zichzelf. En daar hoeven we niet oud voor te zijn, hoor! Gedenk aan je Schepper in de dagen van je jeugd, eer dat de kwade dagen komen. En die zijn er eerder dan we voor mogelijk kunnen houden. We weten de dag van onze dood niet. Maar nu is er Eén gekomen om de satan zijn buit te ontnemen. De satan heeft veel macht in wereld en kerk, ook onder de jeugd, maar niet alleen onder hen, maar nu heeft Hij alle macht in hemel en op aarde. Dan is het zo groot om te zien dat de satan wel eens bij een jongere of oudere terrein moet prijsgeven. Dat het gebed bij jullie, jonge vrienden, maar ook bij u als oudere lezers, maar vermenigvuldigd mag worden: Ik word onderdrukt, wees Gij mijn Borg. In een bepaald verband werden we deze week bij de geschiedenis van Hizkia bepaald in de afgelopen week wat we kunnen lezen in Jesaja 38. We geven het maar door opdat het voor deze of gene nog tot zegen mag zijn. Open deze geschiedenis maar, jong en oud, en overdenk het maar met een biddend hart. Iedereen is druk met van alles en nog wat. Even een vraag tussendoor: Heeft u en heb jij wel tijd om te sterven? Of moet u/jij dan zeggen: Heere, ik heb nog geen tijd om voor U te verschijnen. Ik wens u allen één haast van harte toe, dat is de haast waarmee de herders naar Bethlehem gingen. Laat de kudde maar eens voor wat ze is, daar zorgt God wel voor, maar haast u en spoedt u naar de stal. En kniel met de herders bij het Kindeke in de kribbe met de bede in het hart:
Leer mij bij Uw kribbe knielen
Leer mij buigen bij Uw kruis,
Leer mij in Uw Naam geloven
Breng mij eens in het Vaderhuis.
De woningen zijn nog niet vol, geliefde lezers. Hij staat ook vandaag nog voor u en voor jou. Zijn bloed druppelt ook middels deze stamelende woorden nog neer. Veracht dan toch Zijn bloed niet langer! Sta Hem dan toch niet langer tegen met uw ongeloof of met uw godsdienst, maar val Hem nu nog te voet en smeek om vrede voor uw arme, onsterfelijke ziel. Waarom toch weegt gij geld uit voor hetgeen geen brood is en uw arbeid voor hetgeen dat niet verzadigen kan? Hoort aandachtiglijk naar Mij en eet het goede en laat uw ziel in vettigheid zich verlustigen. Hij roept armen en vermoeiden om de toevlucht te nemen tot Hem. Uw schuld kan niet zo groot zijn of er is vergeving te verkrijgen bij Hem. Uw hart kan niet zo zwart zijn van de zonde, of Zijn bloed is genoegzaam om ook uw zonde af te wassen. Het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt van alle zonden. Rijken zendt Hij ledig weg, maar armen worden met goederen vervuld. Nee, niet om iets in of van u of mij, maar enkel om dat vrije van Zijn welbehagen. Gisteravond lazen we nog de geschiedenis van de geboorte van Noach. Lamech zeide: Deze zal ons troosten. Maar die troost geldt toch niet voor mij, zegt misschien wel een jonge lezer, want die geldt toch voor Gods kinderen. En je hebt gelijk. Troost wordt geschonken aan verdrietigen, aan armen en ellendige zondaren. Maar kom, leg je dan toch maar als een ongetrooste aan Zijn voeten neer om van Hem troost te ontvangen. De wereld biedt geen troost hoor, met al haar keten en plezier. Ook de godsdienst, licht of zwaar, buiten Christus niet, hoor! Je wordt zo moe van die doe-het-zelf-godsdienst. Je moet nog zoveel: Ik moet geloven, ik moet Jezus aannemen, ik moet dit en dat. Maar Gods ware volk mag het leren: Moede kom ik arm en naakt, tot de God Die zalig maakt. Die de arme kleedt en voedt, Die de zondaar leven doet. Vlucht dan vandaag nog met al je zonden naar Hem. Want Hij heeft raad voor radelozen, moed voor moedelozen, hoop voor hopelozen. Zijn Naam is immers Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst? En zoals Zijn Naam is, zo is Hij. Deze Borg, geliefde lezers, bekend en onbekend, mag ik u en jou van harte aanprijzen. Zulk Eén is mijn Liefste, ja zulk Eén is mijn vriend. Hoe ziet Hij er dan uit, schrijver? O mijn Liefste is Blank en Rood en Hij draagt de banier boven tienduizend. Hij is Blank, want Hij heeft geen zonde gehad noch gedaan, maar Hij is ook Rood. En dat vanwege het priesterambt van Christus, overmits Hij ons gewassen heeft in zijn bloed, zoals de kanttekeningen zo schoon vertolken. Ja geliefden, alles wat aan Hem is, is gans begeerlijk. Hij is begeerlijk in Zijn Namen. Welk een schone Namen mag Deze wel niet dragen. Heere Jezus Christus. Heere, Kurios, Gebieder. Jezus = Zaligmaker, want Hij zal Zijn volk zalig maken van al hun zonden. Christus = Gezalfde. Van eeuwigheid gezalfd geweest. Niet met een kruik die breekbaar is, maar met een hoorn. Hij is begeerlijk in Zijn staten en naturen. God en Mens in Eén Persoon. In Zijn bitter lijden en sterven ondersteunde Zijn Godheid Zijn mensheid. God van God ontdaan op Golgotha, wie kan dat verstaan? Begeerlijk is Hij in Zijn staten, Zijn staat van vernedering, maar ook Zijn staat van verhoging. O geliefden, kon ik uw en jouw hart gaande maken, ja verliefd maken op deze Gezegende Borg en Middelaar. In de stilte der eeuwigheid klonk die vraag al: Wie zal er met Zijn hart Borg worden om tot Mij te genaken? En toen klonk daar Zijn stem: Zie Ik kom. In de rol des boeks is van Mij geschreven. Vrijwillig gaf Hij Zich over om Zijn ganse kerk zalig te maken. En Zijn kerk bestaat uit Joden en uit heidenen. Bestaat uit jongeren en uit ouderen. Van welk kerkverband u of jij dan ook bent. De Heere heeft maar te spreken in je leven en het is er of te gebieden en het staat er. Eind 2009 mochten we er nog getuige van zijn in verschillende omstandigheden. Ik kan David zo goed begrijpen toen hij het uitriep: Het is goed voor mij verdrukt te zijn geweest, opdat ik Uw inzettingen zou leren. Nee, niet vragen naar naarheid of zwaarheid, maar wel smeken om klaarheid en waarheid in het binnenste. En daarom jong en oud, breek met de wereld, want bij het sterven laat de wereld u en jou in de steek, hoor! Breek met de zonde, want God gedoogt geen enkele zonde. Dan moet schaamte ook mijn aangezicht bedekken, want mijn hart zit boordevol met zonde en ongerechtigheid. Dan zie je dat je ten volle een tweemens bent. Het goede dat ik wil -  zei Paulus en zeggen wij hem dat na?, - doe ik niet, maar het kwade dat ik niet wil, dat doe ik. Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam der zonde en des doods? Maar, o dat geweldige maar des geloofs, ik dank God door Jezus Christus, onze Heere. Kom, wat kennen wij nu allen persoonlijk van deze zaken. Want het zijn zaken, hoor mensen, zaken van eeuwigheidsbelang. Uw kostelijke ziel is er mee gemoeid, hoor! Echt, ik bemerk het gewicht van uw en jouw ziel en daarom klinkt het ook middels deze woorden: Wij dan, wetende de schrik des Heeren, bewegen de mensen, u en jullie dus, tot het geloof. Zo zijn wij dan gezanten van Christus' wege alsof God door ons bade: Wij bidden van Christus' wege: Laat u vandaag nog met God verzoenen. O de eeuwigheid duurt zo lang, mensen en de tijd is maar zo kort. Eeuwigheid zonder einde. En dan eeuwig Hem te moeten vloeken? Misschien hier op aarde nooit geen onvertogen woord gezegd, maar dan niet anders dan....O schrijver, houdt maar op, ik word er moedeloos van. Je moest eens weten wat er allemaal bij mij niet naar buiten komt. Weet ik wel, want we hebben eenzelfde hart, hoor! Maar luister nu nog eens één keer naar het Woord des Heeren: Al waren uw of jouw zonden rood als scharlaken, Ik zal ze maken als witte wol. Je kent toch die woorden wel uit de bekende 68e Psalm: Hij kan en wil en zal in nood zelfs bij het naderen van den dood, volkomen, hoor je het?!, volkomen uitkomst geven! Het is uit de liefde van mijn hart dat ik u en jullie toeroep om dat Ene nodige te zoeken nu het nog kan. Het is nog vindenstijd en zoekenstijd. Zoekt dan de HEERE terwijl Hij te vinden is en roep Hem dan aan terwijl Hij nabij is. Ja, Hij is niet ver weg, hoor! Nabij u is het Woord, in uw mond en in uw hart. Zoek maar in het Woord des Heeren. We hebben van de week meerdere malen mogen opmerken dat er in dat Woord schatten zijn te vinden. Schatten voor ouderen en jongeren. We geven het maar door, opdat u en jij ook zult delven. Schatten zult mogen opdelven uit dat lieve Woord van m'n lieve Koning. Ik ga eindigen, maar de Heere gaat door. Zijn werk gaat ook door. Er moeten er, ook in de Alblasserwaard, in Papendrecht, in Dordrecht, in Genemuiden, in Rijssen, in Staphorst, in Hollandseveld, in Nieuwe Tonge, in Ridderkerk, in Elspeet, en waar u of jij ook vandaan komen. Van Groningen tot Brabant, van Malawi en Spanje, ja waar ook vandaan, er moeten nog schapen toegevoegd worden in de Schaapskooi van Christus. En niet alleen schapen, maar ook nog lammeren. Dan kan het niet meer voor mij, want ik ben een bok. Mag ik je dan tenslotte nog een geheim vertellen? Wat in de natuur nu totaal onmogelijk is, kan in het rijk der genade wel. In de natuur kan een bok geen schaap worden, maar we zeiden het al dat we met een wonderlijk en Almachtig God te doen hebben, Hij kan van een bok wel een schaap maken. Hoewel ze vaak nog last blijven houden van hun bokkennatuur, hoor! U niet? Ik wel, helaas! En maar bokken en mokken op Gods weg. Totdat Hij in het heiligdom inbrengt net als Asaf. Hij mocht het toch zeggen: Hoe donker ook Gods weg moog' wezen, Hij ziet in gunst op die Hem vrezen. En dan blijft het toch waar dat welzalig hij of zij is die al zijn kracht en hulp alleen van die God verwacht.  
Ik wil nu de brief doorgeven van Th. Van der Groe en hoop en bid dat de Heere deze wil zegenen aan ons aller hart!

Zegt u: O, wat moet ik doen? Hoe moet ik geloven? Hoe zal ik dat werk beginnen?, enz. Als een gezant van Christuswege zeg ik: U komt de belofte toe. De Heere Jezus roept u door de stem van Zijn waarachtige Woord. Hij zegt dat u, zo ellendig en arm, zo blind en verhard, zo rampzalig en onmachtig en ongelovig als u bent, geheel en zonder verder uitstel of nadenken tot Hem moet komen, en dat u voor altijd moet afzien van uzelf en van alle schepselen en Hem tot uw almachtige Verlosser aannemen, opdat Hij u van het ongeloof tot het geloof zou brengen, en van de macht van de satan tot God, en opdat Hij u een erfdeel zou geven onder de geheiligden in Zijn Naam. Ach, veracht toch die dierbare en zalige beloften van Christus niet langer door uw ongelovigheid. Denk niet dat u nog niet ellendig genoeg bent voor Christus, niet genoeg gewond en verbroken van hart, maar dat u eerst nog iets anders moet hebben voordat u mag komen. Want ik verzeker u in zijn Naam, en ik beroep mij op Zijn eigen allerwaarachtigste Woord, dat bij ons is en waarnaar Hij de wereld zal oordelen, dat u de vrijheid hebt om gelovig tot Christus te komen, zoals u nu bent, als u maar alleen oprecht alle dingen uit genade van Hem begeert die u zelf mist en waaraan u gebrek hebt. Sta hier toch eens met uw hart bij stil, want dit is werkelijk de grootste en allerbelangrijkste zaak die in de gehele Bijbel is. Ik heb uw brief aandachtig en ook niet zonder emotie en gemoedsbeweging gelezen. U schrijft daarin heel eenvoudig hoe het met uzelf gesteld is. En ik kan geloven dat u bijzonder vatbaar bent voor nare moedeloosheid en voor droevige kwellingen van het ongeloof en van de satan op meer dan één manier. Ja, ik denk dat u daar zelden vrij van bent, ook zelfs niet in uw plichten en werkzaamheden, maar dat er altijd zo’n akelig deksel van duisternis, van ongeloof en van bestrijding op de grond van uw ziel blijft liggen; soms verschuift u het wel eens wat, maar u kunt het onmogelijk helemaal van uw hart afwerpen. Maar ik kan u dit uit de innigste bewustheid van mijn gemoed verzekeren: de Heere Jezus Christus, is de allerdierbaarste, allervriendelijkste en allergoedertierenste Zaligmaker voor arme verlegen zondaren. Hij kan en wil al deze jammerlijke kwalen en ellenden werkelijk genezen, en dat uit enkel vrije genade. Als u dit ook maar kunt en wilt geloven, en als u uzelf maar eens een keer, zo ellendig en rampzalig als u bent, aan Hem oprecht wilt overgeven. O, luister daarom niet langer meer naar één van beiden; maar grijp het heilige Woord eens aan en neem het in uw handen en houdt het, ondanks uw snode vijanden, eens voor het waarachtige Woord van de levendige God, wat het werkelijk is en tot in eeuwigheid zal blijven. Richt er uw hart eens op en roep de Geest van Christus te hulp. In dit Woord zal de eeuwige en waarachtige God u Zelf verzekeren dat (buiten de ene grote zonde tegen de Heilige Geest, waarvoor u door Zijn ontfermende genade nog geheel bewaard bent) alle, alle zonden en ellenden, zonder enig onderscheid, door Zijn Zoon genezen worden, wanneer de arme zondaren maar met waar geloof tot Hem willen komen. Wat kan ik u toch dierbaarder schrijven dan dat de barmhartige en menslievende God, Die geen lust heeft in de dood van een zondaar, u zelfs niet alleen de volkomen vrijheid aanbiedt, maar u ook ernstig vermaant en gebiedt, ja, dat Hij u om zo te zeggen bidt en smeekt om die vrijheid aan te nemen. O, wat een onbegrijpelijk wonder van liefde en genade! Wil dan toch eens besluiten om oprecht gelovig tot Zijn Zoon, onze Heere Jezus Christus te komen, zo ellendig als u bent; omarm Hem toch eens als uw Zaligmaker, omdat er onder Zijn vleugelen nog hulp en genezing voor u is! Zo bid ik u dan nog heden (en ik doe het met een oprecht en bewogen gemoed en zo ernstig als ik maar kan, als een onwaardige gezant van Christuswege) dat gij u nog heden met God wilt laten verzoenen. Laat de grote Heere Jezus toch niet langer tevergeefs aan uw deur roepen en kloppen, waar Hij nog met open armen van uitgebreide liefde en goedertierenheid op u staat te wachten. Voorwaar, al werd deze eenvoudige brief ook tot u gezonden vanuit de hemel zelf, dan zou hij wat dit betreft niet waarachtiger kunnen zijn dan hij nu is. De getrouwe Getuige Gods zal er voor instaan om het op Zijn eigen tijd openbaar te maken en mijn geringe getuigenis met Zijn ‘Amen’ te bevestigen; want ik mag hier ook zeggen dat ik weet in Wie ik geloofd heb. En waarom zou u dan door genade niet ernstig zoeken om deze weg van het geloof eens met uw gehele hart in te slaan? Welke bekommernissen of moeilijkheden kunnen u hier toch hinderen? Al had u er nog meer dan duizend anderen bij, ik zou hen allemaal heel gemakkelijk voor u kunnen oplossen en beantwoorden met de ene barmhartige en almachtige Heere Jezus Christus en met Zijn eigen Woord der belofte, hetwelk in der eeuwigheid onveranderlijk bestaan zal. Bent u nog niet genoeg gewond en verbroken van hart voor Christus? Wegen u de zonden en Gods toorn, en uw eigen verdoemelijke onmacht en vijandschap nog niet genoeg op het hart, maar bent u daar nog zo blind en ongevoelig onder? O, weet en begrijp eens werkelijk dat u daar van uzelf ook niet het minste aan toe kunt doen. Dat is alleen het werk van Christus’ vrije genade! Hij heeft het in de handen van Zijn Geest gegeven om de wereld van zonde te komen overtuigen. Ach, geloof, geloof dat nu eens, en kom dan als een verstokte en blinde tot Christus, want verstokten en blinden mogen ook tot Hem komen; Hij roept ze ook tot Zich. Werp uzelf dan maar zo voor Hem neer en erken dat in de hemel en op aarde alleen Hij machtig is zowel om u van de zonden te overtuigen als van de zonden te verlossen. Wordt u door de satan en uw eigen ongelovig hart, helaas, dikwijls gekweld met droevige atheïstische gedachten en bestrijdingen, ja zelfs met heimelijke verleidingen en aansporingen om te spotten met God en alles wat heilig is? O, dit is een zeer groot en zielsvernederend kwaad, hetwelk uw arme ziel spoedig in het eeuwige verderf zou slepen, als de Heere toeliet dat het eens recht kon losbreken. Maar om u te bemoedigen en te troosten kan ik u zeggen dat er duizenden door Christus’ ontfermende hand zijn geholpen en genezen, die aan dezelfde droevige kwalen geleden hebben, en die wellicht nog veel zieker waren dan u. O, wees daarom niet langer ongelovig. Want ik verzeker u voor het aangezicht van de Heere, uit kracht van mijn zending: er is nog een balsem in Gilead, er is nog een groot Heelmeester aldaar – als u maar gelovig tot Hem wilt gaan en Hem om Zijn hulp verzoeken. Ik geef graag toe dat het heel moeilijk is om te geloven als de satan en ons eigen hart zo sterk werken en woelen om ons tot het ongeloof te brengen. Maar dit is uw grote geluk, dat het geloof een werk en een zuivere gave Gods is, en dat Christus het Zelf door Zijn Geest in u wil werken. En zeker, die hand alleen is machtiger dan alle machten der hel samen. Mocht u het dan maar eens werkelijk aan Hem overgeven. Overgeven aan die Held Die verlossen kan en Die er reeds zo velen uit die droevige banden van de satan verlost heeft toen het erop leek dat zij er voor eeuwig in zouden vergaan en er jammerlijk in om zouden komen. O, wat een zalig redding zou dat voor uw ellendige en benauwde ziel zijn, als u door de kracht van de Heilige Geest maar eens rechtuit en onomwonden tegen de satan zou kunnen zeggen: ‘O vijand, wat kwelt gij mij arm, ellendig mens ermee dat God en Christus, Woord en godsdienst geen waarachtige dingen zouden zijn? U weet immers zelf wel beter. Al kan ik het helaas niet op een krachtige manier geloven, dan wil ik mijzelf er nochtans van verzekerd houden dat de Heere Jezus het mij kan doen geloven’. En mocht u uzelf vervolgens, zo ellendig als u bent, dan maar eens geheel aan Zijn voeten neerwerpen en Hem smeken om de Geest des geloofs, Die Hij nog genoeg voor u over heeft en waardoor Hij de arme zondaren trekt en bekeert.

 

Uw toegenegen vriend en dienaar in de Heere Jezus,

Theodorus van der Groe